Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3227

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
200.244.698/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Opheffing bewind. Gronden niet meer aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 21 november 2018

Zaaknummer : 200.244.698/01

Rekestnummer rechtbank : GZ VERZ 18-1628

Zaaknummer rechtbank : 6725928

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. C.C. Sneper te Rotterdam,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de stichting] ,

gevestigd te [plaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 21 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juni 2018 van de kantonrechter in de rechtbank (hierna: de bestreden beschikking).

Bij het hof is van de zijde van de vrouw op 3 oktober 2018 een faxbericht met bijlagen ingekomen, waarin wordt verzocht om de zaak op de stukken af te doen, zodat de mondelinge behandeling geen doorgang behoeft te vinden. Als bijlage is een e-mail van de bewindvoerder aan de advocaat van de rechthebbende van 20 september 2018 gevoegd, waaruit blijkt dat de bewindvoerder akkoord gaat met de opheffing van het bewind.

Hierop heeft de griffie van het hof een e-mail verzonden naar de bewindvoerder, waarin wordt gevraagd of zij al dan niet akkoord gaan met het afdoen van de zaak op de stukken. Op 10 oktober 2018 heeft de bewindvoerder aan het hof bericht dat deze akkoord gaat met het afdoen van de zaak op de stukken.

Gelet op voorgaande zal het hof geen mondelinge behandeling plannen, maar de zaak schriftelijk op de stukken afdoen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam het verzoek van de rechthebbende inzake opheffing van het meerderjarigenbewind, afgewezen.

Vaststaat dat de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op 7 februari 2011 op verzoek van de rechthebbende een bewind heeft ingesteld over alle goederen die aan haar (zullen) toebehoren omdat de rechthebbende, als gevolg van haar lichamelijke en/of geestelijke toestand, niet in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de opheffing van het bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende.

2. De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de bewindvoerder te ontslaan en het bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende op te heffen.

3. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:432 lid 1 BW kan de kantonrechter het bewind op verzoek van de rechthebbende opheffen, indien:

a. de noodzaak daartoe niet meer bestaat of

b. voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken.

4. Het bewind is destijds ingesteld omdat de rechthebbende, als gevolg van haar lichamelijke en/of geestelijke toestand, niet in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

5. Gelet op onder meer het volgende is het hof van oordeel dat voldoende vaststaat dat de noodzaak voor het bewind niet langer meer bestaat. Uit de e-mail van de bewindvoerder van 20 september 2018 volgt dat de bewindvoerder akkoord gaat met het opheffen van het bewind. De sociaal raadsman van de [gemeente] schrijft in zijn brief van 30 april 2018 dat er geen reden is om te twijfelen aan het herstelde vermogen van de rechthebbende om haar financiƫn zelf te kunnen beheren. Uit de brief van de huisarts van de rechthebbende van 24 juli 2018 volgt dat uit de uitslagen van tests blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een lage begaafdheid bij de rechthebbende en dat zij een goede geheugenfunctie heeft. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het bewind met ingang van de datum van de beschikking van het hof opheffen. Reeds daardoor zal de taak van de bewindvoerder eindigen. Het afzonderlijke verzoek van de rechthebbende tot het ontslag van de bewindvoerder zal daarom worden afgewezen.

6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

heft op met ingang van heden het bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [de rechthebbende] , geboren [in] 1959 te [geboorteplaats] ;

gelast de griffier deze beschikking aan de griffier van de rechtbank Den Haag te zenden teneinde op de voet van artikel 1:391 BW gevolg te geven aan de aantekening van deze beslissing in het Centraal curatele- en bewindregister;

verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A Mink, A. Zonneveld en S.H.M van der Heiden bijgestaan door mr. N. Metalsi als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2018.