Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3142

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
00630-18
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Herhaald wrakingsverzoek om procedurele beslissing (weigering uitstel); kennelijk ongegrond; misbruik recht; wrakingsverbod; verzoek afgedaan buiten zitting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-11-2018
V-N Vandaag 2018/2595
FutD 2018-3177
V-N 2019/9.24 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/2865
NLF 2019/0078 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 000630-18
Rolnummer hoofdzaak : BK-17/00717 t/m BK-17/00722

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 13 november 2018

inzake het verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de hoofdzaak met genoemd rolnummer van:

[X]

wonende te [Z] ,
verzoeker.

Het geding

1. Op 12 november 2018 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter van de meervoudige belastingkamer in bovengenoemde hoofdzaak. De procedure waarin verzoeker het bovenvermelde wrakingsverzoek heeft gedaan, staat gepland op heden door de meervoudige belastingkamer van het Hof te worden behandeld. Zitting zullen hebben mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. E.M. Vrouwenvelder en mr. P.J.J. Vonk, raadsheren.

2. Bij schriftelijke reactie van 13 november 2018 heeft de genoemde voorzitter meegedeeld niet te berusten in het verzoek tot wraking.

Het wrakingsverzoek

3. Verzoeker heeft aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat in de onderliggende procedures een op 5 november 2018 schriftelijk verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van 13 november 2018 per brief van 7 november 2018 is afgewezen. Aan het uitstelverzoek lag ten grondslag dat belanghebbende in afwachting is van een uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van een door verzoeker ingediend herzieningsverzoek inzake een andere uitspraak van het Hof, alwaar de gewraakte voorzitter tevens onderdeel uitmaakte van de samenstelling van de meervoudige kamer. Hierbij heeft verzoeker aangevoerd dat het bij de Hoge Raad voorliggende verzoek betrekking heeft op een vergelijkbaar juridisch geschil als in de onderhavige hoofdzaak en de uitspraak van de Hoge Raad wordt verwacht op 16 november 2018.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

4. Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken.

5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1331).

6. De wrakingskamer stelt voorop dat de afwijzing van een verzoek om een extra termijn tot uitstel van een mondelinge behandeling moet worden aangemerkt als een processuele beslissing. Voor dergelijke beslissingen geldt dat onvrede over de genomen beslissing op zichzelf onvoldoende grond is voor wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat het Hof jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden.

7. Verzoeker heeft inzake een eerder geplande mondelinge behandeling van de hoofdzaak de gehele meervoudige kamer gewraakt. Dit wrakingsverzoek had eveneens betrekking op het niet verkrijgen van uitstel. In de uitspraak van 17 mei 2018 heeft de wrakingskamer overwogen dat het afwijzen van uitstel is aan te merken als een procedurele beslissing en dat voor een dergelijke beslissing geldt dat onvrede met de beslissing onvoldoende grond is voor wraking. Het onderhavige wrakingsverzoek betreft wederom het niet honoreren van een uitstelverzoek. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond en levert tevens misbruik van de in artikel 8:18 Awb gegeven bevoegdheid op om een rechter te wraken, omdat dit verzoek uitsluitend als doel kan hebben een vertraging te bewerkstelligen van de vastgestelde behandeling van de hoofdzaak.

8. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en afgewezen dient te worden.

9. De wrakingskamer ziet in dit misbruik aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid van artikel 8:18, vierde lid, Awb, en te bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen.

Beslissing


Het Hof

- wijst het verzoek tot wraking af, en,

- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven op 13 november 2018 door mrs. M.J. van der Ven, mr. M.Y. Bonneur en mr. I. Obbink-Reijngoud, in aanwezigheid van de griffier mr. J. de Vormer.