Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3157

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
200.247.617/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende aannemelijk dat appellante te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden; gestelde bemoeienis van ex-partner doet niet af aan eigen verantwoordelijkheid van appellante; psychosociale problematiek; afwijzing beroep op de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.247.617/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/556725 / FT EA 18/1329

arrest van 20 november 2018

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam.

Het geding

Bij verzoekschrift (met productie), ingekomen ter griffie van het hof op 10 oktober 2018, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 24 oktober 2018 zijn de processtukken van de eerste aanleg aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2018. Verschenen is: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 14 augustus 2018 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 20.510,54.

2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw).

3. De grieven en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Volgens [appellante] kunnen de CJIB-schulden haar slechts in zeer geringe mate worden verweten, omdat haar ex-partner deze schulden heeft veroorzaakt. Dit geldt eveneens voor de schulden aan de Belastingdienst ter zake van de motorrijtuigenbelasting en de schulden die zouden duiden op overbesteding. Gedurende de relatie droeg de ex-partner van [appellante] zorg voor de financiële administratie, zodat de schulden buiten haar medeweten zijn ontstaan.

Nadat [appellante] de relatie met haar ex-partner had beëindigd, is zij nog lange tijd door haar ex-partner lastiggevallen. Dit heeft geleid tot paniekaanvallen. Ondanks het feit dat de behandeling bij Indigo nog van start moet gaan, meent [appellante] dat zij zich door de hulp en begeleiding van Indigo in maatschappelijk opzicht staande zal kunnen houden. Voor zover er sprake is van psychosociale problemen, zijn deze voldoende beheersbaar.

[appellante] doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. De problematiek rondom de beëindiging van de relatie is inmiddels grotendeels beëindigd. Hieraan verbindt [appellante] de conclusie dat de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, onder controle zijn. Zij heeft daarbij benadrukt dat de paniekaanvallen niet hebben geleid tot nieuwe schulden en ook niet de oorzaak zijn geweest van het ontstaan van haar schulden.

4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend te goeder trouw is geweest als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald zijn gelaten en het gedrag van de schuldenaar zelf (bijvoorbeeld inspanningen om de schulden te voldoen of juist handelingen die het verhaal door schuldeisers hebben gefrustreerd).

5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden. [appellante] heeft een aanzienlijke schuld ter hoogte van € 4.883,94 aan het CJIB. Volgens het overzicht van 27 augustus 2018 van het CJIB bestaat deze schuld uit vijftien WAHV-boetes, die betrekking hebben op drie verschillende kentekens/voertuigen. Dat deze schuld te goeder trouw is ontstaan, is ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk geworden. De stelling van [appellante] dat de schulden het gevolg zijn van overtredingen begaan door haar toenmalige partner, kan haar niet baten. Immers, nu de kentekens van de voertuigen waarmee de overtredingen zijn begaan op haar naam stonden, rustte op haar een eigen verantwoordelijkheid om het ontstaan van boetes door verkeersovertredingen tegen te gaan, hetgeen zij (kennelijk) heeft nagelaten. Datzelfde geldt voor de schuld van € 585,46 aan PB Tankcollect, die betrekking heeft op het onbetaald meenemen van brandstof. Het bestaan en onbetaald laten van deze twee schulden staan in beginsel al aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.

6. Verder is in hoger beroep onweersproken gebleven dat [appellante] een schuld heeft aan de Belastingdienst van in totaal € 1.215,-, waarvan een bedrag van € 594,- betrekking heeft op niet betaalde motorrijtuigenbelasting over de jaren 2016 en 2017 en een bedrag van € 621,- dat ziet op niet betaalde inkomstenbelasting in de periode 2016 en 2017. Schulden aan de Belastingdienst die betrekking hebben op het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van belasting zijn in beginsel niet te goeder trouw ontstaan (artikel 5.4.4 bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken). Dat dit hier anders is of dat [appellante] geen enkel verwijt valt te maken ten aanzien van het ontstaan van deze belastingschuld is niet aannemelijk gemaakt. Ook hier heeft te gelden dat de gestelde bemoeienis van de toenmalige partner van [appellante] met de financiën, niet afdoet aan haar eigen verantwoordelijkheid om de Belastingdienst juist en volledig te informeren en tijdig belasting af te dragen.

