Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3233

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
06-12-2018
Zaaknummer
22-000507-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ruzie op industrieterrein waarbij de verdachte het slachtoffer een kopstoot heeft gegeven, waardoor deze ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Vrijspraak (poging tot) zware mishandeling. Veroordeling wegens mishandeling tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. Bewijsoverwegingen naar aanleiding van verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van getuigen. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000507-18

Parketnummer: 09-236115-17

Datum uitspraak: 28 november 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 november 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 mei 2017 te 's-Gravenhage aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of een (gedeeltelijk) afgebroken tand en/of een tand door de lip, heeft toegebracht door die [aangever] tegen diens onderbeen en/of enkel te schoppen en/of een kopstoot te geven tengevolge waarvan die [aangever] ten val is gekomen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2017 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] tegen diens onderbeen en/of enkel heeft geschopt en/of een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 mei 2017 te 's-Gravenhage [aangever] heeft mishandeld door tegen diens onderbeen en/of enkel te schoppen en/of een kopstoot te geven tengevolge waarvan die [aangever] ten val is gekomen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat hij ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 17 mei 2017 te 's-Gravenhage [aangever] heeft mishandeld door tegen diens onderbeen en/of enkel te schoppen en/of een kopstoot te geven ten gevolge waarvan die [aangever] ten val is gekomen;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Gevoerd verweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich – overeenkomstig de door hem overgelegde schriftelijke pleitaantekeningen – kort gezegd op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] - onder meer wegens de enorme gelijkenissen tussen die beide verklaringen - ongeloofwaardig moeten worden geacht en zodoende dienen te worden uitgesloten voor het bewijs.

Het hof zal dit verweer van de verdediging – welk verweer blijkens de gegeven onderbouwing betrekking heeft op de in het politie-proces-verbaal opgenomen verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] - passeren, nu het hof de bij de politie afgelegde verklaringen van zowel [getuige 1] als van [getuige 2] niet heeft gebezigd voor het bewijs.

Het hof bezigt tot bewijs wel de ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen te twijfelen. Het hof ziet in het bijzonder geen aanleiding om aan te nemen dat de getuigen op aandringen van de aangever – in strijd met de waarheid – ‘in het voordeel van aangever’ hebben verklaard, zoals door de verdediging is betoogd.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer, door hem een kopstoot te geven, ten gevolge waarvan het slachtoffer letsel heeft opgelopen, waaronder een afgebroken voortand. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem voorts nodeloos pijn en letsel bezorgd.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 oktober 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder – zij het geruime tijd geleden – wegens een geweldsdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade, geleden als gevolg van het aan de verdachte meer subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 624,60 aan materiële schade en tot een niet nader gespecificeerd bedrag aan immateriële schade, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. In hoger beroep is deze vordering daarom slechts aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 56,48 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 56,48, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders betwist dan met een beroep op vrijspraak.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag aan materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal in zoverre derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 56,48, met rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 56,48 (zesenvijftig euro en achtenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 56,48 (zesenvijftig euro en achtenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 mei 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. R.M. Bouritius en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. W. Jansen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 november 2018.

Mr. B.P. de Boer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.