Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3178

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
200.232.066/01 en 200.232.068/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Vergoedingsrechten. Investeringen in gemeenschappelijke woning. Aflossingen op hypotheekschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 7 november 2018

Zaaknummers : 200.232.066/01 en 200.232.068/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-6147

Zaaknummer rechtbank : C/10/531715

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.M. de Weerd te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 24 januari 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 september 2017 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de bestreden beschikking).

De man heeft op 12 maart 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 23 april 2018 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 20 juli 2018 een brief van 19 juli 2018 met als bijlage een V-formulier van 19 juli 2018 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 9 augustus 2018 een V-formulier van diezelfde datum met als bijlage een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 24 augustus 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk] tolk in de Engelse taal;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen aan het slot van de behandeling het hof aangegeven zelf te willen trachten tot overeenstemming te komen en heeft de voorzitter partijen verzocht binnen vier weken hierover het hof te berichten. Bij het hof is vervolgens van de zijde van de man op 13 september 2018 een journaalbericht van diezelfde datum ingekomen met het verzoek aan het hof om uitspraak te doen. Kennelijk is geen regeling tot stand gekomen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2010 te [plaats] .

- Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 27 februari 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de echtscheiding uitgesproken. Voorts is bepaald dat de vrouw aan de man € 7.403,46 dient te betalen uit hoofde van de door de man betaalde inrichting van haar huurappartement (€ 7.153,46) en een verkeersboete (€ 250,-). Tevens is de vrouw veroordeeld om uiterlijk bij het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning aan de man € 45.730,- te betalen uit hoofde van de door de man in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen. Ook is de vrouw veroordeeld volledige inzage te verschaffen in de door haar tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken. De vrouw is in de procedure in eerste aanleg niet verschenen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- de betaling door de vrouw aan de man van € 45.730,- uit hoofde van de door de man in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen;

- de betaling door de vrouw aan de man van € 7.403,46 uit hoofde van de door de man betaalde inrichting van het huurappartement (€ 7.153,46) en een verkeersboete (€ 250,-);

- het (zelfstandig) verzoek van de vrouw in hoger beroep om de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te laten betalen (hierna: partneralimentatie);

- het (zelfstandig) verzoek van de vrouw in hoger beroep tot pensioenverevening;

- het (zelfstandig) verzoek van de vrouw in hoger beroep tot betaling door de man aan de vrouw van € 13.543,82 uit hoofde van door de vrouw in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen;

- het (aanvullende) verzoek van de man in hoger beroep de vrouw te bevelen tot afgifte aan de man van de [auto] met kenteken [kenteken] ;

- en het (aanvullende) verzoek van de man in hoger beroep, indien de man verplicht is zijn in eigen beheer opgebouwde pensioen met de vrouw te verevenen, de vrouw te veroordelen medewerking te verlenen aan omzetting in een oudedagsvoorziening van de fiscale waarde van de in eigen beheer door de man opgebouwde pensioenaanspraken.

2. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

In principaal hoger beroep

de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissingen zoals geformuleerd onder 3.5 en 3.6 van die beschikking en, opnieuw rechtdoende, de hiermee corresponderende verzoeken van de man af te wijzen en voorts, bij wege van zelfstandig verzoek:

- De man te veroordelen om uiterlijk bij het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning via de derdengeldrekening van de notaris aan de vrouw uit te betalen een bedrag van € 13.543,82 uit hoofde van de door de vrouw in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen;

- De man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.000,- per maand, althans een door Uw hof in goede justitie te bepalen bedrag, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, dat wil zeggen: vóór de eerste van elke maand, aan de vrouw te voldoen;

- Te bepalen dat het ouderdomspensioen en het bijzonder partnerpensioen zoals dat door de man in eigen beheer is opgebouwd op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding conform de standaardregeling (50/50) dient te worden verevend;

- Een deskundige te benoemen die de exacte hoogte van de pensioenaanspraak van de vrouw zal vaststellen c.q. berekenen;

- Te bepalen dat de man ter zake pensioenverevening dient te bewerkstelligen dat de nog nader door de deskundige te bepalen pensioenaanspraak van de vrouw wordt afgestort onder een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar, zulks uiterlijk binnen zes maanden na de datum van deze beschikking;

Kosten rechtens.

In incidenteel hoger beroep

De man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

3. De man verweert zich tegen het principaal hoger beroep en verzoekt het hof bij beschikking, en voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad,:

In principaal hoger beroep

Ten aanzien van de verzochte partneralimentatie

Primair

Alle verzoeken van de vrouw af te wijzen.

Subsidiair

Ingeval van vaststelling van partneralimentatie, deze alimentatie één jaar na ontbinding van het huwelijk te beëindigen, althans één jaar na ontbinding van het huwelijk op nihil te stellen, althans meer subsidiair de alimentatieverplichting te beëindigen c.q. op nihil te stellen met ingang van een datum die het hof in goede justitie vermeent te behoren.

Ten aanzien van de pensioenverevening

Primair

Alle verzoeken van de vrouw af te wijzen.

Subsidiair

Te bepalen dat aan de zijde van de man slechts de fiscale waarde van de staande huwelijk in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken (ouderdomspensioen en (bijzonder) partnerpensioen (nabestaandenpensioen)) verevend worden.

