Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3162

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
200.227.430/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

achterwege laten VI; onrechtmatig overheidshandelen; causaal verband

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0985
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.227.430/01

Rolnummer rechtbank : C/09/522483 / HA ZA 16-1329

arrest van 16 oktober 2018

inzake

[appellant] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.C. Reisinger te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Het geding

Bij appeldagvaarding van 8 november 2017 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen op 30 augustus 2017 gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel. Bij memorie van antwoord heeft de Staat de in de appeldagvaarding neergelegde klachten bestreden. Op 6 september 2018 hebben partijen hun standpunten doen bepleiten, [appellant] door mr. R.D.A. van Boom, kantoorgenoot van mr. Reisinger voornoemd, en de Staat door mr. I.C. Engels, kantoorgenote van mr. Bitter voornoemd. De Staat heeft daarbij gebruik gemaakt van een pleitnota. Tot slot is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende.

1.1

[appellant] is in 2010 door de meervoudige kamer voor strafzaken in het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar. Bij arrest van 5 februari 2013 heeft de Hoge Raad de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot elf jaar en vier maanden. [appellant] is in verband met deze zaak vanaf 5 oktober 2006 tot een datum in juni 2018 gedetineerd geweest.

1.2

In 2012 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens mishandeling van een rechterlijk ambtenaar gepleegd tijdens zijn detentie.

1.3

In het Advies Voorwaardelijke Invrijheidstelling van 25 maart 2014 heeft de hoofdadvocaat-generaal van het ressortsparket te Den Haag geadviseerd de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI) van [appellant] achterwege te laten. Daarbij zijn op het formulier "Inhoud advies" de volgende twee gronden aangekruist:

i) "Gedrag dat meermalen heeft geleid tot een disciplinaire straf"

met als toelichting:

"Aan veroordeelde werden tijdens zijn detentie een groot aantal disciplinaire straffen opgelegd” en

ii) "Bijzondere voorwaarden perken het recidiverisico onvoldoende in",

met als toelichting, voor zover relevant:

" (...) Veroordeelde geeft nog steeds geen openheid van zaken voor wat betreft leefgebieden of zelfs aangaande zijn toekomstig verblijfadres. Veroordeelde heeft aan de reclassering geen toestemming gegeven om referenten te raadplegen. Veroordeelde laat hierdoor overduidelijk zien dat de kans op een succesvolle begeleiding door middel van bijzondere voorwaarden nagenoeg nihil is.

Veroordeelde toont veel weerstand tegen aanwijzingen en hij lijkt dan ook nauwelijks bereid te zijn om mee te werken aan enige vorm van toezicht; bovendien ontbreekt bij hem elke vorm van probleeminzicht. Veroordeelde is tijdens zijn detentie keer op keer opgevallen door zijn agressieve en dominante houding. De PI heeft geconcludeerd dat veroordeelde geen enkele motivatie heeft om mee te werken aan eventuele bijzondere voorwaarden in het kader van v.i. en schat het risico op onttrekking aan voorwaarden dan ook als hoog in (...)."

1.4

Op 10 april 2014 heeft de officier van Justitie een schriftelijke vordering als bedoeld in artikel 15d lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ingediend bij de rechtbank Rotterdam strekkende tot het achterwege laten, dan wel uitstellen met 120 dagen van de VI van [appellant] , waarvoor hij op 18 mei 2014 in aanmerking zou komen. Bij uitspraak van 28 mei 2014 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam (hierna: de strafrechter) de VI van [appellant] met 120 dagen uitgesteld, in afwachting van eventuele medewerking van [appellant] aan onderzoek om tot een gedegen risicoanalyse te komen ten behoeve van mogelijke VI.

1.5

Op 7 augustus 2014 heeft de officier van Justitie opnieuw een schriftelijke vordering ingediend, ditmaal strekkende tot het geheel achterwege blijven van de VI, dan wel het uitstellen daarvan met 365 dagen. Deze vordering is voor zover relevant als volgt toegelicht:

"1. Gebleken is dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, namelijk

a. a) Veroordeelde heeft tijdens de tenuitvoerlegging van zijn straf meermalen een disciplinaire straf opgelegd gekregen (...)

