Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3108

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
200.224.435/01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2017:867
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:734, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:736, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoofdovereenkomst en een of meer vervolgovereenkomsten tot aanschaf sterrenwacht door particulier die lijdt aan Sturge-Webersyndroom. Beroep op misbruik van omstandigheden slaagt. Aan kenbaarheidsvereiste is vanaf de hoofovereenkomst voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.224.435/01

Zaaknummer Hoge Raad: 16/02182
Zaaknummer Hof Amsterdam: 200.157.110/01

Zaak/-rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/537698/HA ZA 13-273

arrest van 6 november 2018

inzake

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellante] c.s. en afzonderlijk [appellant] en [appellante] ,

advocaat van [appellant] : mr. N.C. van Steijn te Leiden,
advocaat van [appellante] : mr. A.H. Vermeulen te Den Haag,

tegen

1 [bewindvoerder 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [bewindvoerder 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
beiden in hun hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[geïntimeerde],
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: de bewindvoerders,
advocaat: mr. B.J. den Hartog te Amsterdam.

1 Het geding

1.1.

Bij exploten van 15 september 2017 heeft [appellante] de bewindvoerders en [appellant] opgeroepen voort te procederen bij dit hof, nadat de Hoge Raad bij arrest van 12 mei 2017 het in de onderhavige zaak gewezen arrest van het hof Amsterdam van 19 januari 2016 had vernietigd. [appellante] en [appellant] hebben op 19 december 2017 ieder afzonderlijk een memorie na verwijzing ingediend. De bewindvoerders hebben op 27 februari 2018 een memorie van antwoord na cassatie en verwijzing (met één productie) ingediend. Op 25 september 2018 is een pleidooi gehouden. Ten pleidooie hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, allen aan de hand pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is een datum voor arrest bepaald.

2 Beoordeling
de feiten

2.1.

[appellante] is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als de eigenaar van een eenmanszaak onder de naam [A] . De activiteiten van [A] zijn in het handelsregister omschreven als winkel in optische artikelen en audio- en videoapparatuur, kleinhandel in telescopen (sterrenkijkers), CCD-camera’s en aanverwante accessoires en audioapparatuur.

2.2.

[appellant] was destijds de levenspartner van [appellante] en degene die de onderneming [A] feitelijk dreef.

2.3.

[geïntimeerde] lijdt sedert zijn geboorte aan het Sturge-Webersyndroom. Dit syndroom wordt in zijn geval uiterlijk gekenmerkt door een wijnvlek. Daarnaast heeft het syndroom bij hem geleid tot cognitieve, visuele en motorische beperkingen.

2.4.

Bij beschikking van de kantonrechter van 15 maart 2013 zijn de goederen van [geïntimeerde] onder bewind gesteld, met benoeming van de bewindvoerders als zodanig. De beschikking houdt onder meer in dat aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] “als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.”

2.5.

[geïntimeerde] is geïnteresseerd in sterrenkunde. Tussen 11 augustus 2006 en 14 januari 2010 heeft [A] aan [geïntimeerde] ten minste 23 facturen gestuurd die onder meer betrekking hebben op (aanbetalingen voor) de levering van een sterrenwacht, astronomische en computerapparatuur en accessoires, tot een bedrag van € 213.938,08.

2.6.

Vanaf april 2006 heeft [geïntimeerde] per bankoverschrijving of pinbetaling bedragen betaald aan [A] tot in ieder geval € 228.445. Daarnaast heeft hij in ieder geval € 7.030 in contanten aan [A] betaald.
de voorgaande instanties

2.7.

In eerste aanleg vorderden de bewindvoerders onder meer vernietiging van de door [geïntimeerde] met [appellante] c.s. gesloten overeenkomst op grond van misbruik van omstandigheden. Zij hebben daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat [appellante] c.s. wisten of hadden moeten begrijpen dat [geïntimeerde] onder meer door zijn abnormale geestelijke toestand werd bewogen tot het aangaan van de overeenkomst. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Voor zover voor deze verwijzingsprocedure nog van belang, heeft het hof Amsterdam het volgende overwogen:

6.3. Door [appellante] c.s. is allereerst en voor alle grieven aangevoerd dat er geen sprake is geweest van één overeenkomst, doch van een overeenkomst (de hoofdovereenkomst) en één of meer vervolgovereenkomsten. De hoofdovereenkomst is tussen 2006 en 2008 tot stand gekomen en uitgevoerd. Nu meer dan 5 jaar voorafgaand aan de dagvaarding en de daaraan voorafgaande brieven van [geïntimeerde] en zijn advocaat is verlopen, is de vordering verjaard. De rechtbank had de bewindvoerders dan ook hoogstens ontvankelijk kunnen verklaren in hun vorderingen ter zake de vervolgovereenkomst(en) voor zover die binnen de verjaringstermijn van 5 jaar vallen.