Meer subsidiair

Te bepalen dat slechts voor afstorting in aanmerking komt een zodanig deel van de in eigen beheer opgebouwde pensioenvereveningsaanspraak van de vrouw dat dit voldaan kan worden uit de in de pensioen BV aanwezige liquide middelen, daarbij naar evenredigheid rekening houdend met de pensioenaanspraak van de man, zo dat beide pensioenaanspraken naar evenredigheid gedekt blijven.

In incidenteel hoger beroep

Bij beschikking, en voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

1. Ten aanzien van de [auto]:

a. Primair

De vrouw te bevelen tot afgifte aan de man van de [auto] met kenteken [kenteken] , zulks binnen veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest (het hof leest in plaats van arrest: beschikking) en op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat zij na gemelde termijn in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen.

b. Subsidiair

De vrouw te veroordelen tot medewerking aan het op haar naam stellen van de [auto] met kenteken [kenteken] onder voldoening van de dagwaarde van € 3.850,-, zulks binnen twee weken na het te dezen te wijzen arrest (het hof: beschikking) en op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat zij na gemelde termijn in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen.

II. Ten aanzien van de door de man in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken:

Indien en voor zover het hof zou oordelen dat de man verplicht is zijn in eigen beheer opgebouwde pensioen met de vrouw te verevenen:

a. Primairomzetting ODV)

De vrouw te veroordelen binnen twee weken na de te dezen te wijzen beschikking haar medewerking te verlenen aan omzetting in een oudedagsvoorziening van de fiscale waarde van de in eigen beheer door de man opgebouwde pensioenaanspraken (ouderdomspensioen en (bijzonder) partnerpensioen (nabestaandenpensioen)), rekening houdend met het te verevenen eigen pensioen van de vrouw en daarbij het deel van de aldus ontstane oudedagsvoorziening dat toekomt aan de vrouw - voor zover noodzakelijk toe te delen aan de vrouw. Eén en ander met bepaling dat wanneer de vrouw niet binnen twee weken na de te dezen te wijzen beschikking de benodigde medewerking heeft verleend, de beschikking in de plaats wordt gesteld van de medewerking van de vrouw.

b. Subsidiairafkoop)

De vrouw te veroordelen binnen twee weken na de te dezen te wijzen beschikking haar medewerking te verlenen aan afkoop van de in eigen beheer door de man opgebouwde pensioenaanspraken (ouderdomspensioen en (bijzonder) partnerpensioen (nabestaanden-pensioen)) tegen de fiscale waarde, rekening houdend met het te verevenen eigen pensioen van de vrouw en daarbij het deel van het afkoopbedrag dat toekomt aan de vrouw - voor zover noodzakelijk - toe te delen aan de vrouw. Eén en ander met bepaling dat wanneer de vrouw niet binnen twee weken na de te dezen te wijzen beschikking de benodigde medewerking heeft verleend, de beschikking in de plaats wordt gesteld van de medewerking van de vrouw.

4. Het hof ziet aanleiding het in principaal en incidenteel aangevoerde gezamenlijk te behandelen en overweegt als volgt.

De partneralimentatie

De behoefte van de vrouw

5. De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van een partneralimentatie van € 10.000,- per maand. Zij wenst bij de bepaling van de behoefte uit te gaan van de hofnorm en stelt dat de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden bepaald aan de hand van de inkomsten van partijen in 2016, omdat partijen in april 2017 uit elkaar zijn gegaan. De vrouw stelt dat zij in 2016 een bruto jaarinkomen van € 25.657,- had. Het inkomen van de man in dat jaar is haar niet bekend. Subsidiair brengt de vrouw een behoeftelijst in het geding met daarin de te verwachten uitgaven in de toekomst. Hieruit volgt dat zij een bedrag van € 13.049,57 netto per maand nodig heeft om in haar levensonderhoud te voorzien, aldus de vrouw.

6. De man stelt dat voor de bepaling van de behoefte van de vrouw het jaar 2014 in aanmerking moet worden genomen, omdat dat het laatste jaar was waarin partijen gedurende het hele jaar nog een affectieve relatie hadden en samenwoonden. De man betwist dat de behoefte van de vrouw kan worden bepaald aan de hand van de hofnorm. Toepassing van de hofnorm kan de werkelijke uitgaven van de vrouw tijdens het huwelijk niet benaderen, omdat de man vanaf september 2015 aanzienlijk meer is gaan verdienen dan de jaren daarvoor en het uitgavenpatroon niet met eenzelfde sprong is toegenomen. Ten aanzien van de woonlasten van de vrouw ad € 1.042,47 per maand stelt de man dat hij deze slechts tijdelijk betaalt sinds de vrouw haar appartement heeft betrokken in april 2017. Dit geschiedt op grond van een afspraak, waarbij de bedoeling van de man was om de vrouw financieel te helpen in de fase waarin er nog geen overeenstemming is over de afwikkeling van de echtscheiding. De man betwist dat de medische kosten in verband met een vruchtbaarheidsonderzoek onderdeel kunnen uitmaken van de behoefte van de vrouw. De vrouw kan niet in redelijkheid van de man verlangen dat hij na de echtscheiding aan dergelijke bijzondere kosten meebetaalt. De man heeft dit in het verleden ook niet gedaan, omdat dergelijke kosten toen grotendeels door de verzekeraar werden vergoed en voor het overige mede door de vrouw werden gedragen. De vrouw heeft tijdens het huwelijk reeds driemaal tevergeefs een vruchtbaarheidsbehandeling gehad. Bovendien zijn de kosten niet structureel en heeft de vrouw deze kosten te hoog ingeschat omdat zij zich baseert op Amerikaanse tarieven. De man heeft een aangepaste behoeftelijst overgelegd waarin hij op de door de vrouw opgevoerde lasten een correctie heeft aangebracht.

