Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3363

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
11-01-2019
Zaaknummer
22-000569-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:620
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan het verbergen, wegvoeren en begraven van het lichaam van het slachtoffer. Door aldus te handelen heeft de verdachte het eerder door de medeverdachte begane misdrijf verheeld, waarbij op een uiterst respectloze wijze met het lichaam van slachtoffer is omgegaan.

Het hof veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000569-16

Parketnummer: 10-700135-15

Datum uitspraak: 7 december 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015 te Rotterdam en/of [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

- het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar [plaats] te vervoeren en/of

- ( vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen tussen de [x]) in [plaats],

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer], te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhelen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015 te Rotterdam en/of [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

- het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar [plaats] te vervoeren en/of

- (vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen tussen de [x]) in [plaats],

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer], te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhelen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en begraven met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Nadat de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn echtgenote [slachtoffer] in hun woning te Rotterdam om het leven had gebracht, zijn de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] op verzoek van [medeverdachte 1] naar die woning gegaan, alwaar de verdachte het levenloze lichaam van [slachtoffer] heeft aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft hem verteld dat [slachtoffer] door zijn toedoen was overleden. De verdachte is vervolgens met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto van [medeverdachte 1] naar [plaats] gereden. Daar hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een bosperceel een graf voor het lichaam van [slachtoffer] gegraven, waarbij de verdachte op de uitkijk heeft gestaan. Zij zijn daarna weer teruggereden naar Rotterdam, waar de verdachte samen met [medeverdachte 1] het lichaam van [slachtoffer] heeft ingepakt in een kleed en vuilniszakken. Vervolgens hebben zij het lichaam in een auto gelegd en van Rotterdam naar [plaats] vervoerd. Daar hebben zij het lichaam van [slachtoffer] in het eerder gegraven graf begraven.

De verdachte heeft zich derhalve als medepleger schuldig gemaakt aan het verbergen, wegvoeren en begraven van het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer]. Door aldus te handelen heeft de verdachte het eerder door de medeverdachte [medeverdachte 1] begane misdrijf verheeld, waarbij op een uiterst respectloze wijze met het lichaam van [slachtoffer] is omgegaan.

Met zijn handelen heeft de verdachte er aan bijgedragen dat de nabestaanden van [slachtoffer] in volstrekte onzekerheid hebben verkeerd over wat er met haar gebeurd was en heeft hij hen ten onrechte de hoop laten houden dat zij nog in leven was. Het hof rekent het de verdachte daarbij zwaar aan dat hij op geen enkel moment openheid van zaken heeft willen geven. Hiermee heeft de verdachte de pijn en het verdriet van de nabestaanden vergroot. Het zeer afkeurenswaardige gedrag van de verdachte getuigt van een groot gebrek aan respect tegenover het slachtoffer en haar nabestaanden.

Een delict als het onderhavige draagt bovendien een voor de samenleving schokkend karakter.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De door de raadsman voorgestane strafmodaliteit van een taakstraf doet geen recht aan de ernst van het feit. Het hof is – met de advocaat-generaal en de rechtbank – van oordeel dat op het onderhavige feit niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de straffen die in vergelijkbare zaken (ECLI:NL:GHARL:2014:9528 en ECLI:NL:GHAMS:2018:1620) zijn opgelegd in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat noch de door de rechtbank opgelegde, noch de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, nu er tussen het instellen van het hoger beroep op 4 februari 2016 en het wijzen van dit arrest op 7 december 2018 een periode van meer dan 24 maanden is gelegen.

Het hof zal deze overschrijding in de strafmaat verdisconteren, in die zin dat het hof in plaats van voormelde straf een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 63 en 151 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk,

mr. G. Knobbout en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. W. Jansen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 december 2018.