Veroordeelde is uitzonderlijk vaak disciplinair gestraft voornamelijk vanwege het niet mee willen werken aan urinecontroles en agressief gedrag. Zodra hij het niet eens was met een beslissing van de PI, probeerde hij zaken af te dwingen door in honger-/dorststaking te gaan en door contact te weigeren.

Deze situatie is na de beslissing tot uitstel van de v.i. niet veranderd. (...)

2. Het opleggen van voorwaarden perkt het recidiverisico voor het plegen van misdrijven onvoldoende in (...)

Veroordeeld[e] heeft ook na de beslissing tot uitstel van de v.i. geweigerd om met de reclassering in gesprek te gaan. Hij geeft geen toestemming om referenten te bevragen. Het is daardoor niet mogelijk om een plan van aanpak op te stellen."

1.6

In het ten aanzien van [appellant] opgemaakte reclasseringsrapport van 17 september 2014 staat onder meer het volgende vermeld:

“Betrokkene gaat vooralsnog niet akkoord met een locatiegebod middels EC [elektronische controle, hof]. Rapporteur heeft betrokkene gevraagd of hij een concreet adres kon aantonen, die wij kunnen beoordelen (niet perse voor EC). Hij gaf aan dat hij de eerste paar weken of dagen bij zijn broer in Zeist gaat verblijven (….), van daaruit gaat hij op zoek naar een zelfstandige huurwoning. (….). Betrokkene heeft rapporteur geen toestemming gegeven om zijn broer te mogen bellen om het adres te verifiëren. (…).

Omdat betrokkene negatief staat tegenover een locatiegebod en hij hieraan vooralsnog niet mee wil werken, kunnen wij ten tijde van dit rapport niets zeggen over de (praktische) haalbaarheid van een EC. (….)

(….) en dat wij derhalve denken aan een contactverbod. Betrokkene gaat hier niet mee akkoord.”

1.7

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 18 september 2014, waar de vordering van de officier van justitie is behandeld, heeft de aanwezige reclasseringsmedewerker verklaard dat de reclassering elektronische controle geïndiceerd acht en heeft [appellant] voor zover relevant het volgende opgemerkt:

"Ik ben het niet eens met de voorgestelde elektronische controle. Ik zal dan aan alle kanten worden beperkt in mijn re-integratietraject. (….)

Ik ben het niet eens met de elektronische controle, maar mijn broer wil daar ook geen

verantwoording voor nemen (...) Ik ben het niet eens met het contactverbod (...) ".

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst voor een periode van maximaal drie

maanden, kort gezegd omdat de raadsvrouw van [appellant] in de door haar daags voor de

zitting ontvangen reclasseringsrapportage aanleiding vond (een) getuige(n) te laten horen en

de rechtbank de raadsvrouw in de gelegenheid wilde stellen dit verzoek binnen één maand

nader te motiveren.

1.8

Het onderzoek ter terechtzitting is op 4 december 2014 wegens een gewijzigde

samenstelling van de rechtbank opnieuw aangevangen. Blijkens het proces-verbaal van die

zitting heeft [appellant] , voor zover relevant, het volgende opgemerkt:

"Op de vraag van de oudste rechter of ik thans bereid ben om medewerking te verlenen aan

elektronische controle zeg ik dat als dat nu door de rechtbank wordt opgelegd, ik daartoe bereid ben."

De ter terechtzitting aanwezige deskundige, J.J.M. Mol, werkzaam als reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland (hierna: de reclassering), heeft desgevraagd onder meer het volgende verklaard:

“Als de veroordeelde bereid is om medewerking te verlenen aan elektronische controle, kan ik de reclassering in Utrecht vragen een haalbaarheidsonderzoek te verrichten. Ik moet dan wel nu het voorgenomen verblijfadres weten."

