Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3077

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
BK-18/00329 tot en met BK-18/00331
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14805, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende worden over de jaren 2010-2011 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd in verband met het ten onrechte aanmerken van een woning als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 (eigen woning). De Inspecteur baseert zich op informatie welke via een artikel 55 Awr-verzoek van het Openbaar Ministerie is verkregen. Het Hof oordeelt dat van een “fishing expedition” geen sprake is en dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de woning haar of personen die behoorden tot haar huishouden in de jaren 2011 en 2012 niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond. Het hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-11-2018
V-N Vandaag 2018/2485
FutD 2018-3045
V-N 2019/4.1.2
NTFR 2019/1259
NLF 2018/2472 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-18/00329 tot en met BK-18/00331

Uitspraak van 7 november 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J . J . Warnawa)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: R.G.A. de Jong en K.H. Kippersluis)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 december 2017, nummers SGR 17/4177, SGR 17/4178 en SGR 17/4179, betreffende na te vermelden aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een navorderingaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 366.252 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.095, met inachtneming van een heffingskorting van € 3.420. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 4.967 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 15.619 opgelegd.

1.1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.667, met inachtneming van een heffingskorting van € 3.484. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 4.324 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 16.365 opgelegd.

1.1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 96.947, met inachtneming van een heffingskorting van € 3.566. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 2.785 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 14.548 opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur is bij uitspraak op bezwaar aan de bezwaren tegemoet gekomen in zoverre dat bij alle aanslagen een hoger bedrag aan heffingskorting in aanmerking is genomen, in die zin dat rekening is gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de (aanvullende) alleenstaande ouderenkorting. De beschikkingen betreffende de heffingsrente/belastingrente en vergrijpboetes zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen voor zover die zien op de boetebeschikkingen gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de boetebeschikkingen vernietigd, de boetebeschikkingen vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 990 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier eenmaal een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 15 augustus 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

De Rechtbank heeft het volgende vastgesteld.

“1. [Belanghebbende] heeft samen met [A] (hierna: [A] ) drie kinderen. Op 14 augustus 2009 heeft zij voor € 1.350.000 een woning (de woning) gekocht aan de [Y] te [Z] . Van 7 september 2009 tot 28 april 2010 en van 14 april 2011 tot 1 januari 2015 heeft zij op dit adres ingeschreven gestaan in de Gemeentelijke Basisadministratie / Basisregistratie Personen (Brp).

2. De woning is op 16 oktober 2009 als te verhuren onroerend goed ingeschreven bij verhuurorganisatie [B] . Van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 is de woning verhuurd aan de familie [C] . Een verzoek van de huurder om de huurperiode met 12 maanden te verlengen heeft niet geresulteerd in verlenging van de huur in 2011.

3. Op 16 april 2010 is door de belastingdienst in het kader van een onderzoek een bezoek gebracht aan de woning. Daarbij is gesproken met de familie [C] .

4. [ Belanghebbende] heeft op 8 april 2011 voor het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.911 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.815. Zij heeft de woning als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 aangemerkt. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn aangegeven naar € 53.341 negatief.

5. Met dagtekening 31 oktober 2011 heeft de Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders aan de gemeente [Z] verzocht een onderzoek in te stellen naar het adres [Y] . In het verzoek is het volgende opgenomen:

‘In opgemelde zaak blijkt uit een uittreksel uit de GBA dat [belanghebbende], zou wonen aan de/het [Y] te [Z] .

Ons is echter bekend dat betrokkene daar niet woont. Ter plaatse is ons dit medegedeeld door de eigenaar van het pand. (…).’

Het adresonderzoek is op 13 december 2011 gesloten nadat [belanghebbende] heeft verklaard aan de [Y] te wonen.

6. [ Belanghebbende] heeft op 31 maart 2012 voor het jaar 2011 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.226 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.881. Zij heeft de woning als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 aangemerkt. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn aangegeven naar € 57.441 negatief.

7. Met dagtekening 27 september 2012 heeft [de Inspecteur] de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd conform de ingediende aangifte.