7. Het hof stelt het volgende voorop. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

8. Het hof zal de behoeftelijst van de vrouw als uitgangspunt nemen, nu hierin een aanwijzing kan worden gevonden voor de concrete gegevens en omstandigheden van het geval. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man de toepassing van de hofnorm heeft betwist. Het hof acht de toepassing van de hofnorm ook niet toereikend nu de man vanaf september 2015 aanzienlijk meer is gaan verdienen dan de jaren daarvoor en het uitgavenpatroon niet met eenzelfde sprong is toegenomen en partijen bovendien in 2015 een periode uit elkaar zijn gegaan en na een tijdelijke verzoening in 2016 opnieuw hun relatie hebben beëindigd. Volgens de door de vrouw in het geding gebrachte behoeftelijst, bedraagt haar behoefte aan de hand van de daarin opgenomen lasten, die volgens de vrouw mede zijn gebaseerd op de welstand tijdens het huwelijk, € 13.049,57 netto per maand. De man heeft in hoger beroep een gecorrigeerde behoeftelijst van de vrouw overgelegd, op grond waarvan hij de behoefte van de vrouw, volgens de man aan de hand van realistische bedragen, berekent op € 2.613,03 netto per maand. Ter zitting heeft het hof partijen reeds te kennen gegeven dat de behoeftelijst van de vrouw bovenmatig is en dat daarin kosten zijn opgenomen die daarin niet thuis horen, zoals de kosten ten behoeve van een vruchtbaarheidsbehandeling, maar dat ten aanzien van de door de man overgelegde gecorrigeerde behoeftelijst geldt, dat bij alle posten onvoldoende rekening is gehouden met de welstand van partijen tijdens het huwelijk. De man is bij die correcties onder meer van de NIBUD normen uitgegaan.

9. Het hof acht het alles overziend redelijk om de behoefte van de vrouw op in totaal € 4.000,- netto per maand te begroten. Het hof heeft bij die schatting rekening gehouden met de reële woonlasten van de vrouw van haar appartement dat zij thans bewoont en het hof heeft de kosten van vruchtbaarheidsonderzoeken buiten beschouwing gelaten. De stelling van man dat de behoefte van de vrouw is verbleekt omdat zij inmiddels reeds geruime tijd met aanzienlijk minder rondkomt dan zij tijdens het huwelijk was gewend, verwerpt het hof, nu die stelling geen steun vindt in het recht (vgl HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695 (r.o. 3.3.5)).

De behoeftigheid van de vrouw

10. De vrouw stelt dat het redelijk is om uit te gaan van een verdiencapaciteit aan haar zijde van

€ 35.000,- bruto per jaar.

11. De man stelt dat de verdiencapaciteit van de vrouw niet negatief is beïnvloed door het huwelijk. De man heeft de masteropleiding van de vrouw in Nederland grotendeels gefaciliteerd. Bovendien heeft de man het AOW-gat van de vrouw uit eigen zak afgekocht. Verder hebben partijen geen kinderen en heeft de vrouw gedurende het huwelijk veelal fulltime betaald werk verricht. De man benadrukt dat de vrouw 42 jaar oud is, in goede gezondheid verkeert en tijdens het huwelijk nooit onvrijwillig werkloos is geweest. De man betwist dat de vrouw thans geen inkomen heeft. Zij moet in elk geval een WW-uitkering genieten. Bovendien ligt het in de rede dat de vrouw in staat is inkomen te verwerven en kan van haar worden verlangd dat zij zich hiertoe inspant. De man voert aan dat de vrouw hoogopgeleid is en een aanzienlijk arbeidsverleden in Nederland heeft. De man betwist verder dat de inkomsten van de vrouw in 2016 € 25.657,- bedroegen. De Box 1 bruto-inkomsten van de vrouw bedroegen volgens de man in 2016 € 31.950,-. De man stelt dat de potentiële verdiencapaciteit van de vrouw tenminste € 50.000,- bedraagt, namelijk het inkomen dat zij genoot in 2012. De potentiële verdiencapaciteit is zelfs toegenomen als gevolg van haar arbeidservaring en de huidige gespannen arbeidsmarkt, zodat de potentiële verdiencapaciteit op € 60.000,- bruto per jaar kan worden gesteld. Voor zover de vrouw een aanvullende behoefte aan partneralimentatie heeft, stelt de man dat van haar in redelijkheid verwacht kan worden binnen een termijn van maximaal één jaar volledig in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Hij verzoekt in zoverre limitering.

12. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht het redelijk om de verdiencapaciteit van de vrouw te bepalen op € 50.000,- bruto per jaar. Zij heeft dit inkomen in het verleden genoten en er is geen aanleiding te veronderstellen dat de vrouw op dit moment niet een inkomen in deze orde van grootte kan (gaan) genereren. Het hof overweegt hiertoe voorts dat de vrouw van februari tot en met september 2018 bij [bedrijf] heeft gewerkt. Daar verdiende zij € 4.000,- bruto per maand, hetgeen op jaarbasis neerkomt op een bedrag van ongeveer € 50.000,- bruto. Het hof betrekt hierbij eveneens het feit dat de vrouw in het verleden diverse dienstbetrekkingen heeft gehad. Het hof berekent de aanvullende behoefte van de vrouw aldus op € 1.171,- (behoefte van € 4.000,- netto minus netto maandinkomen € 2.829,-) netto per maand, ofwel € 2.275,- bruto per maand. Het hof verwijst naar de bijgevoegde INA-berekening.

