Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3413

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
200.185.648/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nalatenschap. Geschil tussen legitimaris/erfgenamen. Zuivere aanvaarding of niet. Gevolgen beneficiaire aanvaarding. Schuld aan een van de erven. Giften aan een andere erfgenaam. Geen beroep tegen oordeel dat sprake is geweest van schenking van een auto. Conclusie: de legitimaire massa is negatief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/437
ERF-Updates.nl 2018-0231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.185.648/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 4126361 RL EXPL 15-13812

arrest d.d. 10 juli 2018

inzake

1. [De Zoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [Dochter Een] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. S.W. Autar-Matawlie te Den Haag,

tegen

[Dochter Twee] ,

wonende te Den Haag,

geïntimeerde,

advocaat: mr.J.G. Schnoor te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “ [De Zoon] ”, “ [Dochter Een] ” en “ [Dochter Twee] ”, en [De Zoon] en [Dochter Een] gezamenlijk als appellanten.

Het geding

Appellanten zijn bij exploot van 12 februari 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 november 2015, tussen appellanten als eisers en [Dochter Twee] als gedaagde gewezen.

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover in het bestreden vonnis onder 1. is vermeld.

Appellanten hebben een memorie van grieven met producties genomen en daarin twee grieven geformuleerd.

[Dochter Twee] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

Partijen hebben, onder overlegging van hun procesdossiers, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, nu daartegen geen grieven zijn gericht.

2. [De moeder] (hierna “erflaatster”) was gehuwd met [de vader] (hierna: [de vader] ). [de vader] is overleden op 22 september 2000. Bij testament van 18 maart 1983 heeft hij zijn echtgenote (erflaatster) benoemd tot zijn enige erfgename. [De Zoon] – enig kind uit het huwelijk van erflaatster met [de vader] – heeft zijn legitieme portie in de nalatenschap van [de vader] opgeëist. De nalatenschap van erflater is open gevallen voor de inwerkingtreding van het “nieuwe” erfrecht op 1 januari 2003. Door het beroep op zijn legitieme portie was [De Zoon] onder het oude recht derhalve erfgenaam geworden ( voor een/vierde gedeelte ) en voor die situatie had erflater een zogeheten ouderlijke boedelverdeling gemaakt op grond waarvan [De Zoon] een vordering heeft gekregen op erflaatster ter grootte van zijn legitieme portie, te weten € 14.810,-. Erflaatster had het testamentaire recht van vruchtgebruik van die vordering.

Op 2 december 2012 is erflaatster overleden. Zij had drie kinderen: naast [De Zoon] ook [Dochter Een] en [Dochter Twee] , geboren uit een eerder huwelijk met de heer [volgt naam] .

[De Zoon] heeft de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. Daarnaast hebben [De Zoon] en [Dochter Een] ook aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.

3. Appellanten hebben in hoger beroep gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I het bestreden vonnis vernietigt;

II opnieuw rechtdoende, de hiernavolgende vorderingen van appellanten alsnog toe wijst:

III voor recht verklaart dat [Dochter Twee] de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard heeft en derhalve hoofdelijk aansprakelijk is voor voldoening van de schulden van de nalatenschap van erflaatster;

Primair

I [Dochter Twee] hoofdelijk veroordeelt binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan appellanten te voldoen de aan [De Zoon] toekomende legitieme portie in de nalatenschap van [de vader] ten bedrage van € 14.810,- alsmede een bedrag van € 6.202,15 aan [De Zoon] en [Dochter Een] te voldoen wegens de uitkering van de legitieme portie in de nalatenschap van [De moeder] , alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum;

Subsidiair

I [Dochter Twee] hoofdelijk veroordeelt binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest aan [De Zoon] en [Dochter Een] te voldoen de door het hof vast te stellen aan appellanten toekomende legitieme porties in zowel voor wat betreft [De Zoon] in de nalatenschap van [de vader] en voor wat betreft beide appellanten in de nalatenschap van erflaatster, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum;

II [Dochter Twee] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedures in beide instanties, daaronder begrepen een vergoeding van de redelijke en evenredige werkelijke (advocaat)kosten en de nakosten althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, althans in de proceskosten en nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na het in deze zaak te wijzen arrest.

4. [Dochter Twee] heeft geconcludeerd dat het hof de grieven van appellanten afwijst c.q. appellanten niet ontvankelijk verklaart en het bestreden vonnis bekrachtigt zo nodig onder verbetering van gronden.

Heeft [Dochter Twee] de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard?