8. [ Belanghebbende] heeft op 31 maart 2013 voor het jaar 2012 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.526 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.547. Zij heeft de woning als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 aangemerkt. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn aangegeven naar € 52.421 negatief.

9. Op 18 juli 2013 is in de woning een hennepkwekerij aangetroffen. Naar aanleiding daarvan is een strafrechtelijk onderzoek naar [A] gestart.

10. Met dagtekening 4 april 2014 heeft [de Inspecteur] de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 opgelegd conform de ingediende aangifte.

11. Op 9 december 2014 heeft het [D] een artikel gepubliceerd waarin staat dat er een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning.

12. Met dagtekening 23 maart 2015 heeft [de Inspecteur] aangekondigd voor het jaar 2012 een onderzoek te starten dat zich voornamelijk zal richten op de door [belanghebbende] aangegeven inkomsten uit eigen woning.

13. Met dagtekening 20 oktober 2015 is op grond van artikel 55 van de Algemene Wet door de Belastingdienst aan de Officier van Justitie verzocht om gegevens te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek naar [A] . Op dit verzoek heeft [de Inspecteur], voor zover hier van belang, de volgende informatie ontvangen:

(…)

- het proces-verbaal van een op 18 augustus 2013 door [belanghebbende] afgelegde getuigenverklaring;

(…)

- het proces-verbaal van een op 26 augustus 2013 door [belanghebbende] afgelegde getuigenverklaring;

(…).

(…)

20. Met dagtekening 16 november 2015 heeft [de Inspecteur] [belanghebbende] op de hoogte gesteld van zijn voornemen om voor de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen IB/PVV en vergrijpboetes op te leggen. Volgens [de Inspecteur] kwalificeert de woning niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001.”

3.2.

In hoger beroep hebben partijen hetgeen de door Rechtbank is vastgesteld niet bestreden.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover althans van belang, overwogen.

“(…)

Bevoegdheid tot navordering

27. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Awr bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. De tweede volzin van deze bepaling bevat een uitzondering op deze hoofdregel: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in geval de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast met betrekking tot zowel de aanwezigheid van een nieuw feit als van kwader trouw rust op de inspecteur.

28. De feiten die grond opleverden voor het vermoeden dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld, zijn aan het licht gekomen in het onderzoek dat [de Inspecteur] heeft ingesteld naar aanleiding van een publicatie door het [D] op 9 december 2014 omtrent de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning. De rechtbank stelt voorop dat [de Inspecteur] volgens vaste jurisprudentie bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Bij de beoordeling van de vraag of [de Inspecteur] een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er in een geval als het onderhavige op aan of [de Inspecteur], na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Naar het oordeel van de rechtbank vormde de inhoud van de aangiften van [belanghebbende] op zichzelf geen aanleiding voor nader onderzoek. Uit de stukken van het geding volgt dat het huisbezoek op 16 april 2010 heeft plaatsgevonden in het kader van een onderzoek gericht op de heffing van omzetbelasting bij [A] . Voor [de Inspecteur] bestaat geen verplichting om dossiers te raadplegen die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen (vgl. Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515 en Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249). Van een ambtelijk verzuim door na het huisbezoek geen aantekening te plaatsen in het dossier van [belanghebbende] acht de rechtbank geen sprake. De bevindingen van een onderzoek gericht op de heffing van omzetbelasting bij [A] kunnen niet worden aangemerkt als feit dat [de Inspecteur] bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn ten aanzien van de heffing van inkomstenbelasting bij [belanghebbende]. [De Inspecteur] was dus bevoegd om na te vorderen.

29. Het standpunt van [belanghebbende] dat de informatie uit het strafrechtelijke onderzoek ten aanzien van [A] die door [de Inspecteur] op 20 oktober 2015 bij de Officier van Justitie is opgevraagd, niet in het kader van de belastingheffing bij [belanghebbende] kan worden gebruikt, volgt de rechtbank niet. [De Inspecteur] heeft ingevolge artikel 47 en 55 van de AWR de bevoegdheid om voor de belastingheffing van [belanghebbende] gebruik te maken van informatie uit het strafdossier van een ander. In de brief van 20 oktober 2015 is ook expliciet opgenomen dat het verzoek tevens is gedaan ten behoeve van de belastingheffing van andere belastingplichtigen. Van schending van artikel 6 en artikel 8 van het EVRM is de rechtbank niet gebleken. [De Inspecteur] heeft de getuigenverklaringen uit het strafdossier conform zijn wettelijke taak gebruikt en niet voor andere doeleinden.