De draagkracht van de man

13. De vrouw stelt dat de man over voldoende draagkracht beschikt om in deze aanvullende behoefte (hof: van € 1.171,- netto p.m.) te voorzien. De vrouw gaat er mee akkoord om de door de man in beroep overgelegde draagkrachtberekening als uitgangspunt te nemen voor het bepalen van de draagkracht van de man. Zij betwist evenwel dat er maar € 50.000,- aan dividend wordt uitgekeerd. Zelf heeft zij berekend aan de hand van het gemiddelde van de laatste drie jaren dat de man jaarlijks € 75.000,- aan inkomen uit dividend geniet. Daarnaast stelt zij dat de bijstandsnorm van een alleenstaande moet worden gehanteerd in plaats van de norm voor een echtpaar: de nieuwe partner kan zelf voorzien. Ook dient een knip in de woonlasten te worden gemaakt. Deze maandlasten komen nu geheel voor rekening van de man, terwijl van zijn partner verwacht kan worden dat zij de helft bijdraagt. Voorts betwist de vrouw dat de man de rekening-courantschuld bij zijn BV moet aflossen met € 5.000,- per maand. De vrouw licht toe dat deze vermeende noodzaak niet prevaleert boven de plicht om partneralimentatie te betalen aan de vrouw en dat het gaat om een keuze van de man. De vrouw betwist ook de door de man gestelde premie om het pensioengat te dichten. Zij voert aan dat het pensioengat op een andere manier gedicht kan worden door bijvoorbeeld de vennootschap zelf die verzekering te laten afsluiten. Tot slot betwist de vrouw de hoogte van de door de man opgevoerde kosten ten behoeve van de kinderen van zijn partner; zij acht die bovendien in alle opzichten buitensporig. De vrouw is bovendien van mening dat ook de draagkracht (het NBI) van de vader van de kinderen van de partner van de man moet worden meegenomen. Ook hij moet bijdragen.

14. De man stelt, onder verwijzing naar de door hem in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening, dat hij geen partneralimentatie kan betalen in verband met een gebrek aan draagkracht. De man is zelfstandig ondernemer en geniet een salaris uit zijn vennootschap, [vennootschap] . Het uit te keren jaarsalaris (gebruikelijk loon) van de man zal in 2018 € 275.000,- bedragen. Daarnaast acht de man een dividenduitkering van € 50.000,- bruto per jaar redelijk en verantwoord. Binnen de vennootschap moet immers rekening worden gehouden met aflossingen op het krediet verstrekt door [kredietverstrekker] van € 145.000,- en met een bedrag dat de vennootschap moet reserveren ten behoeve van de aanschaf van een nieuwe auto. Voorts is in zijn holding, [holding] . sprake van een pensioenvoorziening in eigen beheer, waarvan de fiscale waarde per 1 maart 2018 € 53.042,- bedraagt. De commerciële waarde bedraagt per 31 oktober 2017 € 200.455,-. Per 1 september 2015 is de pensioenopbouw gestaakt en als gevolg daarvan heeft de man een pensioengat. Uit door de man overgelegde offertes van pensioenverzekeraars volgt dat de laagste maandelijkse pensioenpremie voor de man € 12.201,- bedraagt, inclusief het dichten van het pensioengat. De man stelt verder dat de vrij uitkeerbare reserves € 273.555,- bedragen, zodat als gevolg van de dividendklem van € 171.888,- een bedrag van € 101.667,- van deze reserves voor uitkering vatbaar is. De man merkt op dat de totale reserves van de BV’s echter slechts voor € 78.831,- uit liquide middelen bestaan. Daarnaast acht de man het raadzaam om € 50.000,- aan overige reserves aan te houden als buffer. De man stelt dat boven het bedrag van € 50.000,- gerealiseerde winst als vermogen moet worden aangemerkt. Het is volgens de man in strijd met de bedoeling van partijen bij het aangaan van hun huwelijkse voorwaarden als dergelijk vermogen toch gedeeld zou worden door dit als inkomenscomponent te kwalificeren en derhalve mee te nemen in de draagkracht van de man voor partneralimentatie. Voorts stelt de man een aantal schulden in rekening-courant te hebben die hij in maandelijkse termijnen van € 5.000,- wenst terug te brengen naar nihil. Hij zal dat ook moeten doen, want de belastingdienst heeft zich al gemeld. De totale rekening-courantschuld bedraagt € 221.328,-. De man stelt tot slot een dringende verplichting van moraal en fatsoen te voelen om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van zijn partner. De man licht toe dat hij samenwoont met zijn nieuwe partner, die momenteel geen inkomsten heeft, en haar twee kinderen. De biologische vader van deze kinderen draagt niet bij aan hun levensonderhoud. De totale kosten per maand voor deze kinderen komen thans op € 2.685,-. Op basis van de bij brief van 9 augustus 2018 overgelegde draagkrachtberekening (productie 22) heeft de man, rekening houdend met bovengenoemde inkomsten en lasten, een beschikbare draagkracht van € 1.056,- netto per maand, corresponderende met een bruto partneralimentatie van € 2.198,- per maand.

15. Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt de door de man overgelegde draagkrachtberekening als uitgangspunt en is van oordeel dat de man over voldoende draagkracht beschikt om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. De man zelf komt immers op een beschikbaar bedrag voor alimentatie van € 3.741,- per maand zonder rekening te houden met de kosten van de kinderen en € 1.056,- als daarmee wel rekening wordt gehouden. Het hof acht het ten opzichte van zijn alimentatieplicht jegens de vrouw echter redelijk indien de man € 3.000,- in plaats van € 5.000,- per maand aflost aan de schulden in rekening-courant aan zijn BV’s. Het hof laat daarnaast, in tegenstelling tot de man de kosten ten behoeve van de kinderen van zijn partner volledig buiten beschouwing, omdat de man voor die kosten niet verantwoordelijk is. Het hof betrekt daarbij dat de man ter zitting melding heeft gemaakt van een getroffen deal met de vader van deze kinderen. Deze heeft alleen ingestemd met een vertrek van de kinderen vanuit Amerika naar Nederland als hij geen alimentatie voor deze kinderen meer zou hoeven betalen. De man heeft vervolgens op grond van de bijgevoegde INA-berekening alsnog ruim voldoende draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. De overig betwiste posten behoeven geen behandeling meer.

16. Ten aanzien van de verzochte limitering van de partneralimentatie tot één jaar, overweegt het hof dat in verband met de ingrijpende gevolgen van limitering hoge eisen dienen te worden gesteld aan de te stellen en zo nodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen. De man heeft naar het oordeel van het hof aan zijn stelplicht niet voldaan. Hij heeft daartoe slechts aangevoerd dat de vrouw op maximaal deze termijn geacht kan worden volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof is bij de bepaling van de aanvullende behoefte bovendien al uitgegaan van de maximale verdiencapaciteit van de vrouw. Om diezelfde reden ziet het hof evenmin aanleiding de partneralimentatie op een termijn van één jaar op nihil te stellen.

17. Het hof zal als ingangsdatum, bij gebrek aan stellingen van partijen in deze, de datum van de beschikking van het hof bepalen. Het hof berekent de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie aldus op € 1.171,- netto, oftewel rekening houdende met genoemde verdiencapaciteit op € 2.275,- bruto, te betalen met ingang van de datum van de onderhavige beschikking.

Vergoedingsrechten over en weer

18. Het hof stelt voorop dat partijen onder het maken van huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. Zij zijn gehuwd buiten gemeenschap van goederen en zijn geen periodiek of finaal verrekenbeding overeengekomen.

Artikel 1 luidt als volgt:

1. Tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen bestaan.

2. (…)

3. Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot indien een bedrag of een waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid onttrekken.

Artikel 7.

Ingeval van ontbinding van het huwelijk anders dan door overlijden zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen zich conformeren aan de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding op basis van de waarden van die aanspraken, opgebouwd gedurende het bestaan van het huwelijk, tot aan de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de Burgerlijke Stand of tot de datum waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde gaat.

Investeringen in de gemeenschappelijke woning

19. De vrouw komt op tegen de veroordeling om een bedrag van € 45.730,- aan de man te betalen uit hoofde van de door de man in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen. De vrouw betwist dat de man op grond van artikel 1 lid 3 huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft ter zake de aflossing van de hypotheek en/of herfinanciering van een deel van de hypotheekschuld. Volgens de vrouw is sprake van voldoening aan een natuurlijke verbintenis. De omstandigheid dat een echtgenoot heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning kan op grond van vaste jurisprudentie als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis worden beschouwd. Als overige omstandigheden voert de vrouw aan dat sprake is van huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting en dat het inkomen en vermogen van de man ten tijde van de investeringen veel hoger dan dat van de vrouw was. Bovendien was sprake van een traditioneel rollenpatroon. Voorts betwist de vrouw dat de man een vergoedingsrecht jegens haar heeft ter zake de door hem gemaakte kosten in verband met een tegelvloer en boeidelen. Deze kosten betreffen volgens de vrouw gezien hun karakter kosten van de huishouding. Zij stelt dat het leggen van vloeren kwalificeert als noodzakelijke kosten van de huishouding, waarvan het achterwege laten tot gevolg zou hebben dat het gemeenschappelijk belang niet op gelijke wijze meer mogelijk zou zijn. De vrouw stelt tot slot dat als het hof oordeelt dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw, de man de helft van de door haar gedane investeringen in de woning moet vergoeden. Dit betreffen allereerst twee investeringen van € 3.637,82 en € 6.906,-. Daarnaast betreft het een aflossing van de hypotheek ten bedrage van € 3.000,- in 2016.