Het beroep op verjaring faalt. Bij memorie van antwoord hebben de bewindvoerders er terecht op gewezen dat een beroep op verjaring kennelijk slechts ziet op het niet dan wel niet deugdelijk nakomen van de overeenkomst(en) (en niet op de gestelde misbruik van omstandigheden), doch dat die grondslag (nog) niet is beoordeeld. Voor zover die grondslag niettemin aan de orde zou zijn, is de verjaring echter tijdig gestuit door brieven van [geïntimeerde] en diens advocaat, aldus de bewindvoerders. Op dit verweer is door [appellante] c.s. in het geheel niet meer teruggekomen, zodat het hof van de juistheid van het verweer uitgaat.”

2.8.

Het hof Amsterdam heeft het beroep op misbruik van omstandigheden – net als de rechtbank – geslaagd geacht. Daartoe heeft het geoordeeld dat bij [geïntimeerde] sprake is van een abnormale geestestoestand in de vorm van een ziekte die zijn beoordelingsvermogen aantast. In dat verband heeft het hof Amsterdam overwogen dat [geïntimeerde] in de rapporten die in de loop van de tijd in verband met zijn functioneren zijn opgesteld is omschreven als een persoon met infantiele trekken, die meervoudig gehandicapt is, onder meer in verband met een lichte motorische stoornis, en behept met een karakterstructuur die is gericht op zeer rechtlijnig handelen en met te weinig capaciteiten voor redelijke hoofdarbeid; [geïntimeerde] is na het volgen van bijzonder onderwijs steeds aangewezen geweest op werken in beschut verband op een tamelijk laag niveau (r.o. 6.4.1 arrest). Verder heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat er causaal verband bestaat tussen deze bijzondere geestestoestand en het aankopen van een sterrenwacht en verdere (rand)apparatuur: gezien de aard, de omvang en het tempo van de investeringen is er een wanverhouding ontstaan tussen de bij [geïntimeerde] veronderstelde kennis en kunde enerzijds en de verregaande technische mogelijkheden van deze apparatuur en de daaraan verbonden kosten anderzijds. Deze kan alleen maar verklaard worden door een gebrek aan voldoende besef van de reikwijdte van zijn handelen (r.o. 6.4.2 arrest).

2.9.

Met betrekking tot het vereiste van de kenbaarheid en het misbruik van de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] heeft het hof Amsterdam vastgesteld dat [geïntimeerde] in een relatief korte periode van oktober 2006 tot en met januari 2010 een grote hoeveelheid astronomische instrumenten heeft gekocht en daartoe ten minste een bedrag van € 235.475 heeft betaald. [appellante] c.s. hadden in het licht van dit exuberante koopgedrag waarmee zij in de loop der jaren werden geconfronteerd, [geïntimeerde] ervan dienen te weerhouden om zulke grote hoeveelheden apparatuur aan te kopen (r.o. 6.4.3).

2.10.

Bij arrest van 12 mei 2017 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing, een en ander met veroordeling van de bewindvoerders in de proceskosten van het geding in cassatie. Met betrekking tot onderdeel 2, dat gericht was tegen de rechtsoverwegingen 6.4.1-6.4.3 van het arrest, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

3.3.1. (…) Onderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel van het hof impliceert dat al bij de eerste transactie in augustus 2006 voor [appellante] c.s. kenbaar was dat [geïntimeerde] lijdt aan een ziekte die zijn beoordelingsvermogen aantast. Volgens het onderdeel vindt dit oordeel geen steun in de gedingstukken omdat de bewindvoerders daaromtrent niets hebben gesteld. Onderdeel 2.2 betoogt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof niet heeft gemotiveerd waarom al vanaf de eerste transactie voor [appellante] c.s. kenbaar had moeten zijn dat [geïntimeerde] lijdt aan bedoelde ziekte.

