Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3431

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
200.208.769/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige strafvorderlijke beslaglegging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.208.769/01

Zaak-/Rolnummer rechtbank : 4589238 RL EXPL 15-33920

arrest van 20 november 2018

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. I.C. Engels te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 14 november 2016 heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag, team Kanton, van 31 augustus 2016, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellante] één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grief bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Vervolgens heeft [appellante] nog een Akte uitlating producties genomen en de Staat een Antwoordakte in reactie op uitlating producties. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten en achtergronden

1.1

In appel zijn geen grieven gericht tegen de feiten die de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.5 van haar vonnis heeft vastgesteld, met dien verstande dat de Staat bij memorie van antwoord (onder verwijzing naar de bij die memorie overgelegde productie 21) heeft aangevoerd dat de hierna te noemen auto op 19 maart 2012 is opgehaald, hetgeen [appellante] vervolgens niet heeft bestreden. Het hof zal dan ook van de door de rechtbank vastgestelde en aldus gecorrigeerde feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.2

In het kader van een op 4 januari 2010 tegen [appellante] (en enkele anderen, waaronder de zoon van [appellante], te weten [X]) gestart strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke betrokkenheid bij witwassen (art. 420 bis Sr.), heeft de officier van justitie op 23 februari 2010 conservatoir beslag gelegd op een personenauto, merk BMW, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Het kentekenbewijs van de auto stond destijds op naam van [appellante].

1.3

[appellante] heeft een klaagschrift op de voet van art. 552a Sv. ingediend tot teruggave van de auto, maar de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft dit beklag bij uitspraak van 31 maart 2010 ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij beschikking van 20 september 2011 verworpen. De Hoge Raad verstond de beslissing van de rechtbank zo dat daaraan ten grondslag ligt dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de auto zal bevelen.

1.4

Op 6 maart 2012 heeft de officier van justitie aan [appellante] laten weten dat hij besloten heeft de auto aan haar terug te geven. De auto is vervolgens op 19 maart 2012 opgehaald door [X].

1.5

Op 17 september 2012 heeft de officier van justitie besloten de zaak tegen [appellante] en haar zoon te seponeren wegens gebrek aan bewijs.

1.6

[appellante] is van mening dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de auto in beslag te nemen zonder dat er een reële verdenking tegen haar bestond en terwijl duidelijk was dat geen schulden ter waarde van de in beslag genomen auto ten laste van [appellante] zouden ontstaan, alsmede doordat het beslag te lang heeft voortgeduurd. [appellante] vordert in dit geding een hierop gerichte verklaring voor recht, alsmede veroordeling van de Staat tot betaling van € 17.000 als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2012, met verwijzing van de Staat in de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten.

1.7

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Zij overwoog, kort samengevat, dat in de beklagprocedure reeds is uitgemaakt dat het beslag niet onrechtmatig was, dat uit het strafdossier niet van de onschuld van [appellante] is gebleken en dat voor het overige onvoldoende is gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat aan de Staat enig rechtens relevant verwijt valt te maken van de omstandigheid dat enige tijd is verstreken tussen de last tot teruggave en de feitelijke teruggave van de auto.

De grief

2.1

De grief valt uiteen in een aantal verschillende klachten, die niet allemaal even duidelijk zijn. Het hof zal deze klachten zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

2.2

[appellante] heeft terecht geen, althans geen voor het hof begrijpelijke klacht gericht tegen rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank voorop stelt dat volgens vaste rechtspraak de Staat slechts aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen, indien:

(i) het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten, of

(ii) achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek – uit de einduitspraak of anderszins – blijkt dat de verdenking op grond waarvan het is toegepast ten onrechte heeft bestaan.

Ook het hof zal derhalve van dit criterium uitgaan.

2.3

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat met de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 maart 2010 en de beschikking van de Hoge Raad van 20 september 2011, in deze procedure uitgangspunt moet zijn dat het beslag op de auto rechtsgeldig is gelegd. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan het criterium dat hiervoor is vermeld onder 2.2 sub (i). De stelling van [appellante], dat de auto niet in beslag had mogen worden genomen omdat geen reële verdenking tegen haar bestond, stuit reeds hierop af. In de beschikking van de Hoge Raad wordt ook overwogen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de auto in beslag is genomen in verband met de verdenking dat deze is verkregen door middel van door [appellante] en haar zoon gepleegde strafbare feiten en dat de inhoud van de gedingstukken deze inbeslagneming kan rechtvaardigen. Dat de beslaglegging heeft plaatsgevonden op grond van een gerechtvaardigde verdenking jegens onder meer [appellante] staat daarmee ook in het onderhavige geding vast.

