Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3226

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
200.237.259/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vergoeding eigenaarslasten en gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.237.259/01

zaaknummers rechtbank : C/10/523684; C/10/532295

rekestnummers rechtbank : FA RK 17-2581; FA RK 17-6365

beschikking van de meervoudige kamer van 21 november 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B. du Fossé te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 13 april 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 24 mei 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 5 juli 2018 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 4 mei 2018 een journaalbericht van 3 mei 2018 met bijlage;

- op 30 augustus 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 18 september 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de man:

- op 5 september 2018 een brief van 4 september 2018 met als bijlage een journaalbericht van 4 september 2018 met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 19 september 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] [in] 2010.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige 1] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] ,

- [de minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [geboorteplaats] .

3.4

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.5

In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheiding op 29 maart 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang in hoger beroep, de echtscheiding uitgesproken en is de verdeling van de gemeenschap gelast. In het bijzonder is in de bestreden beschikking, voor zover van belang, bepaald dat de taxateur de vrije verkoopwaarde van de echtelijke woning van partijen op de peildatum 27 maart 2017 zal bepalen en voorts dat de verplichting van de vrouw tot betaling van de helft van de eigenaarslasten en de verplichting van de man tot betaling van een gebruiksvergoeding over en weer met gesloten beurzen worden voldaan.

4.2

De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft de verdeling van de gemeenschap te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de taxateur de vrije verkoopwaarde van de echtelijke woning van partijen, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] dient te bepalen per datum taxatie en dat die taxatie tussen partijen bindend is en tevens te bepalen dat deze woning aan de man wordt toegedeeld tegen de door deze taxateur vastgestelde waarde, waarbij de man gehouden is om binnen acht weken na deze taxatie volledig zijn medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van de woning aan hem onder het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke hypothecaire aansprakelijkheid met betrekking tot de op deze woning rustende hypotheekschuld en onder uitkering aan de vrouw van de helft van de overwaarde (= taxatiewaarde minus hypotheekschuld plus beleggingspolis: 2) en indien de man binnen deze termijn niet in staat is de echtelijke woning in eigendom over te nemen de verkoop van de echtelijke woning te bevelen door een nader aan te wijzen NVM makelaar tegen een door deze makelaar te bepalen vraag- en laatprijs met een opleveringstermijn van maximaal drie maanden. Aanvullend verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man, indien het hof bepaalt dat de vrouw gehouden is tot betaling aan de man van de helft van de woonlasten van de voormalige echtelijke woning, zijnde € 532,46 per maand dan wel een nader door het hof te bepalen bedrag, met ingang van diezelfde datum aan de vrouw verschuldigd is een vergoeding voor het gebruik door hem van de voormalige echtelijke woning en deze vergoeding gelijk te stellen aan de helft van de woonlasten, waarvoor de vrouw draagplichtig is.

4.3

De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof:

in principaal hoger beroep

A. de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel deze af te

wijzen;

in incidenteel hoger beroep

B. de bestreden beschikking te vernietigen in zoverre is bepaald dat de vrouw, bij wijze van

gebruiksvergoeding door de man aan haar voor het gebruik van de echtelijke woning, niet langer gehouden is tot betaling aan de man van haar deel van de eigenaarslasten van de woning en te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen het haar toe te rekenen maar niet door haar betaalde deel van de eigenaarslasten van de woning (waaronder maar niet uitsluitend hypotheekrente, aflossing, premie kapitaalverzekering eigen woning en eigenaarslasten), zijnde minimaal € 532,46 per maand dan wel een nader door de man aan te geven bedrag, dan wel een in redelijkheid en billijkheid door het hof vast te stellen bedrag, vanaf februari 2017 subsidiair 27 maart 2017, meer subsidiair een door het hof vast te stellen datum tot datum notariële toedeling van de woning aan de man dan wel verkoop aan een derde, dan wel een datum die het hof redelijk en billijk acht, waarbij de achterstallige betaling door de vrouw aan de man dient plaats te vinden binnen twee weken na dagtekening van de beschikking van het hof, waarna de vrouw maandelijks aan de man het door haar verschuldigde bedrag dient te voldoen tot datum notariële toedeling van de woning aan de man dan wel een derde, subsidiair een door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen datum, onder de bepaling dat,

wanneer de vrouw de verschuldigde bedragen niet op de vastgestelde datum/data aan de man heeft voldaan c.q. voldoet, het aan de man toekomende bedrag kan worden verrekend met een eventueel aan de vrouw toekomende overwaarde ter zake de echtelijke woning.