3.3.2

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling ervan wordt vooropgesteld dat [appellante] c.s. in hoger beroep hebben aangevoerd dat niet sprake was van één overeenkomst, maar van een hoofdovereenkomst en één of meer vervolgovereenkomsten (rov. 6.3). Ook het hof is blijkens rov. 6.4.4 ervan uitgegaan dat tussen [geïntimeerde] en [appellante] c.s. meer dan één overeenkomst is gesloten. Het oordeel van het hof dat de gevorderde vernietiging toewijsbaar is ten aanzien van alle overeenkomsten tussen [geïntimeerde] en [appellante] c.s., impliceert dat het hof van oordeel is dat de geestestoestand van [geïntimeerde] reeds bij het aangaan van de eerste overeenkomst in 2006 voor [appellante] c.s. kenbaar was of had moeten zijn. Zonder nadere motivering is echter niet duidelijk waarom die geestestoestand reeds op dat moment voor [appellante] c.s. kenbaar was of had moeten zijn. De onderdelen slagen derhalve.”

2.11.

De andere klachten, die onder meer betrekking hadden op de wijze waarop het hof Amsterdam het verjaringsberoep heeft uitgelegd (r.o. 6.3 van het arrest), zijn met toepassing van artikel 81 lid 1 RO verworpen.
de vordering in de procedure na verwijzing

2.12.

[appellante] en [appellant] hebben in afzonderlijke memories na verwijzing gevorderd dat de vorderingen van de bewindvoerders worden afgewezen – waarbij de vordering [appellant] bovendien expliciet strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank –, met veroordeling van de bewindvoerders in de proceskosten in beide instanties.
de verdere beoordeling

2.13.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge art. 424 Rv dient de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen, en is gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden. Dit laat echter onverlet dat partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden, en dat de rechter die na verwijzing over de zaak oordeelt, de hiervoor bedoelde (wijziging van) feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken (vergelijk recent HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1216). Tegen de achtergrond hiervan zullen de grieven verder worden beoordeeld.

2.14.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de bewindvoerders zich met succes kunnen beroepen op de vernietigingsgrond als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW, te weten misbruik van omstandigheden, bij het sluiten van de overeenkomsten tot aanschaf van een sterrenwacht, astronomische en computerapparatuur en accessoires. Het hof stelt vast dat in cassatie uitsluitend de (motiverings)klacht tegen het oordeel van het hof over het kenbaarheidsvereiste gegrond is geoordeeld. Dit betekent dat het bestaan van de bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW – te weten de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] in de vorm van een ziekte die zijn beoordelingsvermogen aantast – een gegeven is. Ook staat het causaal verband tussen deze abnormale geestestoestand en het aankopen van een sterrenwacht en verdere (rand)apparatuur vast. Verder is niet langer voorwerp van geschil of het voor [appellante] c.s. op enig moment kenbaar was of had moeten zijn dat [geïntimeerde] aan een ziekte lijdt die zijn beoordelingsvermogen aantast (zie de cassatiedagvaarding onder 2.1 in samenhang met de overwegingen onder 3.3.1 en 3.3.2 van het arrest van de Hoge Raad); het gaat er uitsluitend om vanaf welk moment de geestestoestand van [geïntimeerde] voor [appellante] c.s. kenbaar was of had moeten zijn.

2.15.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat het hof er – in navolging van de eigen stelling van [appellante] c.s. die ook in cassatie als uitgangspunt is genomen – vanuit dat er geen sprake is van één overeenkomst, maar van een hoofdovereenkomst en één of meer vervolgovereenkomsten. De vraag vanaf welk moment – dus bij het sluiten van welke overeenkomst – aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De voor deze zaak relevante omstandigheden worden hierna besproken. Daarbij merkt het hof ter inleiding op dat het er feitelijk om gaat wanneer de geestestoestand van [geïntimeerde] voor [appellant] kenbaar was of had moeten zijn. Hij is immers degene geweest die namens [A] alle contacten met [geïntimeerde] heeft gehad.

2.16.

