Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3423

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
200.197.283/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Zaak na verwijzing. Bewijsopdrach/bewijslevering: leed erflater op het moment van het passeren van zijn uiterste wil aan een geestelijke stoornis als gevolg waarvan hij zijn wil niet kon bepalen. Bewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2018-0230
JERF 2018/433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.197.283/01

Zaaknummer Hoge Raad : 13/04030

Zaaknummer Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch : 200.107.858/01

Zaaknummer rechtbank : 78487/ HA ZA 11-211

Arrest van 31 juli 2018

Inzake

[dochter van de broer van erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: mr. N.C. van Steijn te Leiden,

tegen

de gezamenlijke erven van [erflater] , zijnde:

- [erfgenaam een] ,

wonende te [woonplaats] en

- [erfgenaam twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

alsmede tegen

[vader van de erfgenamen]

wonende te [woonplaats] ,

en [moeder van de erfgenamen] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J. W. Vugs te Roosendaal.

Verdere verloop van het geding

Voor het verloop van het geding in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 27 juni 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Op 23 januari 2018 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Appellante heeft op 17 april 2018 een memorie na enquête genomen.

Geïntimeerden hebben op 15 mei 2018 een antwoordmemorie na enquête genomen.

Beide partijen hebben hun (aanvullend) procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

Wijziging bewijsopdracht?

1. Bij arrest van 27 juni 2017 is:

  • -

    appellante toegelaten door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het doen horen van getuigen, te bewijzen dat [volgt naam] (hierna: erflater) op het moment van het maken van zijn uiterste wil op 20 mei 1999 aan een geestelijke stoornis leed als gevolg waarvan hij zijn wil niet kon bepalen;

  • -

    iedere verdere beslissing is aangehouden.

2. In haar memorie na enquête heeft appellante gesteld, dat de door het hof geformuleerde bewijsopdracht te strikt is, althans zo kan worden opgevat dat alleen feiten en omstandigheden van 20 mei 1999 relevant zijn. Appellante is van mening dat het hof de bewijsopdracht moet herformuleren en wel in die zin dat appellante dient te bewijzen dat de geestesvermogens van erflater dusdanig blijvend gestoord waren dat deze stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die waren betrokken bij het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999. Daaronder vallen dus alle feiten en omstandigheden die tot dit oordeel kunnen leiden, ook al dateren die niet van voor of na 20 mei 1999.

3. Ter zake de door het hof geformuleerde bewijsopdracht hebben geïntimeerden het navolgende naar voren gebracht. De kern van de beslissing van de Hoge Raad van 13 februari 2015 is geweest dat het gerechtshof `s - Hertogenbosch het door appellante gedane bewijsaanbod - dat sprake was van een causaal verband tussen de geestelijke stoornis van erflater en het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 - niet als onvoldoende specifiek had mogen passeren. Onder verwijzing naar artikel 3:34 lid 1 BW geldt letterlijk dat het moment van de verklaring bepalend is. De beperking van erflater verhinderde hem niet om de gevolgen van zijn testament te overzien.

4. Het hof overweegt als volgt. Op degene die een beroep doet op artikel 3:34 BW (geestelijke stoornis) rust de stelplicht en bewijslast, dat (i) de geestvermogens van in dit geval erflater blijvend of tijdelijk waren gestoord en voorts (ii) dat door die stoornis zijn wil tot het maken van zijn testament van 19 mei 1999 ontbrak. Het bewijsaanbod van appellante strekt er toe om aan te tonen dat de notaris ten onrechte niet heeft getwijfeld aan de bekwaamheid van erflater om zijn testament van 20 mei 1999 te maken. In dit verband is van belang, dat artikel 4:55 lid 3 BW bepaalt dat de bekwaamheid om te testeren wordt beoordeeld naar de staat waarin de erflater zich op het ogenblik van het maken van het testament bevindt. De notaris heeft op 20 mei 1999 bij het passeren van het testament van erflater geen feiten of omstandigheden aanwezig geacht om te twijfelen of erflater de rechtsgevolgen van zijn handelen kon overzien. Bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid zijn mede van belang de aard van de rechtshandeling en de daarmee samenhangende complexiteit. Deze moeten worden meegewogen bij de beoordeling of erflater op het moment van het maken van zijn estament de gevolgen van zijn handelen kon overzien. Feiten en omstandigheden die zich voor of na de betreffende datum hebben voorgedaan, kunnen van belang zijn voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater ten tijde van het maken van zijn testament op 20 mei 1999. Anders dan appellante kennelijk meent, heeft het hof bij de formulering van de bewijsopdracht dat niet uitgesloten. Het hof heeft bij de formulering van de bewijsopdracht aangesloten bij het bepaalde in artikel 4:55 lid 3 BW. Naar het oordeel van het hof is er geen grond om te komen tot een wijziging van de bewijsopdracht.

Is het bewijs geleverd?

5. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 27 juni 2017 in rechtsoverweging 10 overwogen dat appellante tot dan toe niet had bewezen dat erflater op het moment van het maken van zijn uiterste wil op 20 mei 1999 aan een stoornis leed als gevolg waarvan hij niet zijn wil kon bepalen. In het kader van de bewijslevering dient het hof nu nog te oordelen over de door het hof gehoorde getuigen:

  • -

    [getuige een] , voormalig huisarts van erflater;

  • -

    [getuige twee] , specialist ouderengeneeskunde;

  • -

    [getuige drie] , aangetrouwd familielid van erflater (echtgenoot van appellante).

6. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de door de hiervoor genoemde getuigen afgelegde verklaringen, ook niet bezien in samenhang met de reeds overgelegde schriftelijke verklaringen, niet geoordeeld worden dat erflater op het moment van het passeren van zijn uiterste wil in 1999 aan een stoornis leed als gevolg waarvan hij niet zijn wil kon bepalen.

7. Door de getuige [getuige een] wordt onder meer verklaard:

  • -

    hij (erflater) kon eenvoudige dingen begrijpen zoals medicijnen driemaal daags innemen. Maar de consequenties van het niet innemen van de medicijnen overzag hij niet;

  • -

    hij leefde zelfstandig in een huis maar wel met hulp;

  • -

    met structuur kon hij, met name in 1999, zelfstandig leven;

  • -

    wat hem niet beviel kon hij aangeven;

  • -

    hij kon zijn basisbehoeften zoals ik wil drinken en eten kenbaar maken;

  • -

    ik kan niet iets exact zeggen over de geestestoestand van erflater rond 20 mei 1999;

  • -

    ik denk dat ik geen testament zou hebben gepasseerd;

  • -

    het ontwikkelingsniveau zoals ik hem gekend heb, is eigenlijk stabiel geweest en bewoog zich rond de groepen 6 tot 8 op basisschoolniveau. Hij is vrij constant gebleven.

Uit de verklaring van deze getuige volgt dat erflater eenvoudige dingen begreep, kenbaar kon maken wat hij wel of niet wilde en dat hij in staat was om met hulp van derden zelfstandig te leven. Op basis van deze getuigenverklaring kan niet geoordeeld worden dat erflater de gevolgen van zijn uiterste wil niet kon overzien te meer nu het een relatief eenvoudig testament is. Uit de inhoud blijkt ook niet dat erflater wilsonbekwaam was indien acht wordt geslagen op de goede band met de familie [volgt naam] .

8. Het hof hecht geen waarde aan de getuigenverklaring van de heer [getuige twee] . De betreffende getuige heeft erflater behandeld in de periode van 2 april 2010 tot 23 februari 2011. Voor die tijd heeft deze getuige erflater niet gekend . De waarneming door deze getuige van erflater, welke dateert van ruim tien jaar na de datum van het passeren van het testament, acht het hof niet relevant voor de beantwoording van de vraag zoals geformuleerd in de bewijsopdracht. Deze getuige heeft verklaard dat de geestestoestand van erflater niet stabiel is geweest terwijl de getuige [getuige een] verklaart dat zijn ontwikkelingsniveau stabiel was. De constatering van de getuige [getuige een] past beter bij het feit dat erflater gedurende een lange periode met ondersteuning zelfstandig kon leven. Bovendien heeft getuige [getuige een] erflater voor en na 1999 behandeld in zijn hoedanigheid van huisarts.

9. Gezien de familierelatie van getuige [getuige twee] met appellante hecht het hof beperkte betekenis aan zijn getuigenverklaring. Deze getuige is geen deskundige die kan vaststellen of erflater al dan niet in staat was om zijn wil te bepalen met betrekking tot een relatief eenvoudige rechtshandeling. Hij stelt dat erflater beïnvloedbaar was maar hij onderbouwt dit niet nader. Deze getuige was niet aanwezig bij het passeren van het testament van erflater. Wel is deze getuige van mening dat erflater ook op het moment van het passeren van het testament beïnvloedbaar was. Uit zijn getuigenverklaring volgt dat erflater op school is geweest, rijmpjes kende en kon schrijven in de poëziealbums. Uit de getuigenverklaring volgt naar het oordeel van het hof dat erflater eenvoudige dingen begreep en kon uitvoeren.

10. Vanuit dat perspectief bezien, is het hof evenals het hof `s-Hertogenbosch van oordeel dat erflater zijn uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 heeft begrepen en dat hij de gevolgen daarvan kon overzien. Voorts past zijn uiterste wil in de jarenlange band die erflater had met het gezin van geïntimeerden. De beperkte geestesvermogens van erflater beletten hem niet de onderhavige relatief eenvoudige rechtshandeling te verrichten.

Proceskosten

11. Gezien het feit dat appellante in het ongelijk is gesteld, dient zij in de proceskosten te worden veroordeeld. De vernietiging door de Hoge Raad van de uitspraak van het hof

’s-Hertogenbosch brengt mee dat ook de beslissing over de proceskosten zijn kracht heeft verloren. Het hof is dan ook gehouden de proceskosten van het hoger beroep opnieuw te begroten, zowel wat betreft de proceshandelingen die aan de vernietiging zijn voorafgegaan, als die welke na verwijzing zijn verricht (Hoge Raad 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728). Dit betekent dat het hof appellante zal veroordelen in de proceskosten in hoger beroep die in de appelprocedure bij het hof ’s-Hertogenbosch zijn gemaakt en in de proceskosten die in de procedure bij dit hof zijn gemaakt.

De proceskosten bedragen dan ook:

  • -

    procedure gerechtshof ’s-Hertogenbosch: € 2.973,- (€ 291,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat;

  • -

    procedure gerechtshof Den Haag: € 2.148,-;

derhalve in totaal: € 5.121,-.

Bekrachtiging rechtbank

12. Het vonnis van de rechtbank Middelburg van 7 maart 2012 dient derhalve te worden bekrachtigd.

13. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Middelburg van 7 maart 2012;

veroordeelt appellante in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak begroot op
€ 5.121,- en gespecificeerd als hiervoor in rechtsoverweging 11 is weergegeven en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.