Na beraad heeft de voorzitter medegedeeld dat:

"de rechtbank de behandeling van de vordering zal aanhouden en de veroordeelde eenmaal in de gelegenheid zal stellen om medewerking te verlenen aan een zogeheten haalbaarheidsonderzoek elektronische controle, welk onderzoek dient te worden verricht op het voorgenomen verblijfadres van de veroordeelde, zijnde het adres van zijn broer."

Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst voor maximaal één maand.

1.9

De reclassering heeft, na eerdere rapportages, opnieuw geadviseerd omtrent de VI bij rapport van 14 januari 2015. Dit rapport houdt voor zover relevant het volgende in:

"(…)

2 Bevindingen vanaf 05 december 2014

"(...) De reclassering heeft vervolgens geprobeerd de broer van betrokkene telefonisch te bereiken om een afspraak in te plannen voor een huisbezoek. De broer gaf toen aan dat hij met vakantie ging en na oud en nieuw (begin) januari '15 pas weer terug te komen. Het haalbaarheidsonderzoek kon pas na zijn vakantie worden verricht. Wij hebben daarna vanaf januari 2015 diverse keren de broer gebeld, maar kregen toen geen contact met hem. (...) De reclassering heeft echter tot 14-01-2015 geen reactie hierop van de broer vernomen.

De advocaat is door de reclassering ervan op de hoogte gebracht dat wij toen geen contact met de broer hebben kunnen krijgen.

Wij hebben cliënt zelf ook terugbelverzoeken gedaan. Hier hebben wij tot op heden geen reactie op ontvangen.

Hierdoor vragen wij ons af hoe het op dit moment met de motivatie van betrokkene gesteld is.

Op 14-01-2015 heeft de broer naar ondergetekende mevrouw Mol gebeld. Hij gaf aan dat hij was terug gekomen van vakantie en dat hij op 13-01-2015 de brieven had gezien en hierop heeft hij ons teruggebeld. De broer, de heer [naam] , gaf aan dat zijn broer (cliënt [appellant] ) altijd welkom bij hem is en dat hij de komende 10 jaar bij hem zou kunnen wonen, als dat nodig is. Hij zou ook altijd bij hem kunnen eten en drinken. Echter, voegt hij eraan toe dat, als het gaat om een elektronische enkelband, hij het hier niet mee eens is en dat hij niet wil dat er van zijn huis 'een gevangenis wordt gemaakt'."

De reclassering verwijst vervolgens naar haar eerdere advies van 17 september 2014 en voegt daaraan toe:

“dat wij gezien onze huidige bevindingen moeten concluderen dat wij op dit moment negatief adviseren ten aanzien van het verlenen van VI, daar er geen ‘Haalbaarheidsonderzoek Elektronische Controle' heeft kunnen plaatsvinden en wij de mogelijkheden tot nadere invulling van de bijzondere voorwaarde 'locatiegebod' niet hebben kunnen onderzoeken."

1.10

Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op de terechtzitting van 15 januari 2015. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft [appellant] , voor zover relevant, het volgende verklaard:

"Bij elektronisch toezicht (ET) is toestemming nodig van de eigenaar/bewoner van het GBA-adres, ook voor het plaatsen van apparatuur. Maar als alle aangekondigde voorwaarden worden opgelegd, dan is het maar de vraag of ik een woning kan regelen, want mijn broer geeft helaas geen toestemming voor ET op zijn GBA-adres. (...) Ik heb alle voorwaarden en regels samen met mijn broer geëvalueerd en besproken en ik en mijn broer geven dus geen toestemming.(...)

Ik ben wel bereid tot ET. (...) Ik werk dus wel mee, maar ik bestrijd de juridische legitimiteit. Vanaf maart 2014 is bekend dat ikzelf geen GBA-adres heb. De reclasseringsmedewerker Mol heeft tegen mij nooit gezegd dat ik dan moet zorgen voor een ander adres. Ik kan ook gewoon bij mijn broer verblijven, maar dan zonder ET."