Allereerst kan uit de stellingen van partijen worden afgeleid dat [appellant] en [geïntimeerde] elkaar al ruim voor het sluiten van de (hoofd)overeenkomst in augustus 2006 hebben ontmoet. In de inleidende dagvaarding is daarover (onder IV.1) gesteld dat [geïntimeerde] vanwege zijn lidmaatschap van de KNVWS (de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde) in 2005 in aanraking is gekomen met [appellant] . Op de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij [appellant] al in 2004 heeft ontmoet op een dag van de KNVWS. Deze stellingen zijn onweersproken gebleven, zodat er van moet worden uitgegaan dat [geïntimeerde] elkaar in 2004 of 2005 hebben leren kennen. Verder maken de door de bewindvoerders overgelegde bankafschriften (productie 6 bij inleidende dagvaarding) duidelijk dat [geïntimeerde] in het voorjaar van 2006 al een of meer transacties met [A] heeft verricht. [geïntimeerde] heeft namelijk de volgende betalingen aan [A] gedaan: € 589 op 24 april 2006, € 1.425 op 25 april 2006, € 285 op 9 mei 2006, € 540 op 16 mei 2006, € 740 op 29 mei 2006, € 1.865 op 28 juni 2006 en € 150 op 29 juni 2006. Nu geen van partijen de daarmee samenhangende facturen heeft overgelegd – als deze al bestaan – kan het hof niet vaststellen om welke aankopen het hierbij gaat. Vastgesteld kan echter worden dat [geïntimeerde] en [A] in de maanden voorafgaand aan het sluiten van de (hoofd)overeenkomst voor de aanschaf van een sterrenwacht al veelvuldig zaken met elkaar hebben gedaan en dat [geïntimeerde] en [appellant] – zoals de bewindvoerders ook hebben gesteld – dus al verschillende keren contact met elkaar hebben gehad voordat [geïntimeerde] tot aanschaf van de sterrenwacht heeft besloten.

2.17.

Voor het antwoord op de vraag vanaf welk moment de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] aan [appellante] c.s. kenbaar was of had moeten zijn komt verder betekenis toe aan de onbestreden stelling van de bewindvoerders dat [A] geen enkele schriftelijke offerte, bouwtekeningen en/of calculatie heeft opgesteld, noch een materiaallijst en planning e.d. (zie dagvaarding in eerste aanleg onder IV.10 en de memorie van antwoord pagina 2). [appellante] c.s. hebben (onder 17 van de conclusie van antwoord) weliswaar gesteld dat de prijsopgaaf mondeling met [geïntimeerde] is besproken, maar deze stelling is betwist door de bewindvoerders en niet nader geconcretiseerd; zo is niet toegelicht voor welke overeenkomsten en bij welke gelegenheid de beweerde opgaaf is verschaft en wat de inhoud daarvan was. Belangrijker is evenwel dat in beginsel niet goed voorstelbaar is dat een gemiddelde consument, ook met de kennis en ervaring vergelijkbaar met die van [geïntimeerde] , zou besluiten tot de uitvoering van een project (de sterrenwacht) met een omvang en prijs als de onderhavige, waarbij bovendien een bouwwerk van 2 bij 2 meter in de tuin zou worden geplaatst, zonder een voorafgaande schriftelijke offerte, calculatie, bouwtekeningen en/of andere relevante documentatie. [appellante] c.s. hebben – afgezien van de al besproken stelling dat de prijsopgaaf wel mondeling met [geïntimeerde] is besproken – ook geen enkele verklaring gegeven voor het feit dat er voorafgaand aan het sluiten van de hoofdovereenkomst (of de vervolgovereenkomsten) niets op papier is gesteld. Deze gang van zaken is naar het oordeel van het hof dermate ongebruikelijk dat het duidelijk moet zijn geweest aan [appellante] c.s. dat zij bij het sluiten van de (hoofd)overeenkomst te maken hadden met een (wel zeer) makkelijk te beïnvloeden partij die volledig vertrouwde op (uitsluitend) mondelinge mededelingen van de kant van de verkoper.

2.18.

