Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3417

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
200.226.585/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Notarieel verleden samenlevingsovereenkomst. Geschil tussen partijen of een premiedepot op naam van de man gemeenschappelijk is (geworden) of niet. Uitleg. Criterium. Andere bepalingen van de samenlevingsovereenkomst brengen mee dat een eventuele onderwaarde bij verkoop van de woning onder de kosten van de huishouding valt, net als rente en aflossing, waarin (na inkomen) in evenredigheid naar vermogen (depot) moet worden bijgedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.226.585/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/506689/ HA ZA 16-261

arrest van 27 november 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. R.L.J. Reijnen te Geleen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. M.M. van Wijk te Honselersdijk.

Het geding

Bij exploot van 5 oktober 2017 is [de man] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 5 juli 2017. Bij memorie van grieven met een productie heeft [de man] vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [de vrouw] de grieven bestreden. Vervolgens heeft het hof op verzoek van [de man] een comparitie van partijen gelast. Voorafgaand aan de comparitie heeft [de man] bij H12-formulieren van 11 september 2018 en 17 september 2018 nog een twintigtal producties in het geding gebracht. De comparitie heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Enige vaststaande feiten

1. De door de rechtbank in het vonnis van 5 juli 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal uitgaan van die feiten, aangevuld met enige andere vaststaande feiten. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben op 29 april 2002 een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst ondertekend. Deze samenlevingsovereenkomst hield (onder meer) het volgende in:

“DOEL

Artikel 1

Met deze overeenkomst willen partijen ondermeer regelen:

a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

b. de gemeenschappelijke goederen;

c. de gemeenschappelijke woning;

(…).

Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis hierbij om te zetten in een rechtens afdwingbare.

(…)

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

(…)

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…)

5. Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen.

(…)

Artikel 4

(…)

3 Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de opstalverzekering.

(…)

GEMEENSCHAPPELIJKE INBOEDEL

Artikel 5

De inboedel (in de zin van artikel 3:5 Burgerlijk Wetboek), aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding, alsmede vervoermiddelen, zullen partijen ieder voor de overdeelde helft toebehoren, tenzij anders overeengekomen.

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

Artikel 6

(…)

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. (…)

AANBRENGSTEN

De door ieder van partijen aangebrachte inboedel is gespecificeerd vermeld – met vermelding van de totaalwaarde van ieders aanbrengst - opeen door partijen getekende lijst, die aan deze akte zal worden gehecht

Door de comparant sub 1 [ [de man] , hof] is voorts ingebracht een premiedepot bij Zwitser Leven Groot acht en twintigduizend achthonderd vijf en vijftig euro en acht en tachtig eurocent (€ 28.855,88)

In afwijking van het vorenstaande blijft ieder eigenaar van de kleding, sieraden en overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd of zullen vastleggen, dat zij privé-eigendom blijven van één van hen.”

3. In januari 2012 zijn partijen feitelijk uiteengegaan en per 5 mei 2012 heeft [de vrouw] de samenlevingsovereenkomst opgezegd.

4. Partijen hebben de gemeenschappelijke woning in 2013 met een restschuld verkocht. De restschuld is deels afgelost met het in de samenlevingsovereenkomst in de bepaling over aanbrengsten bedoelde premiedepot bij Zwitserleven dat op naam stond van [de man] . Het daarna nog resterende gedeelte van de restschuld hebben partijen ieder voor de helft aan de hypotheekbank voldaan.

5. [de man] heeft vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen in januari 2012 tot en met 18 augustus 2012 in de gemeenschappelijke woning gewoond. [de vrouw] heeft vanaf 19 augustus 2012 tot 25 maart 2013 in de gemeenschappelijke woning gewoond.

Eerste aanleg

6. In eerste aanleg heeft [de man] gevorderd, samengevat, te bepalen dat [de vrouw] , terzake van overbedeling, aan hem een bedrag van € 24.853,88 dient te voldoen, met wettelijke handelsrente en nakosten indien [de vrouw] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, en de proceskosten (voor het overige) te compenseren.

7. Voor zover in hoger beroep nog van belang, heeft [de man] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij het op zijn naam staande premiedepot bij Zwitserleven met een waarde van € 32.028,27 – waarvoor hij steeds de premie heeft betaald – aangewend heeft ter afbetaling van de gemeenschappelijke hypotheekschuld, zodat hij een vorderingsrecht heeft op [de vrouw] voor de helft van dit bedrag.