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot het geheel achterwege blijven van de

VI en deze vordering onder meer als volgt toegelicht:

"(….) Op de laatste zitting was het ET en de haalbaarheid daarvan het enige onderwerp. De veroordeelde zou na zijn voorwaardelijke vrijlating eerst bij zijn broer verblijven en daarna wellicht in een andere woning. De haalbaarheid bij de broer van de veroordeelde diende dus te worden onderzocht en daarna zal een nieuw onderzoek moeten worden gedaan naar de haalbaarheid op het nieuwe adres. Op de zitting van 4 december 2014 is toen uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de veroordeelde daar aan mee zou werken, als het door de rechtbank zou worden opgelegd. Uit het rapport van de reclassering van 14 januari 2015 blijkt dat de broer van de veroordeelde niet mee wil werken aan ET van de veroordeelde op zijn adres. Ook heeft de reclassering geen contact met de veroordeelde kunnen krijgen na de zitting van 4 december 2014. De veroordeelde heeft niet gereageerd op de terugbelverzoeken van de reclassering.

Kortom: de veroordeelde heeft zijn laatste kans gehad, maar hij heeft niet meegewerkt."

[appellant] heeft het recht gekregen het laatst te spreken en aan zijn eerdere verklaring toegevoegd, voor zover relevant:

''Mijn broer heeft gezegd dat hij baas wil blijven in zijn eigen huis en dat hij daarom geen ET toestaat. Dat zei mijn broer en dat moet ik respecteren."

1.11

Bij beslissing van 29 januari 2015 heeft de rechtbank de primaire vordering van de officier van justitie tot het achterwege laten van de VI toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Op de terechtzitting van 4 december 2014 is de zaak voor maximaal één maand aangehouden teneinde de veroordeelde nog eenmaal in de gelegenheid te stellen om medewerking te verlenen aan een zogeheten haalbaarheidsonderzoek elektronische controle, welk onderzoek diende te worden verricht op het voorgenomen verblijfsadres van de veroordeelde, zijnde het adres van zijn broer.

Het reclasseringsrapport van 14 januari 2015 houdt onder andere in dat getracht is een haalbaarheidsonderzoek elektronische controle uit te voeren op het adres van de broer van de veroordeelde (...). Op 14 januari 2015 heeft de broer te kennen gegeven dat hij niet wenst mee te werken aan het haalbaarheidsonderzoek omdat "hij niet wil dat van zijn huis een gevangenis wordt gemaakt”. De veroordeelde zelf heeft niet gereageerd op de terugbelverzoeken van de reclassering. De reclassering adviseert, gezien de huidige bevindingen, negatief ten aanzien van het verlenen van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de veroordeelde.

Uit het VI-advies van 17 juli 2014 volgt dat de inrichting eveneens uitstel of het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling adviseert wanneer de bijzondere voorwaarden van een woonadres en elektronisch toezicht niet geregeld zijn voordat de VI ingaat.

(...)

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan een meldplicht en een intake bij De Waag en (indien geïndiceerd) een behandelverplichting c.q. ambulante behandeling. De veroordeelde heeft zich echter niet bereid getoond noch verklaard om de voorwaarden locatiegebod en contactverbod na te leven. Mede gelet op de langdurige straf van veroordeelde - opgelegd voor een levensdelict - en het feit dat de veroordeelde tot op heden geen verlof heeft genoten (het penitentiair programma met elektronisch toezicht is vanwege de weigerachtige houding van de veroordeelde niet gestart), is het stellen van dergelijke controlerende bijzondere voorwaarden niet onredelijk te achten.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde zich na aanvang van de

tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15d lid 1 sub b Sr. Bovendien is gebleken dat de veroordeelde (nog steeds) niet bereid is de voorwaarden na te leven die worden gesteld om het recidiverisico voor misdrijven in te perken, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel I5d lid 1 sub d Sr.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde voldoende kansen heeft gekregen teneinde gebruik te kunnen maken van de Vl-regeling, maar deze niet heeft benut en/of onvoldoende heeft meegewerkt. Gezien al hetgeen is voorgevallen in de Vl-zaak van de veroordeelde en het feit dat de veroordeelde na de laatste terechtzitting van 4 december 2014 wederom het contact met de reclassering uit de weg is gegaan, zal thans de primaire vordering tot het geheel achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden toegewezen."