5. Met de eerste grief bestrijden appellanten dat [Dochter Twee] geacht moet worden de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard te hebben op grond van artikel 4:192 lid 4 BW. [Dochter Twee] stelt dat zij geen keuze heeft uitgebracht en mitsdien op grond van de hiervoor genoemde bepaling van art. 4:192 lid 4 BW geacht moet worden beneficiair te hebben aanvaard nu [De Zoon] door een verklaring beneficiair heeft aanvaard. Appellanten stellen dat [Dochter Twee] een keuze heeft uitgebracht voor zuivere aanvaarding nu zij over de nalatenschap heeft beschikt door bij het ontruimen van de kamer van erflaatster na haar overlijden een kleine televisie, die toebehoorde aan erflaatster, mee te nemen. Zij heeft zich deze televisie toegeëigend en dit moet worden gezien als een beschikkingshandeling die een daad van zuivere aanvaarding oplevert. Zij is daar mee hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap, derhalve dient zij de schuld vanwege de legitieme portie van [De Zoon] in de nalatenschap van [de vader] en de legitieme porties van [De Zoon] en [Dochter Een] tezamen uit haar privé vermogen te voldoen.

6. [Dochter Twee] heeft gesteld dat na het overlijden van erflaatster de kamer zo spoedig mogelijk ontruimd moest worden. Het betrof een kleine kamer met daarin een bed, dat eigendom van het verpleegtehuis was, en enige tweedehandsspullen. Deze spullen zijn in de kamer blijven staan. Op last van het tehuis heeft [Dochter Twee] de televisie, die geen eigendom van het tehuis was, uit de kamer gehaald. Iemand moest dat doen en appellanten waren niet in beeld. Zij heeft deze televisie nog steeds onder zich.

7. Het hof overweegt als volgt. De vraag of [Dochter Twee] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard moet worden beantwoord met inachtneming van artikel 4:192 BW (oud) zoals dat gold tot 1 september 2016, nu de gedraging van [Dochter Twee] die volgens appellanten tot zuivere aanvaarding heeft geleid voor deze datum heeft plaatsgevonden. De kantonrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat [Dochter Twee] wordt geacht de nalatenschap van erflaatster beneficiair te hebben aanvaard. Het enkele gegeven dat [Dochter Twee] een kleine televisie heeft meegenomen uit de kamer van erflaatster en de kamer heeft ontruimd kan in de gegeven omstandigheden niet als daad van zuivere aanvaarding worden gekwalificeerd. Er is geen sprake van beschikkingshandelingen. [Dochter Twee] zag zich geconfronteerd met de situatie dat zij de kamer in het verpleegtehuis op korte termijn moest ontruimen. Daarbij komt dat niet weersproken is dat de goederen van de nalatenschap geen enkele waarde vertegenwoordigden en dat zij de televisie nog steeds onder zich heeft.

8. Voor [Dochter Twee] geldt dus – evenals voor [De Zoon] en [Dochter Een] - dat zij de nalatenschap van erflaatster beneficiair heeft aanvaard; [Dochter Twee] is derhalve niet verplicht de schulden van de nalatenschap ten laste van haar overige vermogen (privé) te voldoen (art.4:184 lid 2 BW). Van de uitzonderingen op die hoofdregel als omschreven in art.4:184 lid 2 is niet gebleken. De eerste grief faalt.

Schuld aan [De Zoon] in nalatenschap vader

9. Anders dan [De Zoon] en [Dochter Een] (blijven) stellen is de nalatenschap van [de vader] afgewikkeld; [De Zoon] heeft een vordering op erflaatster ter zake zijn legitieme portie, welke vordering na haar overlijden opeisbaar is geworden. Dit betreft een vordering op de nalatenschap, op de gezamenlijke erfgenamen. Vast staat dat de nalatenschap slechts deze schuld omvat en geen activa. De gezamenlijke erfgenamen zijn belast met de vereffening van de nalatenschap. Voor zover [De Zoon] (en [Dochter Een] ) zich beroepen op inkorting van giften aan [Dochter Twee] teneinde uitkering van hun legitieme portie te bewerkstelligen, kan dit beroep slechts betrekking hebben op de legitieme portie uit hoofde van de nalatenschap van erflaatster, niet die van [de vader] . Het testament van erflaatster heeft door het vooroverlijden van [de vader] geen werking meer, zodat erflaatster tot haar enige erfgenamen bij versterf heeft nagelaten appellanten en geïntimeerde. Vast staat dat de nalatenschap van erflaatster negatief is, zodat er voor oneigenlijke inkorting en inkorting op makingen (art. 4:87 BW) geen plaats is. Dit brengt met zich dat de vordering tot veroordeling van [Dochter Twee] tot betaling van het bedrag van € 14.810,- aan [De Zoon] op die grond niet toewijsbaar. Rest de vraag of er sprake is van in te korten giften.