C. Subsidiair te verklaren voor recht dat de vrouw aan de man is verschuldigd een bedrag van € 532,46 per maand dan wel een nader door de man aan te geven bedrag, dan wel een in redelijkheid en billijkheid door het hof vast te stellen bedrag, zijnde het niet door de vrouw betaalde maar wel door haar verschuldigde en aan haar toe te rekenen deel (de helft) van de

eigenaarslasten (waaronder doch niet uitsluitend hypotheekrente, aflossing, premie kapitaalverzekering eigen woning en eigenaarslasten) over de periode februari 2017 subsidiair 27 maart 2017 tot 16 januari 2018 zijnde de datum beschikking, dit betreft een bedrag van

€ 6.123,29 respectievelijk € 5.058,37, dan wel een nader door de man aan te geven bedrag, subsidiair een door het hof in redelijkheid vast te stellen bedrag, alsmede te bepalen dat de vrouw aan de man is verschuldigd het haar toe te rekenen maar niet door haar betaalde deel van de eigenaarslasten van de woning (waaronder doch niet uitsluitend hypotheekrente, aflossing, premie kapitaalverzekering eigen woning en eigenaarslasten) vanaf 16 januari 2018 tot datum notariële toedeling van de woning aan de man dan wel verkoop aan een derde, dan wel een datum die het hof redelijk en billijk acht, waarbij de achterstallige betaling door de vrouw aan de man dient plaats te vinden binnen twee weken na dagtekening van de beschikking van het hof, waarna de vrouw maandelijks aan de man het door haar verschuldigde bedrag dient te

voldoen tot datum notariële toedeling van de woning aan de man dan wel een derde, subsidiair een door het hof in redelijkheid en billijkheid vast te stellen datum, onder de bepaling dat, wanneer de vrouw de verschuldigde bedragen niet op de vastgestelde datum/data aan de man

heeft voldaan c.q. voldoet, het aan de man toekomende bedrag kan worden verrekend met een eventueel aan de vrouw toekomende overwaarde ter zake de echtelijke woning.

In een aanvullend verzoek, ingekomen bij het hof op 5 september 2018, verzoekt de man:

A) te bepalen dat alleen aan de man de waardestijging van de aan de woning verbonden verzekering vanaf februari 2017, dan wel een door het hof in redelijkheid te bepalen datum, toekomt. Subsidiair te bepalen dat de vrouw aan de man verschuldigd is een bedrag van

€ 99,50 per maand, zijnde een bedrag van € 1.990,- over de periode februari 2017 tot en met september 2018, te verhogen met een bedrag van € 99,50 per maand tot datum notariële toedeling van de woning aan de man c.q. verkoop van de woning aan een derde;

B) te bepalen dat, mocht de man al een gebruiksvergoeding verschuldigd zijn aan de vrouw, dit bedrag niet meer bedraagt dan € 53,12 respectievelijk € 63,54 respectievelijk € 77,08 respectievelijk € 87,50 per maand vanaf 29 maart 2018 (datum echtscheiding) subsidiair 8 juni 2017 (datum verzoek van de vrouw), eventueel te verrekenen met de reeds door de man betaalde eigenaarslasten die voor rekening komen van de vrouw.

4.4

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen.

4.5

Het hof ziet aanleiding het in principaal en incidenteel aangevoerde gezamenlijk te behandelen en overweegt als volgt.