8. [de vrouw] heeft de vordering betwist en in reconventie gevorderd, samengevat, om [de man] ter veroordelen:

a. tot betaling van € 4.366,75 ter zake van herinrichtingskosten;

b. tot betaling van € 647,02 ter zake van kosten voor het verkoopklaar maken van de woning;

c. (voorwaardelijk, voor zover de rechtbank oordeelt dat [de man] een vordering

toekomt ter zake inbreng van privégelden in de gemeenschap) tot betaling van € 1.642,16 ter zake van de inbreng in de gemeenschap van haar spaarloon;

d. (voorwaardelijk, voor zover de rechtbank oordeelt dat [de man] een vordering

toekomt ter zake inbreng van privégelden in de gemeenschap) tot betaling van een nog nader te bepalen bedrag ter zake de inbreng in de gemeenschap van diverse bijdragen die door haar ouders zijn betaald;

e. in de proceskosten en in de nakosten.

9. De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van [de man] afgewezen, in reconventie [de man] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling van € 2.062,52 aan [de vrouw] en het meer of anders gevorderde afgewezen, met compensatie van de kosten van de procedure in conventie en reconventie.

Beoordeling van de grieven

10. Hoewel [de man] in hoger beroep heeft gevorderd dat het hof zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, is in conventie nog slechts de vordering ter zake van de helft van de waarde van het premiedepot bij Zwitserleven aan de orde. Hierop heeft grief I betrekking. De andere vorderingen van [de man] heeft hij voor een deel in eerste aanleg ingetrokken, terwijl hij voor het overige tegen de afwijzing daarvan door de rechtbank in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd. De grieven II, III en IV hebben betrekking op de vorderingen in reconventie. [de man] heeft in hoger beroep niet uitdrukkelijk geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, maar dat is, naar het hof begrijpt, wel de strekking van die grieven.

11. Grief I houdt in dat de rechtbank in r.o. 4.2-4.6 ten onrechte niet het standpunt van [de man] heeft gevolgd dat partijen niet de bedoeling hadden om de polis bij Zwitserleven in te brengen in de gemeenschap maar juist om deze uit te sluiten. Door partijen is aangevoerd dat de polis noodzakelijk was om de hypotheek van het nieuwe huis rond te krijgen. Volgens [de man] is dit de achterliggende gedachte geweest om de polis in de bepaling over aanbrengsten te benoemen en was het niet de bedoeling dat de polis gemeenschappelijk zou worden. Ook heeft de rechtbank ten onrechte niet mee overwogen, aldus [de man] , dat er wel degelijk een restitutierecht in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen, namelijk in artikel 6 lid 4. Volgens [de man] is dit artikel van toepassing nu partijen beiden hebben verklaard dat de hypotheek zonder deze polis niet kon worden verkregen, waarmee vaststaat dat [de man] meer heeft gefinancierd dan zijn aandeel van de koopsom. Verder betoogt [de man] dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in de samenlevingsovereenkomst. In plaats van ‘ingebracht’ had er ‘aangebracht’ dienen te staan, hetgeen ook logisch zou zijn gelet onder de plaatsing onder het kopje “AANBRENGSTEN” en de algemene bedoeling van een staat van aanbrengsten is om daarmee aan te geven welke goederen privé blijven.

12. Het hof stelt het volgende voorop. Voor de uitleg van de samenlevingsovereenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635).

Door geen der partijen is een gemotiveerd beroep gedaan op enige verklaring of gedraging van de ene partij jegens de andere partij in het kader van de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst of op enig daarop eventueel te baseren vertrouwen waarmee rekening gehouden zou kunnen worden. Daarom komt hier groot gewicht toe aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de samenlevingsovereenkomst, gelezen in het licht van de overige bepalingen van de samenlevingsovereenkomst.

Het staat de rechter vrij contractsbepalingen waaromtrent partijen niet een eensluidend standpunt hebben ingenomen, zelfstandig uit te leggen, ook al is deze uitleg door geen der partijen aangevoerd of verdedigd (HR 21 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2107).

Daarbij kunnen de overige omstandigheden van het geval steeds meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht (vgl. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101). Dat er van zodanige omstandigheden in deze zaak sprake is, is evenwel gesteld noch gebleken.

13. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst aldus moet worden opgevat, dat het de bedoeling van partijen was om het premiedepot op naam van [de man] in de gemeenschap in te brengen. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering tot vergoeding van de helft van de waarde van het premiedepot afgewezen. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de vermelding van het premiedepot in de bepaling over aanbrengsten in de samenlevingsovereenkomst ertoe strekte – zoals [de vrouw] betoogt – dit premiedepot of de waarde ervan gemeenschappelijk te doen zijn. Ook als partijen niet hebben beoogd om (de waarde van) het premiedepot gemeenschappelijk te doen zijn, komt aan [de man] geen vorderingsrecht toe voor de helft van de waarde ervan. Partijen zijn immers overeengekomen om in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding bij te dragen naar evenredigheid van hun inkomen (art. 3 lid 2 samenlevingsovereenkomst) en om, in het geval dat de inkomens niet toereikend zijn, ieder het tekort aan te vullen naar evenredigheid van zijn of haar vermogen (art. 3 lid 5 samenlevingsovereenkomst). Zijn partijen – zoals hier het geval is – een geldlening aangegaan ter financiering van een gezamenlijk te bewonen woning die gemeenschappelijk eigendom is, dan worden ook de rente en de aflossing van de geldlening gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (art. 4 lid 3 samenlevingsovereenkomst). Tussen partijen is niet in geschil dat zij in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding tijdens hun samenleving hebben bijgedragen naar evenredigheid van hun beider inkomens. Toen na afloop van hun samenleving en de verkoop van de gezamenlijke woning bleek dat de geldlening niet volledig kon worden afgelost uit de opbrengst van de woning, waren zij derhalve op grond van art. 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst gehouden om het tekort af te lossen naar evenredigheid van hun beider vermogens. Niet in geschil is dat [de vrouw] in 2013 niet beschikte over vermogen van betekenis. [de man] beschikte over het premiedepot. Derhalve was [de man] gehouden het premiedepot aan te wenden tot aflossing van de geldlening. Daaraan doet niet af dat de samenlevingsovereenkomst op het moment van aflossing reeds was geëindigd. Nu de verplichting tot aflossing reeds tijdens de samenleving – of zelfs kort daarvoor – was aangegaan en partijen aan een noodzakelijke voorwaarde voor de financiering van de woning hebben voldaan doordat het premiedepot tot zekerheid heeft gestrekt, dienden de daaraan verbonden kosten derhalve als kosten van de gemeenschappelijke huishouding overeenkomstig de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst te worden voldaan. Vervolgens waren partijen gehouden om het restant elk voor de helft af te lossen, zoals zij ook hebben gedaan.

14. [de man] heeft ter zitting aangevoerd dat art. 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst slechts betrekking heeft op maandelijkse aflossingen op de ter financiering van de gezamenlijke woning aangegane geldlening. Het hof ziet geen grond om [de man] te volgen in die, verder niet onderbouwde, opvatting.

15. Met betrekking tot het door [de man] gedane beroep op art. 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst overweegt het hof als volgt. Aan die bepaling zou [de man] een vorderingsrecht jegens [de vrouw] kunnen ontlenen indien hij uit eigen middelen voor meer dan zijn ‘aandeel’ van de koopsom en de kosten heeft bijgedragen aan de verkrijging van de gezamenlijke woning. Volgens [de man] bedraagt zijn ‘aandeel’ de helft van de koopsom en de kosten. Hierin volgt het hof hem niet. Nu partijen in art. 3 en 4 van de samenlevingsovereenkomst hebben geregeld in hoeverre zij elk verplicht zijn om bij te dragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en uit die bepalingen voortvloeit dat zij aan de aflossing van de geldlening dienden bij te dragen in evenredigheid van hun vermogens, moet worden aangenomen dat het ‘aandeel’ van de koopsom en de kosten voor iedere partij overeenkomt met het gedeelte van de kosten van de gemeenschappelijke woning dat op grond van art. 3 en 4 van de samenlevingsovereenkomst voor rekening van die partij komt. Het begrip ‘aandeel’ in art. 6 lid 4 moet derhalve niet worden opgevat als of gelijkgesteld aan het aandeel in de eigendom. Zou het begrip in die zin worden opgevat, dan zou dat de volgende ongerijmde consequentie hebben. Wanneer slechts één van de partners over inkomen en/of vermogen zou beschikken, zou die partner dan op grond van art. 3 en 4 weliswaar verplicht zijn om de aan de financiering van de woning verbonden kosten volledig voor zijn rekening te nemen, maar de andere partner zou dan alsnog een vergoeding voor de helft van die kosten schuldig worden aan de eerstbedoelde partner. Dat resultaat verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet goed met de bepaling in art. 1 van de samenlevingsovereenkomst dat de regeling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding strekt tot voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Daarmee wordt immers, naar moet worden aangenomen, gedoeld op de verplichting tot verzorging van de financieel minder draagkrachtige partner.

16. Aan de hiervoor uiteengezette uitleg doet niet af dat partijen met de vermelding van het premiedepot in de bepaling over aanbrengsten mogelijk – het hof heeft dit hiervoor in het midden gelaten – hebben bedoeld dat dit premiedepot privévermogen van [de man] bleef. Immers, het enkele feit dat het premiedepot tot het privévermogen van [de man] zou blijven behoren, brengt niet mee dat het premiedepot buiten beschouwing moet blijven bij de bepaling van de omvang van de op [de man] rustende verplichting om bij te dragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

17. Grief I faalt derhalve.

18. Grief II houdt in dat de rechtbank in r.o 4.11 ten onrechte heeft overwogen en op grond daarvan beslist, dat de waarde van de goederen die appellant meeheeft genomen de waarde van de achtergebleven spullen ruimschoots overtreft. Ten onrechte heeft de rechtbank niet bij de overwegingen betrokken, aldus [de man] , dat een groot deel van de inboedel die appellant uit de woning had meegenomen, geen spullen waren die behoorden tot de gemeenschappelijke inboedel maar spullen die specifiek toebehoorden aan het bedrijf van appellant en daartoe zakelijke spullen waren. Het betreft weliswaar duurdere zaken zoals diverse computers, maar deze behoorden toe aan het bedrijf van appellant.