1.12

[appellant] heeft op 19 februari 2015 een klaagschrift ingediend bij de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht bij de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel (hierna: PI Krimpen), omdat in de periode van 4 december 2014 tot en met 14 januari 2015 (twee of meerdere) terugbelverzoeken van een medewerker van de reclassering niet aan hem zouden zijn doorgegeven door de PI. Deze klacht is gegrond verklaard.

1.13

Bij brief van 13 november 2015 heeft de advocaat van [appellant] de directeur van de PI Krimpen aansprakelijk gesteld voor de schade die is voortgevloeid uit het niet doorgeven van de terugbelverzoeken, in het bijzonder de schade als gevolg van voortdurende vrijheidsbeneming en het aanvechten daarvan. De directeur van de PI is verzocht de aansprakelijkheid voor deze schade te erkennen. De PI heeft de aansprakelijkheid niet erkend.

2. [appellant] vordert in dit geding de veroordeling van de Staat, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een schadevergoeding van € 91.280,-, plus rente en kosten.

Hij legt hieraan ten grondslag, kort samengevat, dat de Staat (meer in het bijzonder (de directeur van) de PI Krimpen) onrechtmatig heeft gehandeld door de terugbelverzoeken van de reclassering niet aan hem door te geven. Volgens [appellant] heeft dit ertoe geleid dat op 29 januari 2015 is besloten zijn VI definitief achterwege te laten. De schade begroot hij op 1.141 dagen x € 80,- (overeenkomstig de oriëntatiepunten voor de schadevergoeding bij voorarrest), hetgeen neerkomt op een bedrag van € 91.280,-.

3. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat inderdaad onrechtmatig gehandeld door de terugbelverzoeken niet door te geven aan [appellant] en evenmin aan de reclassering te melden dat [appellant] tijdelijk in een andere inrichting verbleef en dat de verzoeken om die reden niet konden worden doorgegeven. Volgens de rechtbank bestaat er echter geen causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen en de door [appellant] geleden schade, gelegen in het voortduren van de detentie: er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat de strafrechter anders beslist zou hebben indien de terugbelverzoeken [appellant] wel tijdig bereikt zouden hebben.

4. In appel vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering. Zijn grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent het vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade.

5. Het oordeel van de rechtbank dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld (zie onder 3) is niet bestreden. Inzet van dit geding is het causaal verband. Kernvraag is of de beslissing van de strafrechter anders zou zijn uitgevallen als de terugbelverzoeken [appellant] wel zouden hebben bereikt. [appellant] stelt dat dit het geval is. De bewijslast rust op hem. Anders dan [appellant] tijdens zijn pleidooi heeft betoogd, is het enkele feit dat het lastig is om te moeten bewijzen wat in een bepaalde hypothetische situatie zou zijn gebeurd, geen reden om de bewijslast om te keren, dan wel om “minder hoge eisen” te stellen aan de bewijslevering. Ten overvloede overweegt het hof dat voor zover het hof al mee zou gaan in de (kennelijke) stelling van [appellant] (eveneens tijdens het pleidooi) dat het voldoende zou moeten zijn dat het causaal verband “aannemelijk” wordt gemaakt, de hierna volgende overwegingen niet anders zouden luiden indien deze maatstaf zou worden aangehouden.

6. Zoals de rechtbank voorts terecht en onbestreden heeft overwogen, biedt de onderhavige civiele procedure geen ruimte om de beslissing van de strafrechter te heroverwegen of de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan een eigen inhoudelijke toetsing te onderwerpen. Bij de beantwoording van de vraag wat er zou zijn gebeurd indien [appellant] wel op de hoogte zou zijn gebracht van de terugbelverzoeken, is de juistheid van de in de uitspraak van 29 januari 2015 neergelegde vaststellingen en oordelen dus uitgangspunt. Daarbij geldt dat deze uitspraak niet los kan worden gezien van hetgeen daarvóór is voorgevallen:

- Op de zitting van 18 september 2014 (zie hierboven onder 1.7) heeft [appellant] onder meer verklaard dat hij het niet eens is met de voorgestelde elektronische controle, omdat hij dan aan alle kanten zal worden beperkt in zijn re-integratietraject. Ook heeft hij verklaard het niet eens te zijn met het contactverbod. Eerder had hij zich ook al in die zin uitgelaten tegenover de reclassering (zie hierboven onder 1.6.).