20. De man stelt dat de helft van de door hem geïnvesteerde gelden in de gemeenschappelijke woning door de vrouw dient te worden terugbetaald. Een andere uitkomst zou onredelijk uitpakken voor de man, mede omdat de vrouw profiteert van een overwaarde van de woning, die wordt behaald als gevolg van de door de man geïnvesteerde gelden. De man stelt dat hij uit eigen middelen € 39.000,- heeft betaald ten behoeve van aflossing van de hypotheek en € 43.000,- ten behoeve van herfinanciering van een deel van de hypotheekschuld; in feite ook aflossing. De man betwist dat deze aflossingen een natuurlijke verbintenis betreffen. Op grond van artikel 1 lid 3 huwelijksvoorwaarden leiden alle onderlinge vermogensverschuivingen tot vergoedingsvorderingen. De vrouw verzuimt voorts aan te geven wat de aard van de door haar gestelde natuurlijke verbintenis is. Nu de vrouw er klaarblijkelijk van uitgaat dat het een woonwaarborg betreft, wijst de man erop, dat het aflossen op een gezamenlijke hypotheekschuld niet kan leiden tot het verstrekken van een woonwaarborg. Het doel van de man met de aflossingen en de herfinanciering was het verlagen van de maandlasten van partijen, niet om een vermogensverschuiving tussen hem en de vrouw te bewerkstelligen. Van enige dringende morele verplichting was derhalve geen sprake. De man betwist dat sprake was van een traditioneel rollenpatroon, nu partijen geen kinderen hebben. De man stelt verder dat hij uit eigen middelen kosten ten behoeve van een tegelvloer heeft voldaan van € 6.490,- en dat deze kosten niet als kosten van de huishouding kunnen worden gekwalificeerd omdat zij niet noodzakelijk waren. Ook heeft hij uit eigen middelen € 3.669,91 voldaan ten behoeve van boeidelen, welke kosten naar zijn mening naar hun aard niet gekwalificeerd kunnen worden als kosten van de gemeenschappelijke huishouding. De man betwist tot slot dat de vrouw met eigen middelen heeft geïnvesteerd in de woning. De vrouw heeft deze investeringen niet onderbouwd, aldus de man.

21. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de eigen woning tegen een waarde van € 525.000,- aan de man wordt toegedeeld, onder voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypotheek. Het hof is van oordeel dat de man ter zake van deze woning een vergoedingsrecht jegens de vrouw heeft van € 41.000,- (€ 39.000,-/2 + € 43.000,-/2) ter zake de aflossingen ten behoeve van de hypotheek en de herfinanciering van een deel van de hypotheekschuld bij de BV van de man, omdat hij daarmee een schuld met betrekking tot gemeenschappelijke woning heeft voldaan uit eigen vermogen. Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat sprake is van een natuurlijke verbintenis overweegt het hof, dat hetgeen de vrouw opwerpt volstrekt onvoldoende is om een natuurlijke verbintenis aan te nemen. De man heeft naar het oordeel van het hof echter geen regresrecht op de vrouw voor de helft van de door hem betaalde kosten inzake de tegelvloer en de boeidelen, nu deze kosten naar het oordeel van het hof onder de kosten van de huishouding vallen, nu het gaat om noodzakelijk onderhoud en derhalve om verteren van genoten inkomsten en niet om een belegging van overgespaarde inkomsten. Het hof wijst aan de andere kant ook het verzoek van de vrouw ten aanzien van de door haar gestelde investeringen van € 3.637,82 en € 6.906,- af wegens onvoldoende onderbouwing. De vrouw heeft nagelaten duidelijk te maken waartoe deze beweerdelijke bedragen zijn aangewend. Ten aanzien van de aflossing door de vrouw van de hypotheek ten bedrage van € 3.000,- overweegt het hof dat de man ter zitting in hoger beroep heeft erkend dat de vrouw dit bedrag heeft afgelost. Het hof is van oordeel dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te vergoeden, nu hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij dit bedrag aan haar heeft terugbetaald. De vrouw heeft derhalve een vergoedingsrecht jegens de man van € 1.500,- (€ 3.000,-/2).

22. De vrouw komt verder op tegen de veroordeling om een bedrag van € 7.403,46 aan de man te betalen uit hoofde van de door de man betaalde verkeersboete van € 250,- en de inrichting van haar huurappartement van € 7.153,46.

De verkeersboete

23. De vrouw stelt dat zij niet aan de man een bedrag behoeft te betalen uit hoofde van de door de man betaalde verkeersboete. De vrouw betwist niet dat dit bedrag door de man is betaald, maar zij is het er niet mee eens dat de man dit bedrag op haar verhaalt. De vrouw betwist ook niet dat zij de overtreding heeft begaan, maar stelt dat de betaling door de man een gift is, dan wel tot de kosten van de huishouding behoort.

24. De man voert aan dat de vrouw geen inhoudelijk verweer voert en dat daarom haar grief op dit punt dient te worden afgewezen.

25. Het hof is van oordeel dat de verkeersboete onder de kosten van de huishouding valt, zodat de man geen vorderingsrecht heeft ter zake. Het hof overweegt hiertoe dat de man de boete voor de door de vrouw begane overtreding heeft voldaan toen partijen nog gehuwd waren. Het hof zal derhalve het verzoek van de man alsnog afwijzen.

De inrichting van het huurappartement

26. Niet in geschil is dat de man een bedrag € 7.153,46 heeft betaald voor de inrichting van het (huidige) huurappartement van de vrouw. De man wenst terugbetaling. Volgens de vrouw betreft het een gift. Toen het huwelijk ten einde liep, wilde de man graag in de echtelijke woning blijven. Hij heeft daarom toen voorgesteld de kosten van het inrichten van het appartement, dat de vrouw in Breda betrok, te betalen. Subsidiair stelt de vrouw dat de bedragen als kosten van de huishouding moeten worden beschouwd. Meer subsidiair stelt de vrouw dat ook de door haar gemaakte verhuiskosten van € 943,- een noodzakelijk gevolg zijn van de verbreking van de relatie, welke kosten tussen partijen bij helfte moeten worden verdeeld.