Het hof acht verder het volgende van belang. [appellante] c.s. hebben in reactie op de stelling van de bewindvoerders dat [geïntimeerde] verschillende betalingen contant heeft betaald erkend dat in elk geval de factuur van 11 augustus 2006 van € 5.950 – de eerste factuur die betrekking heeft op de aankoop van de sterrenwacht – is voldaan door twee contante betalingen van € 1.500 en € 4.450. Deze bedragen zijn door [geïntimeerde] via bankopnames opgenomen op respectievelijk 21 juli 2006 en 18 augustus 2006. [appellante] c.s. spreken in dit verband weliswaar over facturen “van 13 en 18 augustus 2006” met een factuurbedrag van € 1.500 en € 4.450, maar het moet ervoor worden gehouden dat het hierbij gaat om de factuur van 11 augustus 2006. Niet gesteld of gebleken is immers dat er facturen van 13 en 18 augustus 2006 bestaan. Bovendien is op de factuur van 11 augustus 2006 een aanbetaling van € 1.500 vermeld, welk bedrag overeenkomt met de contante betaling van € 1.500. Dit laatste bedrag – zo leidt het hof af uit de datum van opname daarvan (21 juli 2006), de factuurdatum van 11 augustus 2006 en de vermelding op de factuur – heeft [geïntimeerde] dus al betaald voordat hij enige factuur (althans offerte) heeft ontvangen. Ook voor deze (ongebruikelijke) gang van zaken hebben [appellante] c.s. geen verklaring gegeven.

2.19.

Bij dit alles moet niet uit het oog worden verloren dat, zoals gezegd, de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] vaststaat. Het hof Amsterdam heeft in dit verband nog overwogen dat [geïntimeerde] in de rapporten die in de loop van de tijd in verband met zijn functioneren zijn opgesteld is omschreven als een persoon met infantiele trekken, die meervoudig gehandicapt is, onder meer in verband met een lichte motorische stoornis, en behept met een karakterstructuur die is gericht op zeer rechtlijnig handelen en met te weinig capaciteiten voor redelijke hoofdarbeid; [geïntimeerde] is na het volgen van bijzonder onderwijs steeds aangewezen geweest op werken in beschut verband op een tamelijk laag niveau (r.o. 6.4.1 arrest). De door het hof Amsterdam gegeven omschrijving van de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] heeft ook in deze verwijzingsprocedure als uitgangspunt te gelden. Deze omschrijving maakt bovendien duidelijk dat het Sturge-Webersyndroom in elk geval in enige mate zichtbaar was voor derden.

2.20.

Het voorgaande maakt duidelijk dat al geruime tijd voor augustus 2006 tussen [geïntimeerde] en [appellant] contacten bestonden c.q. transacties zijn aangegaan, van meet af een schriftelijke calculatie, offerte en bouwtekeningen e.d. met betrekking tot de bouw van de sterrenwacht in de tuin hebben ontbroken en dat een bedrag van € 1.500 is aanbetaald voorafgaand aan de factuur van 11 augustus 2006. In het licht van deze omstandigheden en gegeven de hiervoor geschetste geestestoestand van [geïntimeerde] die zich in elk geval ook in enige mate uitte in een ongewone karakterstructuur, waarbij met name de motorische beperkingen, de infantiele trekken en het zeer rechtlijnige handelen in het oog springen, komt het hof tot de conclusie dat al vanaf het moment van het sluiten van de (hoofd)overeenkomst in augustus 2006 voor [appellante] c.s. de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] kenbaar was of had moeten zijn.

2.21.

Aan dit oordeel doet niet af dat [geïntimeerde] zelfstandig leefde; die enkele omstandigheid toont immers niet aan dat de bij [geïntimeerde] bestaande abnormale geestestoestand niet voor derden kenbaar was of kon zijn. Datzelfde geldt voor het (actieve) lidmaatschap van [geïntimeerde] bij de KNVWS en zijn ervaring met sterrenkunde. Het betoog dat de omvang van de beperkingen ook voor de familie niet kenbaar was omdat deze niet ingreep toen zij kennisnam van de aanschaf van de sterrenwacht, kan het hof niet volgen. Nog daargelaten dat [geïntimeerde] bijzonder onderwijs heeft genoten en altijd op een laag niveau heeft gewerkt, hetgeen ongetwijfeld bekend was binnen de familie, heeft de bewindvoerder [bewindvoerder 2] in hoger beroep verklaard dat de familie geen notie had van de omvangrijke kosten die met het project gemoeid waren: naar haar zeggen veronderstelde de familie dat de aanschaf van de sterrenwacht ongeveer € 10.000 zou kosten. De juistheid hiervan is niet door [appellante] c.s. bestreden zodat daarvan moet worden uitgegaan. Aan het achterwege blijven van een onmiddellijk ingrijpen door de familie kan dus niet de conclusie worden verbonden die [appellante] c.s. hebben verdedigd.