7. Uit de schuldenlijst blijkt verder dat [appellante] verschillende schulden heeft die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat het hof schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan [appellante] op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij niet in staat zou zijn om deze te betalen. Te noemen zijn de schulden aan telecombedrijven (totaal € 5.167,19) en Auto Verhuur Nederland (€ 2.823,20). Dat [appellante] met betrekking tot deze schulden evenmin iets valt te verwijten, omdat zij daar niets vanaf zou hebben geweten, acht het hof om de hiervoor genoemde redenen onvoldoende aannemelijk. Daarbij laat het hof nog daar dat onvoldoende is gebleken dat [appellante] niet (mede) heeft geprofiteerd van de uitgaven die tot de desbetreffende schulden hebben geleid. Het hof is dan ook van oordeel dat de genoemde schulden niet te goeder trouw ontstaan zijn en eveneens aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan.

8. Daarnaast is het hof er niet van overtuigd dat de nakoming van de uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is gewaarborgd. Als gevolg van relationele problemen kampt [appellante] , zoals zij ook ter zitting in hoger beroep heeft gesteld, nog steeds met paniekaanvallen. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij hiervoor in behandeling gaat bij Indigo en in november 2018 een intakegesprek heeft.

9. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij de wijziging van de Faillissementswet per 1 januari 2008 is uitgangspunt geweest dat toelating tot de schuldsaneringsregeling is voorbehouden aan schuldenaren die er klaar voor zijn om de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen na te komen. In dit kader wijst het hof ook op de “Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” (bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken), waarin sinds 1 april 2009 de voorheen geldende Recofa-richtlijnen met betrekking tot de toelating van schuldenaren met een verslaving en psychosociale problemen zijn opgenomen. Daarin is het volgende bepaald:

“5.4.3 Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van psychosociale problematiek

Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is.

Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”

De hiervoor omschreven verklaring van een hulpverlener, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de psychosociale problemen van [appellante] al enige tijd beheersbaar zijn, is niet overgelegd. Daar komt bij dat de behandeling van de psychosociale problemen van [appellante] nog van start moet gaan. Niet aannemelijk is dus geworden dat de problematiek van [appellante] beheersbaar is en dat zij op dit moment al in staat is de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen. De eigen verklaring van [appellante] dat haar situatie voldoende stabiel is, omdat zij – kort samengevat – een moeilijke tijd achter de rug heeft, maar de paniekaanvallen niet de oorzaak zijn van het ontstaan van de schulden en dat zij recent ook geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan, geeft onvoldoende reden voor een ander oordeel.

10. Toelating tot de schuldsaneringsregeling in dit stadium zou daarom het reële risico inhouden dat de regeling voortijdig dan wel zonder schone lei beëindigd zal worden, waarna – gelet op het bepaalde in artikel 288 lid aanhef en sub d Fw – een nieuwe mogelijkheid voor toepassing van de regeling voor een periode van tien jaar uitgesloten is. Het hof hecht eraan toe te voegen dat [appellante] ter zitting de indruk heeft gegeven dat zij op de goede weg is en het hof hoopt dat [appellante] deze lijn zal kunnen vasthouden, zodat een nieuw verzoek – vergezeld van een duidelijke en overtuigende verklaring van een hulpverlener als hierboven genoemd – in de toekomst meer kans van slagen heeft.

11. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule afwijzen, nu voor de toepassing van de hardheidsclausule geen ruimte is gelet op artikel 288, lid 1 aanhef en onder c in combinatie met lid 3 Fw.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2018.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Sturm, D.A. Schreuder en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.