27. De man betwist dat de door hem betaalde inrichtingskosten als een gift moeten worden beschouwd. De man voert aan dat de vrouw geen aangifte schenkbelasting heeft gedaan en dat de vrouw in haar beroepschrift heeft aangegeven dat de man ‘de vrouw liever kwijt dan rijk was’. Blijkbaar is de vrouw van mening dat de man uit eigen belang handelde bij de betreffende betalingen, hetgeen haaks staat op de voor een gift vereiste bevoordelingsbedoeling en vrijgevigheid. Ook kunnen deze kosten niet als kosten van de huishouding worden aangemerkt, nu de kosten pas zijn gemaakt nadat de gemeenschappelijke huishouding was geëindigd.

28. Het hof is van oordeel dat de man ook geen vorderingsrecht heeft ter zake de inrichting van het huurappartement. Het hof overweegt hiertoe dat partijen ten tijde van de huwelijkse periode verplicht waren om elkaar het nodige te verschaffen. Daaronder valt ook het inrichten van genoemde woning. De man is daarnaast ook huur gaan betalen voor de vrouw en doet dat nog steeds. Naar het oordeel van het hof voelde de man zich kennelijk moreel verplicht de inrichting van het huurappartement te betalen en heeft hij geen aanspraak op terugbetaling.

De pensioenverevening

29. De vrouw stelt dat zij op basis van 50/50 recht heeft op verevening van het pensioen dat de man in eigen beheer heeft opgebouwd en dat daarbij dient te worden uitgegaan van de commerciële waarde. De vrouw gaat ervan uit dat de pensioenvoorziening in een besloten vennootschap is ondergebracht en dat de man met de vennootschap een pensioenovereenkomst heeft gesloten. Het bedrag dat aan de vrouw toekomt bestaat uit ouderdomspensioen en bijzonder partnerpensioen. De vrouw verzoekt het hof een deskundige te benoemen om de actuele waarde te berekenen. Verder verzoekt zij het hof te bepalen dat de pensioenaanspraak van de vrouw wordt afgestort onder een verzekeraar, uiterlijk binnen zes maanden na de datum van de beschikking van het hof.

30. De man stelt primair dat slechts de fiscale waarde van de pensioenaanspraken in aanmerking komt voor verevening. De man voert aan dat een redelijke uitleg van artikel 7 huwelijkse voorwaarden ertoe noopt, dat met ‘waarden van de aanspraken opgebouwd gedurende het bestaan van het huwelijk’ de fiscale waarde van deze aanspraken wordt bedoeld. Als de man gehouden is de commerciële waarde te verevenen, derhalve meer dan aan zijn kant daadwerkelijk staande huwelijk is opgebouwd, is het gevolg daarvan dat hij gedwongen wordt ook voor het huwelijk daadwerkelijk opgebouwd pensioen met de vrouw te verevenen. Dit is in strijd met de bedoeling van partijen bij het aangaan van de huwelijksvoorwaarden. De man voert verder aan dat de redelijkheid en billijkheid c.q. de postrelationele solidariteit eraan in de weg staan, dat er aan zijn kant meer wordt verevend dan de pensioenrechten die hij daadwerkelijk in eigen beheer heeft opgebouwd. De man heeft immers geen invloed op het verschil tussen de commerciële en fiscale waarde. Op het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was ook niet te voorzien dat de fiscale en commerciële rente zo fors zouden gaan divergeren. De vennootschap biedt geen verhaal voor (afstorting van) de volledige commerciële pensioenaanspraak van € 221.983,- per 2016 c.q. € 200.455,- per 31 oktober 2017. De vrouw heeft volgens de man een vereveningsaanspraak ten bedrage van € 15.217,-. Indien verevening van de commerciële waarde van de pensioenaanspraak niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, is de man van mening dat de postrelationale solidariteit eraan in de weg staat, dat de man gehouden zou zijn een bedrag ten behoeve van de vrouw af te storten van een dusdanige omvang, dat thans per saldo een groter deel van het daadwerkelijk voor ouderdomspensioen gespaarde bedrag wordt afgestort. Evenzo staat de postrelationele solidariteit eraan in de weg, dat de volledige commerciële waarde van het nabestaandenpensioen wordt afgestort. Het kan volgens de man niet zo zijn dat de pensioenaanspraak van de vrouw wel risicoloos bij een pensioenverzekeraar wordt ondergebracht en de pensioenaanspraak van de man niet. Subsidiair is de man van mening dat slechts sprake kan zijn van afstorting van een evenredig deel van het thans in de BV aan liquide middelen beschikbare bedrag. Aan liquide middelen is in de BV thans een bedrag beschikbaar van € 78.831,-. De man beschikt ook in privé niet over spaargelden die kunnen worden aangewend voor afstorting van pensioen voor de vrouw. Ook wijst de man erop dat hij voor een aanzienlijk deel heeft voorzien in een oudedagsvoorziening voor de vrouw. Ook het door de vrouw in de huwelijkse periode opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen dient in de verevening te worden betrokken.

31. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in artikel 7 van hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding zullen toepassen. Dit brengt mee dat het door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen zal moeten worden verevend. Het hof stelt voorop dat dit alleen geldt voor de aanspraak die ten tijde van het huwelijk is opgebouwd. Het hof is voorts van oordeel dat de verevening op basis van de commerciële waarde moet worden plaatsvinden, waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt wordt genomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien een vennootschap een pensioentoezegging doet, zij zorg dient te dragen dat zij deze te zijner tijd kan nakomen. Indien en voor zover de opbouw van het pensioen in eigen beheer plaatsvindt, dient zij daarom in beginsel over voldoende kapitaal daartoe te beschikken (in de vorm van een voorziening of van eigen vermogen). In verband met de bepaling van artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan de fiscale pensioenreserve in dit verband onvoldoende zijn. Daarvan is in de onderhavige situatie sprake. De totale commerciële waarde van de pensioenaanspraak die is opgebouwd tijdens het huwelijk bedraagt volgens opgave van de man € 125.160,- per 1 maart 2018. De vrouw wenst dat haar pensioenaanspraak extern wordt afgestort. Het hof overweegt ten aanzien van de afstortingsverplichting dat afstorting alleen mogelijk is, indien sprake is van voldoende reserves in de BV en dat dit in de onderhavige zaak niet het geval is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, ook indien sprake is van een afstortingsplicht, het wettelijke uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het opgebouwde pensioen, onverkort van toepassing is. De afstorting dient zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel in dezelfde mate zijn verzekerd, althans dat dit laatste zoveel mogelijk het geval is. Een tekort moet derhalve worden verdeeld over de pensioenen van de beide partners. Het hof acht tot slot benoeming van een deskundige niet nodig, nu de man berekeningen in het geding heeft gebracht, welke de vrouw inhoudelijk vervolgens in het geheel niet heeft betwist. Het hof gaat er van uit dat partijen op grond van dit alles zelf in staat zijn tot afwikkeling van de pensioenkwestie.

Omzetting pensioen in ODV

32. De man heeft ten aanzien van de afwikkeling van de verevening van het pensioen in eigen beheer in incidenteel beroep nog aangevoerd dat de vrouw, om eventuele fiscale problematiek te voorkomen, in redelijkheid verplicht kan worden haar medewerking te verlenen aan het fiscaal gefaciliteerd omzetten van de opgebouwde pensioenrechten in eigen beheer in een oudedagsvoorziening (hierna: ODV) of haar medewerking te verlenen aan afkoop van die pensioenrechten. De vrouw heeft dan recht op een ODV ter waarde van € 15.217,- dan wel een (bruto) afkoopbedrag van € 15.217,-.

33. De vrouw geeft aan geen inhoudelijk standpunt te kunnen innemen op dit punt omdat de man nog niet de benodigde producties heeft overgelegd.

34. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 827 lid 1 onder f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) als nevenvoorziening een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e kan worden getroffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

35. Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat het verzoek van de man geen nevenvoorziening is als bedoeld in artikel 827 lid 1 onder f Rv. Het hof overweegt hiertoe dat het verzoek van de man niet van eenvoudige aard is, zodat het de procedure aanzienlijk kan ophouden. Het hof zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.

De [auto] met kenteken [kenteken]

36. De man stelt in zijn incidenteel beroep dat de [auto] die de vrouw gebruikt zijn eigendom is. Hij stelt dat de auto aan de vrouw kan worden overgedragen voor de ANWB koerslijst dagwaarde van € 3.850,-. Het alternatief is dat de auto weer in het bezit van de man wordt gesteld. De man licht toe dat hij tijdens zijn dienstverband bij zijn voormalige werkgever vier jaar lang de auto heeft geleast. Nadat de leasetermijn was beëindigd heeft zijn vennootschap [vennootschap] de auto voor € 10.000,- verworven. In september 2015 is de auto vervolgens aan de man in privé overgedragen voor € 5.500,-. Het kenteken is op naam van de man gesteld, dus de man is eigenaar, aldus de man.

37. De vrouw betwist dat zij een bedrag aan de man moet betalen inzake de [auto] . Zij voert aan dat de man de auto aan haar heeft geschonken. Zij is er altijd vanuit gegaan dat zij de auto ook in de toekomst kan blijven gebruiken en maakt reeds acht jaar van de auto gebruik. De vrouw stelt voorts dat het verzoek van de man op basis van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewezen en dat de auto om niet door de man aan haar moet worden overgedragen.

38. Het hof overweegt als volgt. Het hof gaat er van uit dat de auto eigendom is van de man, omdat de auto klaarblijkelijk door zijn vennootschap aan hem is overgedragen en het kenteken op zijn naam staat. Het hof is voorts van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid geen titel is (geweest) voor overdracht van eigendom. Het hof acht het redelijk om het subsidiaire verzoek van de man toe te wijzen en zal de vrouw veroordelen tot medewerking aan het op haar naam stellen van de [auto] onder voldoening van de dagwaarde van € 3.850,-.

De proceskosten

39. Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 45.730,- en een bedrag van € 7.403,46 en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op € 2.275,- bruto per maand, met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

veroordeelt de vrouw om uiterlijk bij het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning via de derdengeldrekening van de notaris aan de man uit te betalen een bedrag groot

€ 41.000,- uit hoofde van door de man in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen ter zake van aflossingen op de hypotheekschuld en de herfinanciering van een deel van de hypotheekschuld;

veroordeelt de man om uiterlijk bij het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning via de derdengeldrekening van de notaris aan de vrouw uit te betalen een bedrag groot € 1.500,- uit hoofde van door de vrouw in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen ter zake de eenmalige aflossing in 2016 door de vrouw op de hypotheekschuld;

veroordeelt de vrouw tot medewerking aan het op haar naam (doen) stellen van de [auto] met kenteken [kenteken] onder voldoening van de koopsom van € 3.850,- binnen twee weken na het wijzen van de beschikking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, P.B. Kamminga en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en is op 7 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.