De woning

30. Artikel 3.110 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn voordelen uit eigen woning (…) verminderd met de op de voordelen uit eigen woning drukkende aftrekbare kosten.’

31. Artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘In deze afdeling en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (...) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat (…).”

32. De definitie van de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 is in de memorie van toelichting op die bepaling als volgt toegelicht:

‘Een eigen woning moet de belastingplichtige of personen die tot zijn huishouden behoren "anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan". Met dit begrip wordt gedoeld op een voor duurzaam eigen gebruik bestemde woning welke overeenkomstig deze bestemming de belastingplichtige ter beschikking staat en niet in vrij opleverbare staat is te verkopen dan nadat de belastingplichtige op een andere wijze in zijn woonbehoefte heeft voorzien. Per belastingplichtige kan slechts één woning voor hem als centrale levensplaats dienen (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 144 (MvT).

33. Ten aanzien van het jaar 2010 is niet in geschil dat de woning geheel dat jaar is verhuurd. Van het tijdelijk ter beschikking stellen van de woning aan derden als bedoeld in artikel 3.111, zevende lid, van de Wet IB 2001 is gelet op de duur van de verhuur geen sprake. Voor [belanghebbende] geldt de woning in 2010 dan ook niet als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. De navorderingaanslag voor 2010 is daarom terecht opgelegd.

34. Voor 2011 en 2012 acht de rechtbank niet aannemelijk dat de woning [belanghebbende] anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan. Uit de gedingstukken volgt veeleer dat de woning (meermaals) tijdelijk door [belanghebbende] werd bewoond. De rechtbank baseert dit oordeel met name op de bij de politie afgelegde verklaringen van [A] (onder meer dat er verschillende huurders (“4 of zo”) in hebben gezeten en dat [belanghebbende] zelf er elke keer voor twee a drie weken woonde en dat er dan een huurder kwam), op de bij de politie afgelegde verklaringen van [belanghebbende] zelf (onder meer dat zij in het pand woonde indien het niet verhuurd was en zij zelf vaak op de [E] was, dat de woning eind 2012 is verhuurd, dat zij er daarvoor zelf enkele maanden heeft gezeten en dat de woning daarvoor enkele maanden/een half jaar door mensen van de [G] is bewoond) en op het verzoek van 31 oktober 2011 van de Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders. De bij de politie afgelegde verklaringen van [belanghebbende] worden ondersteund door hetgeen bij de politie is verklaard door [A] en de buurvrouw van de [F] . De rechtbank ziet in hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om aan de bij de politie afgelegde verklaringen van [belanghebbende], [A] en de buurvrouw te twijfelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