- Op de zitting van 4 december 2014 (zie hierboven onder 1.8.) heeft [appellant] desgevraagd geantwoord dat hij wel bereid is mee te werken aan elektronische controle als dat door de rechtbank zou worden opgelegd. De voorzitter heeft [appellant] vervolgens expliciet voorgehouden dat de rechtbank [appellant] eenmaal [onderstreping hof] in de gelegenheid zal stellen om medewerking te verlenen aan een zogeheten haalbaarheidsonderzoek elektronische controle, welk onderzoek dient te worden verricht op het voorgenomen verblijfsadres van de veroordeelde, zijnde het adres van zijn broer”. Daarbij heeft de voorzitter opgemerkt “dat het uiteraard zo zal zijn dat de raadsvrouw op een volgende zitting de ruimte krijgt het standpunt van de veroordeelde te belichten, maar dat in geval van niet-meewerken aan het haalbaarheidsonderzoek de veroordeelde rekening moet houden met een voor hem onwelgevallige beslissing op de vordering van de officier van justitie”.

- Vaststaat dat in de weken erna een aantal terugbelverzoeken van de reclassering [appellant] niet heeft bereikt en dat de broer van [appellant] , na aanvankelijk wegens vakantie niet bereikbaar te zijn geweest, op 14 januari 2015 aan de reclassering heeft laten weten geen medewerking te willen verlenen aan elektronische controle.

- De dag daarop, op 15 januari 2015, heeft [appellant] ter zitting onder meer verklaard zoals hierboven onder 1.10. weergegeven, waarna de rechtbank op 29 januari 2015 de gewraakte beslissing heeft genomen.

7. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het vereiste causaal verband niet is komen vast te staan. Uit de uitspraak van 29 januari 2015 blijkt dat de beslissing om de VI achterwege te laten is gebaseerd op zowel de b-grond, als de d-grond en voorts dat het aannemen van de d-grond niet enkel is gebaseerd op het niet-reageren door [appellant] op de terugbelverzoeken. [appellant] heeft aangevoerd dat de VI nooit geheel zou zijn afgesteld indien alleen sprake was geweest van de b-grond, aangezien die grond reeds bestond aan het begin van de procedure en de aanhouding met het oog op een haalbaarheidsonderzoek dan zinloos zou zijn geweest. Echter, ook indien de bewuste overweging (te weten: “Concluderend…….artikel 15d lid 1 sub b Sr. Bovendien……artikel 15d lid 1 sub d Sr.”) in de uitspraak van 29 januari 2015 zo zou moeten worden gelezen dat de b-grond geen zelfstandig dragende grond was voor de uiteindelijke beslissing, geldt dat deze grond ontegenzeggelijk wel heeft bijgedragen aan die beslissing; de strafrechter heeft de b-grond immers expliciet bij zijn besluitvorming betrokken. Voorts is van belang dat uit de uitspraak van 29 januari 2015 blijkt dat het niet-reageren op de terugbelverzoeken niet de enige reden is geweest om de d-grond aan te nemen. De zaak was aangehouden om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren op het adres van de broer van [appellant] en vaststaat dat de broer van [appellant] heeft laten weten niet bereid te zijn hieraan mee te werken. Dit betekende dat de noodzakelijk geachte elektronische controle niet kon worden uitgevoerd. Bovendien heeft de strafrechter uitdrukkelijk meegewogen dat [appellant] zich niet bereid had verklaard noch getoond om de bijzondere voorwaarden van locatiegebod en contactverbod na te leven, voorwaarden die de strafrechter als niet onredelijk had gekwalificeerd. Tijdens het pleidooi hebben partijen nog gediscussieerd over de samenhang tussen een locatiegebod en elektronisch toezicht en heeft [appellant] betoogd dat de zin over het locatiegebod moet worden bezien in de verdere context, omdat ook staat vermeld dat [appellant] bereid was mee te werken aan elektronische controle. Wat daar ook van zij, het laat onverlet dat in elk geval is vastgesteld dat [appellant] niet mee wilde werken aan een contactverbod.