5 De motivering van de beslissing

De peildatum

5.1

De vrouw stelt dat de peildatum voor de waardering van de huwelijksgemeenschap, conform vaste jurisprudentie, de datum van de feitelijke verdeling is.

5.2

De man betwist dat de peildatum voor de waardering van de huwelijksgemeenschap de datum van de feitelijke verdeling is. De man stelt primair dat de peildatum voor de waardering van de woning 27 maart 2017 is, zijnde de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek. Hij voert aan dat partijen deze datum ter zitting in eerste aanleg zijn overeengekomen. Subsidiair dient deze datum naar de mening van de man op grond van de redelijkheid en billijkheid als peildatum te gelden, omdat alleen hij vanaf februari 2017 de kosten verbonden aan de woning voldoet. Meer subsidiair dient volgens de man de datum van de bestreden beschikking, 16 januari 2018, als peildatum te worden gehanteerd, omdat op die dag is vastgesteld welk vermogensbestanddeel aan wie toekomt. Indien het hof van oordeel is, dat de waardering van de woning dient plaats te vinden op een datum gelegen na 27 maart 2017, moet bij de waardering rekening worden gehouden met het feit dat er, door toedoen van de vrouw, beslag is gelegd op de woning. De woning is hierdoor feitelijk onverkoopbaar geworden.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Voor de peildatum van de waarde van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt de datum van de feitelijke verdeling, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hier tegen verzetten of partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van uitzonderingen op de hoofdregel. De man heeft zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid en zijn stelling dat sprake is van een andersluidende afspraak tussen partijen onvoldoende onderbouwd.

Taxatie en termijn overname woning

5.4

Ter zitting in hoger beroep zijn partijen het volgende overeengekomen ten aanzien van de taxatie van de echtelijke woning van partijen aan de [adres] in [plaats] . De advocaten geven de makelaar, [de makelaar] , de opdracht om tot taxatie over te gaan. De taxatiekosten worden gedeeld. [de makelaar] gaat een rapport opmaken per datum taxatie en per 27 maart 2017. De sleutels van het huis worden door de Turkse buurman aan de makelaar overhandigd en bij de taxatie is niemand aanwezig. Het beslag dat op de woning rust heeft geen invloed op de taxatie en wordt opgeheven per datum notariële levering. De man heeft na de taxatie drie maanden de tijd om zorg te dragen voor de notariële levering aan hem. Indien levering aan de man binnen drie maanden na de taxatie niet is gelukt, wordt de woning verkocht, waarbij [de makelaar] als verkopende makelaar zal optreden.

De gebruiksvergoeding

5.5

De man kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank dat hij een gebruiksvergoeding moet betalen die gelijk is aan het aandeel van de vrouw in de eigenaarslasten. Hij voert aan dat de woning geen dan wel slechts een geringe overwaarde vertegenwoordigt, zodat de vrouw geen schade lijdt. De man stelt verder dat in het oordeel niet mag worden meegenomen, dat de vrouw eigen woonlasten heeft. De man licht toe dat uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde huurovereenkomst niet kan worden afgeleid dat zij woonlasten heeft. Indien het hof van oordeel is dat de man een gebruiksvergoeding is verschuldigd aan de vrouw, stelt de man dat hij deze vergoeding niet eerder verschuldigd is dan met ingang van de datum van de echtscheiding, 29 maart 2018, subsidiair de datum van het verzoek van de vrouw om een gebruiksvergoeding in eerste aanleg, 8 juni 2017. Ten aanzien van de hoogte stelt de man, dat moet worden uitgegaan van een vergoeding gelijk aan de helft van 2,5% rente over de overwaarde. De overwaarde moet daarbij worden gesteld op maximaal € 61.000,-, (exclusief waarde kapitaalverzekering) respectievelijk € 84.000 (inclusief waarde kapitaalverzekering). De bijdrage van de man aan de vrouw komt dan neer op € 87,50 respectievelijk € 63,54, per maand.