35. [ Belanghebbende] heeft gesteld dat zij de woning in 2009 heeft gekocht met de intentie er te gaan wonen. Om persoonlijke redenen stelt zij er kort te hebben gewoond en daarna terug te zijn gegaan naar de [E] en is de woning gedurende geheel 2010 aan de familie [C] verhuurd. [Belanghebbende] stelt dat zij in 2011 tot en met december 2012 onafgebroken in de woning heeft gewoond. Ter onderbouwing heeft zij bij haar nadere stuk met dagtekening 22 september 2017 een aantal bijlagen gevoegd (aangifte van diefstal, een bekeuring wegens een snelheidsovertreding, een uitnodiging voor een kinderfeestje, foto’s, een aantal poststukken, verklaringen van een zakenrelatie van [A] , een voormalige buurvrouw en [A] ). De aangifte die [belanghebbende] heeft gedaan van diefstal uit haar auto kan enkel bevestigen dat zij rond 14 november 2012 in de woning heeft gewoond, hetgeen in overeenstemming is met de bij de politie afgelegde verklaringen. Aan de omstandigheid dat met de auto van [belanghebbende] in juni 2012 in de [Y] een snelheidsovertreding is begaan kan voor de feitelijke bewoning van de woning geen betekenis worden toegekend. Hetzelfde geldt voor de ongedateerde uitnodiging voor een kinderfeestje, de verklaring van de zakenrelatie en de overgelegde foto’s. Dat aan [belanghebbende] gerichte poststukken naar het adres van de woning zijn gestuurd bevestigt enkel dat de woning als postadres is gebruikt, hetgeen door [belanghebbende] in haar verklaring van 18 maart 2013 is bevestigd. Daarbij wordt bij de adressering van poststukken door instellingen veelal uitgegaan van de Brp-registratie, zodat aan de adressering van poststukken voor wat betreft feitelijke bewoning geringe betekenis dient te worden toegedicht. De bij het nadere stuk van [belanghebbende] gevoegde verklaring van de voormalige buurvrouw zegt onvoldoende over de bewoning van de woning. De verklaring van [A] wijkt dermate af van hetgeen hij eerder bij de politie heeft verklaard, dat de rechtbank deze verklaring zonder deugdelijke toelichting ongeloofwaardig acht. De ter zitting afgelegde verklaring van [belanghebbende] dat zij vanaf 2011 tot en met december 2012 onafgebroken in de woning heeft gewoond acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig. Deze verklaring strookt al niet met de verhuur aan de mensen van school.

36. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de woning voor de jaren 2010, 2011 en 2012 terecht niet is aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001. De navorderingaanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 en 2011 alsmede de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 zijn terecht opgelegd. De beroepen dienen in zoverre ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.

In geschil is of de Inspecteur voor de jaren 2010 en 2011 op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelasting (Awr), gerechtigd was navorderingsaanslagen op te leggen. Daarnaast is in geschil of de woning in de jaren 2011 en 2012 kwalificeerde als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de eigen woning, Wet IB 2001). Voorts is in geschil of het op basis van artikel 55 Awr door de Inspecteur gedane verzoek om informatie uit een strafdossier in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in die zin dat het verzoek dient te worden aangemerkt als een “fishing expedition”, hetgeen belanghebbende stelt, en de Inspecteur weerspreekt.

5.2.

Niet in geschil is dat de woning in het jaar 2010 niet kwalificeerde als eigen woning.

5.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de vernietiging van de boetebeschikkingen inzake de aanslagen 2010, 2011 en 2012, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen 2010 en 2011 en de gelijktijdig opgelegde beschikkingen heffingsrente, alsmede tot een verlaging van de aanslag 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.526 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.547 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.

5.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Artikel 55 Awr-verzoek, “fishing expedition” en schending beginselen artikel 8 EVRM

6.1.

Belanghebbende stelt dat het verzoek van de Inspecteur aan de officier van justitie om informatie over de woning van belanghebbende uit het strafdossier van de ex-partner dient te worden gekwalificeerd als “fishing expedition”. Van een “fishing expedition” is sprake in het geval de Inspecteur ongericht gegevens en bescheiden opvraagt die niet van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De stelling van belanghebbende faalt derhalve.

6.2.1.

Voor zover belanghebbende stelt dat de door de Inspecteur verkregen processen-verbaal niet in de onderhavige procedure kunnen worden aangewend, geldt het volgende. De Inspecteur heeft de officier van justitie naar aanleiding van het bericht in het [D] van 9 december 2014, inhoudende dat de ex-partner ervan verdacht wordt dat hij in de woning van belanghebbende een hennepkwekerij houdt, op basis van artikel 55 Awr bij brief van 20 oktober 2015 verzocht om gegevens te verstrekken uit het strafdossier van de ex-partner. De officier van justitie heeft de brief van 20 oktober 2015 voor akkoord getekend en aldus toestemming gegeven de gegevens uit het strafdossier van de ex-partner te gebruiken voor de heffing en inning van belastingen van belanghebbende. Aldus heeft de Inspecteur de gegevens uit het strafdossier van de ex-partner op rechtmatige wijze verkregen.