19. Deze grief faalt, nu zij onvoldoende is onderbouwd. [de man] laat namelijk na om, zoals op zijn weg had gelegen, opgave te doen van de door hem meegenomen zaken die volgens hem niet gemeenschappelijk waren omdat zij toebehoorden aan het bedrijf van appellant. Verder had het op zijn weg gelegen te motiveren dat, gelet op de waarde daarvan in verhouding tot de overige door hem meegenomen zaken en tot de door hem in de woning achtergelaten zaken, geen sprake was van een overbedeling van [de man] ten koste van [de vrouw] . Het enkele feit dat bepaalde zaken die zich in de woning bevonden door [de man] – zoals hij in eerste aanleg ter comparitie heeft verklaard – ‘op de zaak waren gezet’ en derhalve kennelijk in de zakelijke boekhouding van [de man] werden aangemerkt als behorend tot en gefinancierd vanuit zijn bedrijf, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat die goederen niet behoorden tot de inboedel in de zin van art. 5 van de samenlevingsovereenkomst. Ook ter zitting bij het hof heeft [de man] een nadere onderbouwing achterwege gelaten. Wel heeft hij voorafgaand aan de comparitie in hoger beroep nog een twintigtal producties in het geding gebracht, maar uit die producties valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet af te leiden dat geen sprake is geweest van overbedeling bij de verdeling van de inboedelzaken.

20. Grief III houdt in dat de rechtbank ten onrechte artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst heeft opgevat zoals omschreven in r.o 4.10. Volgens [de man] ziet dit artikel op goederen die zijn aangeschaft ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding en niet ziet op goederen die zijn aangeschaft vóór de gemeenschappelijke huishouding dan wel samenleving.

21. Deze grief faalt. Naar het oordeel van het hof volgt uit art. 5 van de samenlevingsovereenkomst, gelezen in samenhang met de bepaling over aanbrengsten in de samenlevingsovereenkomst, dat tot de inboedel behorende zaken tussen partijen moeten worden beschouwd als gemeenschappelijk, behalve voor zover partijen met betrekking tot bepaalde goederen anders zijn overeengekomen dan wel voor zover het inboedelgoederen betreft die door een der partijen zijn aangebracht en gespecificeerd zijn vermeld op een door partijen getekende lijst die aan de van de samenlevingsovereenkomst opgemaakte akte is gehecht. Ter zitting hebben beide partijen verklaard dat zij indertijd niet een dergelijke lijst hebben opgesteld. Daarom moet worden aangenomen dat zij indertijd hebben beoogd om de door elk van hen aangebrachte inboedel in zijn geheel gemeenschappelijk te doen zijn. De conclusie van [de man] dat de goederen die hij aantoonbaar heeft aangeschaft vóór de samenwoning, buiten de verdeling dienen te blijven, is derhalve onjuist. Voor zover de voorafgaand aan de comparitie in hoger beroep in het geding gebrachte producties betrekking hebben op dergelijke goederen, moet daaraan om die reden worden voorbijgegaan.

22. Grief IV houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en op grond daarvan beslist dat [de vrouw] kosten heeft gemaakt voor het verkoopklaar maken van de woning, zoals weergegeven in r.o. 4.13. [de man] betwist dat [de vrouw] kosten heeft moeten maken om de woning verkoop klaar te maken, nu hij de woning netjes heeft achtergelaten. Volgens [de man] blijkt mede uit de door hem overgelegde foto’s dat de staat van de woning goed was en dat er geen nadere kosten noodzakelijk waren.

23. De onderbouwing van de grief bevat geen nieuwe stellingen of argumenten ten opzichte van hetgeen [de man] in eerste aanleg heeft aangevoerd. De rechtbank heeft mede op grond daarvan geoordeeld dat [de vrouw] tot een bedrag van € 62,52 kosten heeft moeten maken voor het verkoopklaar maken van de woning. Het hof verenigt zich met dat oordeel en maakt dat tot het zijne. De grief faalt derhalve.

Slotsom

24. Nu de grieven falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Nu partijen (gewezen) levensgezellen zijn, ziet het hof aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan hoger beroep;

- compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, C.M. Warnaar en O.I.M. Ydema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.