5.6

De vrouw stelt dat de man aan haar een gebruiksvergoeding dient te betalen als gevolg van het feit dat de man en de minderjarigen mede het gebruik hebben van het aan de vrouw toe te rekenen deel van de echtelijke woning. Zij voert aan dat de man het volledige genot van de echtelijke woning heeft. De vrouw betwist dat de grondslag voor de gebruiksvergoeding is gelegen in een eventuele overwaarde van de woning. De vrouw voert verder aan dat het redelijk is om de vrouw een gebruiksvergoeding toe te kennen, omdat zij na haar vertrek ook steeds woonlasten had. Thans heeft de vrouw samen met haar partner een woning in [plaats] gehuurd, waarbij zij de huurlasten met hem deelt. Voor het geval de vrouw gehouden wordt bij te dragen in de helft van eigenaarslasten van de voormalige echtelijke woning verzoekt de vrouw een gebruiksvergoeding vast te stellen die gelijk is aan die bijdrage en op dezelfde datum ingaat.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:169 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed. Dit artikel heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Deze vergoeding wordt toegekend met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid.

Het hof acht het redelijk aan de vrouw ten laste van de man een gebruiksvergoeding toe te kennen en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vrouw heeft de echtelijke woning in februari 2017 verlaten, waarna bij beschikking voorlopige voorzieningen van 12 mei 2017 van de rechtbank Rotterdam op verzoek van de man is bepaald dat hij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning. De man is in de echtelijke woning gebleven, terwijl de vrouw elders is gaan wonen. De man houdt de vrouw aan haar draagplicht voor de lasten van de echtelijke woning, terwijl zij sinds februari 2017 daarvan niet meer het genot heeft. Of de vrouw elders al dan niet woonlasten had of heeft, acht het hof in de gegeven omstandigheden niet doorslaggevend.

Het hof zal de ingangsdatum van de gebruiksvergoeding vaststellen op 29 maart 2018, de datum waarop het huwelijk is ontbonden. In de periode daarvoor waren partijen gehouden op grond van artikel 1:81 BW elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning dient te worden begrepen, en daarbij past geen vergoeding voor het gebruik van die woning. Dat de huwelijksgemeenschap al eerder, op 27 maart 2017, was ontbonden en artikel 3:189 lid 3 BW een gebruiksvergoeding op grond van artikel 3:169 BW niet uitsluit, maakt dat niet anders, nu de verplichting voortvloeiend uit artikel 1:81 BW dient te prevaleren.

Het hof zoekt bij het vaststellen van de gebruiksvergoeding als ingaande op 29 maart 2018 aansluiting bij de WOZ-waarde en het redelijkerwijs te behalen rendement op het in de woning geïnvesteerde vermogen. Daarbij sluit het hof aan bij het uitgangspunt van de wetgever in het fiscale recht dat rendement van particuliere beleggingen forfaitair dient te worden vastgesteld, waarbij voor onroerende zaken de WOZ waarde bepalend is en (voor de berekening van rendementsklasse II) een langetermijnrendementfactor van 4,25% wordt aangehouden (voor 2017, het jaar dat partijen de samenleving verbraken). Het hof acht in dat kader voor het berekenen van een gebruiksvergoeding vier procent redelijk. Ter zitting in hoger beroep is door de man onbetwist gesteld dat de WOZ-waarde

€ 245.000,- bedraagt. De gebruiksvergoeding ten laste van de man bedraagt derhalve 4% van € 245.000,- :2 = € 4.900,- per jaar, oftewel € 409,- per maand.

De eigenaarslasten

5.8

De man stelt dat de vrouw gehouden is tot betaling van de helft van de eigenaarslasten over de periode februari 2017 tot en met september 2018. Hij licht toe dat de vrouw in februari 2017 de echtelijke woning heeft verlaten en sindsdien niet meer heeft bijgedragen in de kosten van de woning, ondanks het feit dat zij nog wel mede-eigenaar is. De vrouw dient uit dien hoofde over de periode vanaf februari 2017 € 532,46 per maand aan de man te betalen.