6.2.2.

Belanghebbende stelt daarnaast dat zij in haar procespositie is geschaad doordat de Inspecteur een afschrift van het verzoek ex artikel 55 Awr pas ter zitting van de Rechtbank in het geding heeft gebracht. De klacht faalt aangezien belanghebbende niet alleen ter zitting van de Rechtbank gelegenheid heeft gehad haar zienswijze op de inhoud van dit stuk te geven, maar ook eerder in de procedure reeds door de Inspecteur kenbaar was gemaakt dat de gegevens uit het strafdossier van de ex-echtgenoot zijn opgevraagd op grond van artikel 55 Awr. Voorts heeft belanghebbende in de hoger beroepsprocedure op het verzoekschrift kunnen reageren. De Inspecteur mocht de op grond van het verzoek ex artikel 55 Awr de van de officier van justitie ontvangen processen-verbaal dan ook aanwenden bij het vaststellen van de belastingschuld van belanghebbende over de jaren 2010-2012.

6.3.

Belanghebbende stelt voorts dat de Inspecteur de van de officier van justitie ontvangen gegevens zonder eigen onderzoek heeft aangewend ten behoeve van het opleggen van de (navorderings)aanslagen. Belanghebbende heeft deze stelling niet nader onderbouwd, waardoor zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

6.4.

Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van schending van artikel 8 EVRM, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd en heeft zij dus niet aan haar stelplicht voldaan.

De bevoegdheid tot navordering over de jaren 2010 en 2011

6.5.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren.

6.6.

Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082).

6.7.

De Inspecteur stelt dat gebleken feiten uit het onderzoek omtrent de bewoning van de woning, dat de Inspecteur heeft ingesteld naar aanleiding van de publicatie in het [D] , het nieuwe feit vormen op basis waarvan hij gerechtigd was om de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen.

6.8.

Belanghebbende stelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim nu de Inspecteur reeds bij het opleggen van de primitieve aanslagen bekend was, dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, met feiten en omstandigheden waaruit hij had kunnen afleiden dat de woning in de aangiften over de jaren 2010 en 2011 fiscaal onjuist was gekwalificeerd. Belanghebbende voert daartoe in de eerste plaats aan dat de Inspecteur, gelet op de adreswijziging in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), bij het beoordelen van de aangiften bekend was met het feit dat belanghebbende mogelijk niet de gehele jaren 2010 en 2011 in de woning heeft gewoond. Voorts voert belanghebbende aan dat de Inspecteur naar aanleiding van het omzetbelastingonderzoek naar de ex-partner op de hoogte had moeten zijn, dan wel intern op de hoogte had moeten worden gesteld, van het feit dat de woning in 2010 het gehele jaar werd verhuurd.

6.9.1.

De aangiften van belanghebbende over de onderhavige jaren, waarin de woning was aangemerkt als eigen woning ter zake waarvan hypotheekrente in aftrek was gebracht, zagen er verzorgd uit en er bestond voor de Inspecteur redelijkerwijs geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen gegevens. Belanghebbende was immers eigenaar van een woning, en het was dus niet onmogelijk dat sprake is van een eigen woning.

6.9.2.

Bij de beoordeling van de vraag of de Inspecteur zijn onderzoeksplicht heeft geschonden geldt als uitgangpunt dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (zie HR 21 april 1971, nr. 16535, BNB 1971/158 en HR 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166). De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat sprake is van een bijzondere aanleiding als zojuist bedoeld om bij het GBA gegevens omtrent belanghebbende op te vragen dan wel tot het raadplegen van omzetbelastingdossier van de ex-partner.

6.10.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat bij de beoordeling van de aangiften geen sprake is geweest van een ambtelijk verzuim van de Inspecteur. De stelling van de Inspecteur dat bij het indienen van de aangifte 2010 sprake is geweest van kwade trouw, behoeft gezien dit oordeel niet te worden behandeld.

6.11.