Giften aan [Dochter Twee] ?

10. Appellanten stellen dat van de contante opnames ten bedrage van € 50.000,- in de periode van 10 maart 2006 tot en met december 2007 een bedrag van € 20.000,- moet worden aangemerkt als een gift van erflaatster aan [Dochter Twee] . Zij verwijzen naar de verklaring van [Dochter Twee] ter zitting in eerste aanleg en stellen in dat kader dat [Dochter Twee] verklaard heeft dat zij 40 procent van de gepinde bedragen voor zichzelf heeft gehouden. Dit bedrag moet bij de legitimaire massa worden opgeteld. Door de voor inkorting vatbare giften aan [Dochter Twee] , is zij gehouden een bedrag van € 6.202,30 aan appellanten uit te keren.

11. [Dochter Twee] weerspreekt dat er sprake is geweest van een gift: zij stelt dat zij op verzoek van erflaatster geld heeft gepind en dat zij dit geld aan haar moeder gaf. Voor zover bedragen aan haar ten goede zijn gekomen – zoals zij na aandringen van de kantonrechter heeft verklaard – betroffen dit gelden die zijn besteed aan gezamenlijke activiteiten met erflaatster. Het is besteed voor een goede verzorging van erflaatster en het haar bezorgen van een aangename oude dag.

12. Het hof overweegt als volgt. Anders dan appellanten aanvoeren heeft [Dochter Twee] ter comparitie in eerste aanleg niet verklaard dat zij gelden voor zichzelf heeft gehouden maar heeft zij verklaard dat er gelden door erflaatster aan haar zijn besteed. [Dochter Twee] heeft toegelicht dat zij geld pinde voor haar moeder en dit aan haar gaf. Zij stelt dat deze gelden, voor zover deze ten behoeve van haarzelf zijn besteed, altijd zijn besteed aan de kosten van gezamenlijke activiteiten met erflaatster. Deze bestedingen hadden een gezamenlijk doel, te weten een goede verzorging van erflaatster en het haar bezorgen van een aangename oude dag. Aldus was zij in staat met haar moeder gezamenlijke activiteiten te ondernemen en voor haar verzorging zorg te dragen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat niet vaststaat dat ten aanzien van [Dochter Twee] sprake is geweest van giften van geld door erflaatster. Als niet weersproken staat vast dat [Dochter Twee] zich de zorg voor erflaatster heeft aangetrokken en dat gelden zijn besteed aan gezamenlijke activiteiten. De gelden die aan [Dochter Twee] ten goede zijn gekomen, zouden slechts als gift kunnen worden aangemerkt als bij erflaatster steeds sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling; dit is echter door appellanten niet onderbouwd. Het hof is van oordeel dat het primaire doel was dat erflaatster het genot van haar geld kon hebben op de wijze die haar voor ogen stond, waarbij [Dochter Twee] dat mogelijk kon maken door deel te nemen aan gezamenlijk activiteiten. In wezen bevoordeelde erflaatster zichzelf. Het vermogen van [Dochter Twee] is ook niet verrijkt door deze bestedingen. Het bewijsaanbod van appellanten dat sprake is van giften beantwoordt niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, zodat dit wordt gepasseerd. Ook de tweede grief wordt verworpen.

13. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f. Vast staat dat enerzijds sprake is van een schuld, zoals vermeld onder rov. 2, te weten de vordering van [De Zoon] op de nalatenschap van erflaatster ter zake zijn legitieme portie in de nalatenschap van [de vader] ; anderzijds blijven de op de voet van artikel 4:67 BW in aanmerking te nemen giften beperkt tot het bedrag van € 13.419,- voor de aankoop van de Suzuki Swift. [Dochter Twee] kan zich er weliswaar niet in vinden dat de auto als schenking wordt aangemerkt, maar heeft geen incidenteel appel ingesteld. De kantonrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat de legitimaire massa negatief is. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd en de vorderingen van [De Zoon] en [Dochter Een] , zoals deze in hoger beroep zijn geformuleerd, moeten worden afgewezen.

Proceskosten

14. De proceskosten zullen worden gecompenseerd tussen partijen gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, A.H.N. Stollenwerck en D. Wachter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.