5.9

De vrouw stelt dat, indien het hof van oordeel is dat de man geen gebruiksvergoeding dient te betalen aan de vrouw, het niet redelijk is om te bepalen dat zij de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning aan de man moet voldoen. Zij voert aan dat zij daartoe financieel niet in staat is. Naar haar mening is zij mede door toedoen van de man haar baan bij de [werkgever] verloren en het is haar nog niet gelukt een andere baan te vinden. De vrouw stelt dat zij, indien het hof van oordeel is dat de vrouw de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning aan de man moet voldoen, niet in staat is deze bijdrage met terugwerkende kracht te voldoen vanwege haar beperkte financiële middelen. Zij verzoekt het hof te bepalen dat zij deze bijdrage pas aan de man moet voldoen per de datum dat de woning notarieel is geleverd aan een derde c.q. aan de man notarieel is toebedeeld.

5.10

Het hof neemt als uitgangspunt dat elk der partijen de helft van de lasten moet dragen die verbonden zijn aan de eigendom. Dit volgt uit artikel 3:172 BW, waarin is bepaald dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk zal de vrouw voor de helft in de eigenaarslasten dienen bij te dragen tot aan de datum waarop de woning aan de man dan wel een derde is geleverd. Aldus is de vrouw gehouden de helft van onderstaande eigenaarslasten aan de man te voldoen:

- de helft van de bruto hypotheekrente à € 8.977,-, derhalve € 4.489,- per jaar, oftewel

€ 374,- per maand;

- de helft van de premie Kapitaalverzekering Eigen Woning à € 199,55, derhalve € 100,- per maand;

- de helft van de gemeentelijke belastingen à € 81,79; nu de man ter zitting in hoger beroep onbetwist heeft gesteld dat deze belastingen een gebruikersdeel bevatten en het bedrag aan belastingen, eigenaarsdeel, dient te worden vastgesteld op € 40,89 per maand, zal het hof hiervan uitgaan en bedraagt het bedrag dat de vrouw aan de man dient te betalen derhalve

€ 20,- per maand;

- de helft van de waterschapsbelastingen ( [overheidsorganisatie] ; eigenaarsheffing) à € 25,82 per maand, derhalve € 13,- per maand.

Hieruit volgt dat de vrouw met ingang van 29 maart 2018 tot aan de datum van levering van de woning aan de man dan wel een derde aan de man is verschuldigd

€ 507,- per maand. Het hof zal aldus bepalen.

Waardestijging kapitaalverzekering eigen woning

5.11

De man stelt dat, indien het hof van oordeel is dat de vrouw niet is gehouden tot betaling aan de man van haar deel van de eigenaarslasten van de woning, waaronder de premie kapitaalverzekering eigen woning, de waardestijging van de aan de echtelijke woning verbonden kapitaalverzekering vanaf februari 2017 in zijn geheel aan hem toekomt. Nu het hof van oordeel is dat de vrouw gehouden is tot betaling aan de man van haar deel van de eigenaarslasten, waaronder de helft van de premiebetalingen van de kapitaalverzekering, behoeft deze grief geen bespreking meer.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de taxatie, de peildatum voor waardering van de woning, de gebruiksvergoeding, de eigenaarslasten en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de peildatum voor de waardering van de huwelijksgemeenschap de datum van de feitelijke verdeling is;

veroordeelt de man tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 409,- per maand aan de vrouw met ingang van 29 maart 2018 en zolang de woning aan de [adres] te [plaats] gemeenschappelijk eigendom is en de man deze woning bewoont;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van € 507,- per maand, te weten haar deel van de eigenaarslasten betrekking hebbende op de woning aan de [adres] te [plaats] , met ingang van 29 maart 2018 tot de datum waarop de woning wordt geleverd aan de man dan wel een derde;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.I.M. Ydema, J.M. van Baardewijk en K.T.J.M. Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en is op 21 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.