De in het kader van het onderzoek omtrent de feitelijke bewoning van de woning, dat de Inspecteur heeft ingesteld naar aanleiding van de publicatie in het [D] , ter kennis van de Inspecteur gekomen feiten en omstandigheden, hebben bij hem gerechtvaardigde twijfels kunnen oproepen over de juistheid van de in de aangiften van belanghebbende voor de onderhavige jaren opgenomen gegevens. Hetgeen de Inspecteur nadien ter kennis is gekomen vormde voor hem een nieuw feit in de zin van artikel 16 Awr.

6.12.

Aangezien belanghebbende niet heeft bestreden dat de woning in 2010 niet kwalificeerde als eigen woning, is het hoger beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag 2010 ongegrond.

Fiscale kwalificatie van de woning voor de jaren 2011 en 2012

6.13.

Onder eigen woning wordt – aldus artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 – verstaan: “een gebouw (…) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat (…)”. Het hoofdverblijf van de belastingplichtige is synoniem voor zijn centrale levensplaats (Kamerstukken II 1988/99, 26 727, nr. 3, blz. 144).

6.14.

Aangezien belanghebbende aanspraak maakt op negatieve opbrengst uit eigen woning dient zij feiten en/of omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van een eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001. Gelet op de vaststaande feiten en het navolgende is belanghebbende niet in die bewijslast geslaagd.

6.15.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat de woning in de periode van februari 2011 tot en met december 2012 voor belanghebbende een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 vormde, wijst belanghebbende op de reeds in de beroepsprocedure ingebrachte stukken. Daarnaast stelt belanghebbende dat er voor haar geen andere woonplek beschikbaar was nu zij – gezien haar persoonlijke omstandigheden – niet in de woning aan de [E] kon verblijven. Verder merkt belanghebbende op ook tijdens het verblijf in 2012 van de kennissen van de [G] in het souterrain van de woning, in de woning te hebben gewoond.

6.16.

Belanghebbende stelt voorts dat haar verklaringen die zijn opgenomen in de processen-verbaal van een tweetal verhoren van belanghebbende door de politie op 18 en 26 augustus 2013 niet overeenstemmen met de feitelijke situatie over de jaren 2011 en 2012.

6.17.

De voornoemde processen-verbaal heeft belanghebbende ondertekend, waardoor zij tevens heeft verklaard de processen-verbaal te hebben doorgelezen en te volharden in hetgeen zij daarin heeft verklaard. Het Hof acht de in de processen-verbaal opgenomen verklaringen van belanghebbende geloofwaardig, mede gelet op het feit dat deze tegenover de politie zijn afgelegd en op ambtsbelofte zijn opgetekend. Belanghebbende kan zich dan ook niet beperken tot de in eerste aanleg en hoger beroep gegeven andersluidende verklaringen – luidende dat belanghebbende in de jaren 2011 en 2012 onafgebroken in de woning woonachtig is geweest – zonder het stellen van nadere feiten en omstandigheden dan wel het overleggen van nader bewijs ter onderbouwing van deze verklaringen. Zo had het in de rede gelegen om een verklaring van de kennissen van de [G] in het geding te brengen, waaruit blijkt dat zij gelijktijdig met belanghebbende in de woning hebben verbleven. Belanghebbende heeft echter – zoals ter zitting verklaard – om haar moverende redenen hen niet om een verklaring verzocht. In het licht hiervan is de door belanghebbende gestelde bewijsnood niet aannemelijk gemaakt.

6.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hecht het Hof minder geloof aan de nadien afgelegde andersluidende verklaringen dan aan de verklaringen in de processen-verbaal. Daarbij is van belang dat de verklaringen die zijn neergelegd in de processen-verbaal van 18 en 26 augustus 2013 binnen een kort tijdsbestek na de in geschil zijnde jaren 2011 en 2012 zijn afgelegd en dat belanghebbende de andersluidende verklaringen niet heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Een en ander leidt tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de woning haar of personen die behoorden tot haar huishouden in de jaren 2011 en 2012 anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond.

6.19.

Het hoger beroep tegen de navorderingsaanslag 2011 en de aanslag 2012 is derhalve eveneens ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 7 november 2018 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door P.J.J. Vonk.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.