2.4

Daar komt bij dat uit het dossier voldoende blijkt dat jegens [appellante] sprake was van een reële verdenking van het plegen van het strafbare feit bedoeld in art. 420a bis Sr. (witwassen). In het proces-verbaal van onderzoek van 19 januari 2010 (productie 1 bij conclusie van antwoord) wordt immers geconstateerd dat [appellante] in 2008 en 2009 een uitkering ontving van ruim € 19.000 per jaar, dat het banksaldo van [appellante] per eind 2008 € 3.141 bedroeg en dat dit de aanschaf van een auto met een waarde van € 30.000 tot € 40.000 op 8 januari 2010 onvoldoende verklaart. [appellante] heeft desgevraagd over de herkomst van de gelden geen verdere helderheid verschaft, anders dan verklaringen dat zij het van haar uitkering zou hebben gespaard en dat haar zoon [Y] in contanten een schuld bij haar zou hebben ingelost, zonder te verklaren hoe en wanneer deze schuld zou zijn ontstaan en waarvan die kon worden ingelost. Tevens blijkt uit voormelde productie dat bij de aankoop van de auto, het woord werd gevoerd door [appellante]’s zonen [Z] en [X], dat [appellante] zelf in een andere auto op de parkeerplaats was blijven zitten en pas naar de kantoorruimte kwam toen de auto op haar naam werd gezet (zie ook de verklaring van de verkoper, productie 2 bij de conclusie van antwoord). Mede gezien de concrete aanwijzingen over de betrokkenheid van [X] bij de exploitatie van hennepplantages (vermeld in het proces-verbaal van 19 januari 2010 op pag. 2) kon redelijkerwijs de verdenking ontstaan dat [appellante] art. 420a bis Sr. had overtreden.

2.5

Dit onderdeel van de grief is ongegrond.

2.6

Met betrekking tot het criterium dat hiervoor is vermeld onder 2.2 sub (ii) voert [appellante] onder meer aan: [appellante] is en was onschuldig aan het telen van softdrugs, het verkopen van softdrugs, en het gestelde witwassen, [appellante] heeft van haar geld een auto gekocht, deels via de systematiek van inruil, uit het strafdossier volgt wel degelijk de onschuld van [appellante] en blijkt op geen enkele wijze waarop een verdenking jegens [appellante] heeft kunnen steunen, aldus is de verdenking jegens [appellante] van meet af aan ongefundeerd geweest (memorie van grieven nrs. 31 - 37). Deze stellingen gaan er aan voorbij dat het op grond van dit criterium aan [appellante] is om aan te tonen dat uit het strafdossier blijkt dat de verdenking jegens haar ten onrechte heeft bestaan. [appellante] heeft geen onderdelen uit het strafdossier aangewezen waaruit dit laatste zou blijken. Voor zover [appellante] zich baseert op het ontbreken van een reële verdenking loopt haar betoog stuk op hetgeen hiervoor in 2.4 over de redelijke verdenking is overwogen. Ook dit onderdeel van de grief slaagt niet.

2.7

[appellante] voert verder aan dat indien het beslag aanvankelijk al gerechtvaardigd was, dit in ieder geval niet meer het geval was na april 2010. [appellante] merkt in dit verband op dat na 25 februari 2010 ook geen onderzoekhandelingen naar haar hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat indien [appellante] van mening was dat het door tijdsverloop niet langer in het belang van de strafvordering was dat het beslag werd gecontinueerd, hetgeen haar stellingen impliceren, zij bij de strafrechter (opnieuw) teruggave van de auto had kunnen vragen. Nu zij dat heeft nagelaten, kan zij niet met vrucht bij de burgerlijke rechter betogen dat de auto eerder aan haar had moeten worden teruggegeven. Daarbij komt dat uit producties 19 en 20 bij memorie van antwoord blijkt dat het strafrechtelijk onderzoek ook na maart 2010 is voortgezet. Of dit onderzoek zich ook specifiek jegens [appellante] heeft gericht is niet doorslaggevend, aangezien verbeurdverklaring – en voortzetting van het beslag met het oog daarop – ook mogelijk is indien alleen de zoon van [appellante] wordt veroordeeld en vast komt te staan dat de auto, ondanks de registratie op naam van [appellante], in feite aan de zoon toebehoort.

2.8

Ten slotte voert [appellante] aan dat zij kosten heeft moeten maken in verband met het ophalen van de auto, die niet meer reed en moest worden weggesleept. Aangezien [appellante] niet stelt, laat staan onderbouwt, dat de Staat enig relevant verwijt ten aanzien van de bewaring van de auto kan worden gemaakt, faalt ook dit betoog. Het enkele feit dat de auto door tijdsverloop niet meer reed is, mede in het licht van het voorgaande, onvoldoende om te oordelen dat de Staat jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld.

2.9

De conclusie is dat de grief faalt.

3.1

Nu de enige grief faalt zal het vonnis van de rechtbank worden bekrachtigd.

3.2

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.952,-- aan griffierecht en € 1.611,-- voor salaris van de advocaat, en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, G. Dulek-Schermers en A.A. Muilwijk-Schaaij en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018, in aanwezigheid van de griffier.