Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3436

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
09-01-2019
Zaaknummer
200.179.324/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2016:436
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

executoriale verkoop door Ontvanger van appartement voor belastingschuld van economische eigenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-01-2019
FutD 2019-0176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.179.324/01

Rolnummer rechtbank : C/09/475239/HA ZA 14-1167

arrest van 10 april 2018

inzake

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 1],

2 [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [appellant 2],

appellanten, hierna ook te noemen: [appellanten],

advocaat: onttrokken,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,

mede kantoorhoudende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van dit hof van 8 maart 2016 verwijst het hof naar dat arrest. In dat arrest is de door [appellant 1] gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank afgewezen. In dat arrest is verder overwogen dat de voorwaarde waaronder [appellant 2] het incident tot voeging heeft ingesteld niet is ingetreden, omdat hij al partij in het geding in hoger beroep is. Vervolgens heeft de Ontvanger een memorie van antwoord (met producties) genomen waarin de grief van [appellanten] wordt bestreden. Nadat [appellanten] pleidooi hadden gevraagd heeft hun advocaat zich onttrokken. Er heeft zich voor hen geen andere advocaat gesteld en [appellanten] hebben geen aanhouding van de pleidooien verzocht. Op 19 februari 2018, de dag waarop de pleidooien waren bepaald, zijn [appellanten] zonder bericht niet verschenen. De Ontvanger heeft de zaak doen bepleiten door zijn advocaat voornoemd. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Nu geen grief is gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld, zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2

[appellant 2] houdt zich bezig met de exploitatie van onroerende zaken.

1.3

De Ontvanger had ten tijde van het rechtbankvonnis een vordering op [appellant 2] van in totaal € 927.104 op grond van twee belastingaanslagen uit 2006 en 2007. . Voor deze belastingschuld zijn op 6 februari 2014 twee dwangbevelen aan [appellant 2] betekend.

1.4

[appellant 1] staat sinds 1994 in het kadaster vermeld als rechthebbende tot de woning aan de [adres] (hierna: het appartement).

1.5

Op 16 juni 2014 heeft de Ontvanger voor de belastingschuld van [appellant 2] executoriaal beslag gelegd op het appartement zowel ten laste van [appellant 1] als van [appellant 2].

1.6

De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat, aangezien [appellant 2] het economisch belang bij en de werkelijke zeggenschap over het appartement heeft, de Ontvanger het appartement kan uitwinnen voor de belastingschuld van [appellant 2]. Daarom heeft [appellant 1] er geen rechtens te respecteren belang bij zich tegen uitwinning van het appartement te verzetten en zal hij de executie hebben te dulden, aldus de Ontvanger. De Ontvanger vordert dat [appellant 1] wordt veroordeeld om te dulden dat het appartement executoriaal of onderhands zal worden verkocht door de Ontvanger tot verhaal van de belastingschuld van [appellant 2], en te bepalen dat het vonnis overeenkomstig art. 3:301 BW in de plaats treedt van de leveringsakte. [appellant 2] heeft zich gevoegd aan de zijde van [appellant 1].

1.7

De rechtbank heeft de vordering van de Ontvanger toegewezen. De rechtbank oordeelde dat [appellant 2] de economisch belanghebbende is van en de werkelijke zeggenschap heeft over het appartement. Dat bij de aankoop van het appartement geen sprake was van kwade trouw bij [appellant 2] of [appellant 1], zoals [appellant 2] heeft aangevoerd, laat het voorgaande onverlet, aldus de rechtbank.

1.8

Op 13 april 2016 is het appartement executoriaal verkocht voor € 30.000. De Ontvanger heeft dit bedrag afgeboekt op de belastingschuld van [appellant 2].

2.1

[appellanten] hebben één grief aangevoerd. De grief houdt in dat de rechtbank zou hebben miskend (i) dat bij een ‘stromanbeslag’ sprake moet zijn van kwade trouw bij zowel schuldenaar als derde en (ii) dat voor het aannemen van economische eigendom de rechthebbende het volledige risico draagt van waardeverandering c.q. tenietgaan van het goed, zonder dat het goed in juridische zin is geleverd.

2.2

Anders dan [appellanten] menen heeft de rechtbank de vordering van de Ontvanger niet toegewezen op de grond dat [appellant 1] een stroman van [appellant 2] is. De rechtbank overwoog dat [appellant 2] de economisch belanghebbende is van en de werkelijke zeggenschap heeft over het appartement. Dit gegeven heeft de rechtbank terecht voldoende geacht voor haar (impliciete) oordeel dat [appellant 1] er geen rechtens te respecteren belang bij heeft zich tegen executie van het appartement te verzetten en dat hij de executie daarvan dus moet dulden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vraag of [appellanten] te kwader trouw waren daarbij geen rol speelt. Al hetgeen [appellanten] overigens nog onder het hoofd ‘stromanbeslag’ aanvoeren kan dan ook onbesproken blijven.

2.3

De grief houdt ook het verwijt in dat de rechtbank zou hebben miskend dat bij economische eigendom de ‘rechthebbende’ (waarmee [appellanten] kennelijk bedoelen: de economisch eigenaar) het risico van waardeverandering en het tenietgaan van het goed draagt. De rechtbank zou dit ten onrechte in het midden hebben gelaten, aldus [appellanten] Dit betoog gaat niet op. In het oordeel van de rechtbank dat [appellant 2] de economisch belanghebbende is ligt besloten dat ook veranderingen in de waarde en het risico van het tenietgaan van de zaak voor rekening van [appellant 2] zijn.

2.4

[appellanten] hebben nog aangevoerd dat [appellant 1] er belang bij heeft om zich te verzetten tegen de vordering van de Ontvanger, omdat hij aan de familie [appellant 2] alleen de aankoopsom van fl. 34.174 verschuldigd is en dat de meerwaarde van het appartement bij verkoop aan hem ([appellant 1]) zou toekomen. Dit betoog stuit af op het oordeel van de rechtbank, dat [appellant 2] de economisch eigenaar is en dat een eventuele waardestijging dus voor rekening van [appellant 2] is. Dat oordeel hebben [appellanten] in hoger beroep niet dan wel – zoals hiervoor is overwogen – tevergeefs bestreden.

2.5

Het hof passeert het algemene bewijsaanbod van [appellanten], omdat het te vaag is. Meer in het bijzonder is niet duidelijk gemaakt van welke specifieke stellingen die voor de uitkomst van het geding relevant zijn bewijs wordt aangeboden.

3.1

Nu de grief faalt dient het vonnis van de rechtbank te worden bekrachtigd.

3.2

[appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder die in het incident.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 september 2015;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 711,-- voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, J.J. van der Helm en H.C. Grootveld, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2018, in aanwezigheid van de griffier.