Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3104

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
22-000983-18
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:395, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 dagen, waarvan 7 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000983-18

Parketnummer: 96-238287-17

Datum uitspraak: 21 september 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1976,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 september 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, waarvan vierentwintig uren, subsidiair twaalf dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van eenennegentig dagen met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 27 november 2017 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen waarvan dertien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van zesenvijftig uren, subsidiair achtentwintig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van eenennegentig dagen met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 27 november 2017 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep –op gronden als vermeld in de overgelegde pleitaan-tekeningen- op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat de verdachte artikel 163 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 niet heeft overtreden, omdat er geen sprake is geweest van een bevel tot medewerking aan de ademanalyse, nu de ademanalyse blijkens het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2017336993-4 d.d. 27 november 2017 slechts is gevorderd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er weliswaar geen voltooid resultaat is verkregen maar dat de verdachte wel heeft voldaan aan de verplichting om ademlucht te blazen in het apparaat en dat de wet het vereiste niet kent om voldoende lucht in het apparaat te blazen. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte wel degelijk de aanwijzingen van de verbalisanten heeft opgevolgd maar dat de aanwijzingen vaag waren nu hem niet is verteld hoe hard en hoe lang hij moest blazen. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte om medische redenen niet kon voldoen aan de instructies en dat aan hem op grond van het vierde lid van artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 een bloedonderzoek had moeten worden aangeboden. Om bovengenoemde redenen dient – aldus de raadsman – vrijspraak te volgen.

Het hof verwerpt het verweer.

In het kruisjesformulier staat vermeld dat aan de verdachte een bevel is gegeven. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 november 2017 is vermeld dat aan de verdachte een vordering is gegeven. Welke van de twee termen precies is gebruikt, is van ondergeschikt belang nu een vordering dan wel een bevel van een opsporings-ambtenaar aan een verdachte van vergelijkbaar gewicht is (vergelijk ook de strafbaarstelling van artikel 184 Sr). Hoe dan ook moet het de verdachte duidelijk zijn geweest dat aan hem op dat moment door de opsporingsambtenaar geen vrijblijvend verzoek tot medewerking is gedaan. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 november 2017 zonneklaar dat aan de verdachte goed is uitgelegd wat van hem verwacht werd maar dat de verdachte noch op adequate wijze in het apparaat heeft geblazen, noch de klip en klare aanwijzingen tot doorblazen tot er een geldig resultaat zou zijn verkregen, heeft opgevolgd. Naar het oordeel van het hof staat vast dat door toedoen van de verdachte de ademanalyse niet is voltooid. In het weglopen uit de ruimte van de ademanalyse door de verdachte en zijn opmerking ‘Vorder dan maar mijn rijbewijs in, ik ga niet meer blazen. Ik weiger’, ligt tevens besloten dat hij ook niet heeft willen voldoen aan de verplichting tot medewerking van het ademonderzoek.

Ten aanzien van de door en namens de verdachte aangevoerde medische toestand van de verdachte die ten grondslag aan de blaasproblemen zou hebben gelegen en die aanleiding had moeten geven tot een bloedonderzoek, is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte op enig moment op het politiebureau op duidelijke en ondubbelzinnige wijze kenbaar heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere geneeskundige reden (longproblemen) op grond waarvan hij de medewerking aan de ademanalyse mocht weigeren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een ademonderzoek en aldus verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, sprake was geweest van alcoholgebruik en in welke mate hij (eventueel) de verkeersveiligheid in gevaar had gebracht.

Het hof gaat bij de bepaling van de strafmaat uit van de oriëntatiepunten voor straftoemeting die ontwikkeld zijn door het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht).

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een alcoholverkeers-misdrijf. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Daarnaast is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

7 (zeven) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. T.B. Trotman,

mr. O.E.M. Leinarts en mr. J.J.H.M. van Gennip,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 september 2018.

Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat dit arrest te ondertekenen.