2.22.

Het hof volgt [appellant] niet in het bij de memorie na verwijzing ingenomen standpunt dat het bestaan van de kenbaarheid ten aanzien van iedere afzonderlijke overeenkomst moet worden gesteld (en bewezen) door de bewindvoerders. Nu is aangenomen dat de kenbaarheid ten aanzien van de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] bij [appellante] c.s. al bij de totstandkoming van de bedoelde hoofdovereenkomst van augustus 2006 bestond, is deze vanzelfsprekend ook bij het sluiten van de daarop volgende overeenkomsten aanwezig geweest.

2.23.

Het hof Amsterdam heeft ten slotte geoordeeld dat ook aan het laatste vereiste, het bestaan van het misbruik van de bijzondere omstandigheden, is voldaan. Nu dit oordeel geen afzonderlijk onderwerp van het cassatieberoep vormde, moet in deze verwijzingsprocedure worden aangenomen dat [appellante] c.s. bij alle overeenkomsten misbruik van de abnormale geestestoestand van [geïntimeerde] hebben gemaakt.

2.24.

[appellante] c.s. hebben onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP8991) aangevoerd dat in deze verwijzingsprocedure nog ruimte is voor de beoordeling van het verjaringsberoep dat in hoger beroep is gedaan. Dit betoog kan niet slagen. De in dat arrest geformuleerde regel betekent slechts dat partijen in een verwijzingsprocedure hun eerder betrokken stellingen – binnen de grenzen van het partijdebat – nader mogen preciseren. Die situatie doet zich hier niet voor. Het in hoger beroep door [appellante] gevoerde verjaringsverweer is door het hof Amsterdam aldus uitgelegd dat het alleen betrekking heeft op de primaire grondslag van de vordering, te weten een ondeugdelijke nakoming van de overeenkomsten. De tegen dit oordeel in cassatie gerichte klacht is verworpen. Daarmee staat de juistheid van de door het hof Amsterdam aan het verjaringsberoep gegeven uitleg in deze verwijzingsprocedure vast. Met het in de verwijzingsprocedure gevoerde betoog dat het verjaringsberoep ook betrekking heeft op de vordering, die is gestoeld op misbruik van omstandigheden, hebben [appellante] hun eerdere standpunt niet nader gepreciseerd maar roepen zij een ander verjaringsberoep in dan in de appelprocedure aan de orde was. Voor een nieuw verjaringsberoep is echter geen ruimte in deze verwijzingsprocedure.

2.25.

[appellante] heeft in deze verwijzingsprocedure nog betoogd dat zij zelf nooit contact heeft gehad met [geïntimeerde] en dat zij daarom niet aansprakelijkheid kan zijn voor de handelingen van [appellant] . Ook dit betoog kan niet slagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] als eigenaar van [A] als de wederpartij van [geïntimeerde] bij de overeenkomsten is aan te merken. Op die grond is het beroep op de vernietiging van de overeenkomsten jegens [appellante] toegewezen. Dit oordeel, waartegen niet is gegriefd, is in hoger beroep gehandhaafd (waartegen geen cassatie is ingesteld). Ook hiervoor geldt dat het voeren van een nieuw verweer in de verwijzingsprocedure zich niet verdraagt met de in de hiervoor genoemde rechtspraak geformuleerde uitgangspunten.

2.26.

De bewijsaanbiedingen over en weer worden gepasseerd, aangezien geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die – indien bewezen – kunnen leiden tot een andere beslissing.

2.27.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de bewindvoerders met succes de vernietiging van de overeenkomsten kunnen inroepen en dat de tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam gerichte grieven falen. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. [appellante] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de verwijzingsprocedure worden veroordeeld. Het verzoek van de bewindvoerders om [appellante] c.s. ook te veroordelen in de kosten van cassatie-advies en advies ten behoeve van de verwijzingsprocedure mist een wettelijke grondslag en is ook overigens onvoldoende onderbouwd. Het verzoek zal daarom niet worden ingewilligd.

Beslissing

Het hof:

 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2014;

 veroordeelt [appellante] c.s. in de proceskosten van deze verwijzingsprocedure, aan de zijde van de bewindvoerders tot op heden begroot op € 11.757 (3 punten volgens tarief VI), aan salaris voor de advocaat en op € 157 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Aarts, P.M. Verbeek en B.R. ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.