8. Los van het voorgaande geldt dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd wat hij zou hebben gedaan als de terugbelverzoeken wel zouden zijn doorgegeven en hoe de situatie dan wezenlijk zou zijn veranderd. In dit verband is het volgende van belang.

8.1.

Uit de verklaring van [appellant] ter comparitie in eerste aanleg begrijpt het hof dat [appellant] stelt dat als hij contact zou hebben gehad met de reclassering, hij vervolgens contact had kunnen opnemen met zijn broer en dat dan zou zijn gebleken dat zijn broer was overvallen door het telefoontje van de reclassering. Het zou voor zijn broer als leek moeilijk zijn geweest in te schatten wat het haalbaarheidsonderzoek inhield. Ook heeft [appellant] ter comparitie verklaard dat hij tegen zijn broer had kunnen zeggen dat hij “ja en amen” tegen de reclassering moest zeggen omdat hij na zijn invrijheidsstelling zelfstandige woonruimte zou kunnen vinden. Deze stellingen zijn echter niet te rijmen met het feit dat [appellant] tijdens de zitting van de strafkamer van de rechtbank van 15 januari 2015 zelf heeft verklaard: “Ik heb alle voorwaarden en regels samen met mijn broer geëvalueerd en besproken en ik en mijn broer geven dus geen toestemming”.

Ten overvloede merkt het hof in dit verband op dat [appellant] al ruim voordat de zaak voor de laatste maal in december 2014 werd aangehouden, wist dat zijn broer niet wilde meewerken. De Staat heeft al ter comparitie in eerste aanleg terecht gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van gedetineerden bij de terugkeer naar de maatschappij. [appellant] heeft tijdens het pleidooi opgemerkt dat het gedetineerden maar zelden wordt toegestaan te bellen, maar wat daar ook van zij, [appellant] heeft het in de meer dan een maand durende periode van aanhouding kennelijk niet nodig gevonden eigener beweging zijn broer en/of de reclassering te bellen of daartoe zelfs maar pogingen te ondernemen.

8.2.

[appellant] heeft ook nog aangevoerd dat als hij de reclassering zou hebben teruggebeld en aan hem zou zijn verteld dat zijn broer niet wilde meewerken, hij een ander adres had kunnen noemen, bijvoorbeeld dat van zijn zus. Ook dit overtuigt niet. Zoals hierboven al is overwogen was de weigerachtige houding van zijn broer al langer bekend, maar [appellant] heeft daarin nooit eerder aanleiding gezien een ander concreet verblijfadres te noemen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 4 december 2014 blijkt dat het belang van een concreet verblijfadres wel expliciet is besproken. Daarbij komt dat de strafrechter uitdrukkelijk heeft laten weten dat de zaak een laatste maal werd aangehouden om [appellant] “nog éénmaal” in de gelegenheid te stellen mee te werken aan een haalbaarheidsonderzoek. Het hof acht het niet aannemelijk dat de strafrechter bereid was geweest om de zaak op 15 januari 2015 toch nog een keer aan te houden, ditmaal met het oog op een haalbaarheidsonderzoek bij de zus van [appellant] , dit alles nog daargelaten dat geen begin van bewijs is geleverd dat de zus wel wilde meewerken.

9. De conclusie luidt dat het appel geen succes heeft en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in appel worden veroordeeld. Conform de vordering van de Staat zal het hof bepalen dat de aan de Staat te betalen proceskosten dienen te worden vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest. Voorts zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door de Staat is gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 30 augustus 2017;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.952,- voor griffierecht en € 5.877,- voor salaris van de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van dit arrest, dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen tot aan de dag van voldoening;

- verklaart deze procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, H.J.M. Burg en H.C. Grootveld en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018, in aanwezigheid van de griffier.