Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3430

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2018
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
200.170.916/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Hof wijst verzoek tot vaststellen van een omgangsregeling tussen de biologische vader en zijn zoon af. Het hof sluit niet uit dat het kind binnen het huidige gezinsverband wordt verstoten indien duidelijk wordt dat de zoon niet de zoon van de juridische vader is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0010
EB 2019/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 19 december 2018

Zaaknummer : 200.170.916/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-7559

Zaaknummer rechtbank : C/10/459462

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.D. van Velthoven te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikkingen van 16 december 2015, 31 augustus 2016 en 13 december 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Bij laatstgenoemde tussenbeschikking van 13 december 2017 is de behandeling van de zaak aangehouden tot 23 mei 2018, teneinde de raad in de gelegenheid te stellen een (kort) onderzoek in te stellen ter fine als vermeld in rechtsoverweging 5 en het hof daaromtrent te rapporteren en adviseren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De raad heeft bij brief van 6 november 2018 zijn rapport van 5 november 2018 aan het hof overgelegd.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 30 oktober 2018 een faxbericht van diezelfde datum ingekomen.

De mondelinge behandeling is op 14 november 2018 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- namens de vrouw haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is nog de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] , hierna ook: de minderjarige.

2. Blijkens het (aanvullende) rapport van de raad van 5 november 2018 is het voor de raad lastig om te bepalen welke omgangsregeling in het belang van de minderjarige is, nu de moeder inmiddels in [buitenland] verblijft. De raad meent dat er voldoende draagvlak lijkt te zijn bij de minderjarige om het contact aan te gaan met zijn biologische vader aangezien uit het onderzoek blijkt dat er geen grote zorgen zijn over de minderjarige en zijn ontwikkeling. Hij groeit op in een liefdevol gezin wat naar de mening van de raad een ondersteunende factor is voor de minderjarige om het contact met zijn biologische vader aan te gaan. Volgens de raad zijn er twee mogelijkheden: indien de moeder niet in [buitenland] kan verblijven en dus terugkeert naar Nederland is de raad van mening dat een omgangsregeling tussen de minderjarige en zijn biologische vader opgestart kan worden bij het [omgangshuis] .

Indien de moeder in [buitenland] verblijft, dan is het lastiger. De raad vindt het echter belangrijk dat de minderjarige in de gelegenheid wordt gesteld kennis te maken met zijn biologische vader.

De raad adviseert het hof dan ook om:

a. indien de vrouw en de minderjarige terugkeren naar Nederland: te bepalen dat er begeleide omgangscontacten zullen zijn tussen de minderjarige en zijn biologische vader in het [omgangshuis] ;

b. indien de vrouw en de minderjarige niet terugkeren naar Nederland: te bepalen dat er contact zal zijn tussen de minderjarige en zijn biologische vader door middel van kaartjes en Skype en de vrouw de biologische vader eens in de drie maanden recente foto’s van de minderjarige stuurt.

In reactie op het rapport heeft de vrouw aangegeven het absoluut niet eens te zijn met de opgelegde contact- of omgangsregeling. De man kan zich vinden in het advies. Hij vindt het vreemd dat de vrouw niet heeft gemeld dat zij van plan was om te gaan verhuizen. Ze is vertrokken en heeft dit pas achteraf aan de man laten weten.

3. Bij faxbericht van 30 oktober 2018 van de zijde van de vrouw heeft de vrouw aan het hof meegedeeld dat zij niet zal verschijnen ter zitting. Ter toelichting stelt zij dat haar echtgenoot een baan heeft aangeboden gekregen in [buitenland] , welke baan hij heeft geaccepteerd. Het gezin, bestaande uit vader, moeder en drie kinderen waaronder de minderjarige, is geëmigreerd naar [buitenland] . Zij is niet in staat om naar Nederland te komen. De vrouw stelt dat zij de statusvoorlichting heeft voltooid. De vrouw vindt verder dat een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is, temeer nu de minderjarige is ingebed in de veilige omgeving van het huidige gezin, met een wettige vader en een juridisch en sociaal gezien volle broer en zus. Een omgangsregeling met een onbekende vader in een ver land, acht de vrouw niet in het belang van de minderjarige. De advocaat van de vrouw heeft dit standpunt ter zitting nogmaals naar voren gebracht.

4. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) de belangen van een kind de eerste overweging moet zijn bij alle besluiten die hem aangaan.

5. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het besprokene ter zitting leidt het hof af dat het er alle schijn van heeft dat de vrouw, in weerwil van hetgeen bij de mondelinge behandeling bij het hof op 8 november 2017 is besproken, nog geen statusvoorlichting aan de minderjarige heeft gegeven. De minderjarige, 8 jaar oud, kent de man niet en weet niet dat de man zijn biologische vader is. De minderjarige heeft geen enkele geschiedenis met de man. Het hof constateert verder dat de minderjarige met de moeder (en haar gezin) recent is geëmigreerd naar [buitenland] , waarbij vast staat dat fysiek contact tussen de man en de minderjarige thans niet mogelijk is. Het hof is verder gebleken dat de minderjarige is ingebed in de omgeving van het huidige gezin, met een wettige vader en een juridisch en sociaal gezien volle broer en zus. Het hof is verder van oordeel dat in deze setting, met een onbekende biologische vader, het entameren van Skype contacten en het sturen van kaartjes, zoals door de raad geadviseerd, volstrekt niet reëel is, zeker niet nu de raad tevens van oordeel is dat de omgang(scontacten) in eerste instantie begeleid moeten zijn.

Het afdwingen van een omgangsregeling op dit moment acht het hof in deze bijzondere omstandigheden tegen het belang van het kind. Het zou het huidige gezinsleven van de minderjarige verstoren. De minderjarige heeft geen enkele geschiedenis met de man en weet niet van het bestaan van zijn biologische vader. Het is praktisch gezien onmogelijk om het proces van statusvoorlichting en kennismaking met de biologische vader goed te begeleiden. Er is bij de moeder geen enkel draagvlak voor het in deze fase introduceren van de biologische vader in het leven van de minderjarige. Er is een grote geografische afstand en er zijn grote culturele verschillen tussen de Nederlandse cultuur van de biologische vader en de Islamitische cultuur van het gezin in [buitenland] . Het algemene uitgangspunt dat het in het belang van een minderjarige is om met zijn beide ouders contact te hebben weegt daarom naar het oordeel van het hof in deze fase van het leven van deze minderjarige minder zwaar dan het belang van de minderjarige om in het gezin waar hij geworteld is op te groeien. Dit kan in de toekomst anders komen te liggen, bijvoorbeeld wanneer het gezin terugkeert naar Nederland. Het hof vindt het nog steeds in het belang van de minderjarige dat de moeder hem op een passende wijze voorlicht over zijn status. De ontwikkeling van de minderjarige kan ertoe leiden dat contact met zijn biologische vader wel mogelijk wordt. Het hof zal het verzoek van de man in zoverre afwijzen. Hetgeen de man overigens heeft aangevoerd, hoezeer begrijpelijk en grotendeels ook terecht, leidt niet tot een ander oordeel met betrekking tot de omgang.

6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, P.B. Kamminga en A.J. van Montfoort, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2018.