Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3064

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
22-003651-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 45 en 302 Sr. Vrijspraak ter zake van poging tot doodslag, veroordeling ter zake van poging tot zware mishandeling. Verwerping beroep op (putatief) noodweer(exces). Veroordeling tot 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 348 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003651-17

Parketnummer: 10-740201-16

Datum uitspraak: 8 november 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

25 oktober 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest, onder bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis waarvan beroep nader omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij, op of omstreeks 27 april 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever] met een mes in de rug heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij, op of omstreeks 27 april 2016 te Rotterdam, [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] met een mes in de rug te prikken en/of te steken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 dagen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering en zich ambulant zal laten behandelen bij Het Dok.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte dient te worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak poging tot doodslag

De feiten

Het hof stelt ten aanzien van de feiten het volgende vast. De verdachte en aangever hadden voorafgaand aan het gebeuren van 27 april 2016 al geruime tijd een relatie. Op 27 april 2016 kreeg de verdachte van een nicht te horen dat aangever vreemd was gegaan met zijn ex. De verdachte belde aangever op om hem hiermee te confronteren en zei hem dat de relatie wat haar betreft voorbij was. Aangever is vervolgens met zijn auto bij de verdachte langsgegaan met de bedoeling het uit te praten en de relatie te herstellen. De verdachte heeft plaatsgenomen in de auto van aangever en er vond vervolgens tussen hen een emotioneel gesprek plaats over hun relatie. Op een gegeven moment wilde de verdachte in de telefoon van aangever kijken om zijn verhaal te controleren. Aangever wilde dat niet en beiden trokken aan de telefoon. De verdachte wilde toen weggaan en probeerde het portier te openen om uit de auto te stappen. Dat werd door aangever verhinderd omdat hij de centrale deurvergrendeling had ingeschakeld.

Aangever trok ook aan de arm en tas van de verdachte om haar te verhinderen de auto te verlaten. Hierbij viel op een gegeven moment een deel van de inhoud van die tas, waaronder een mes, op de bodem van de auto. Beiden zagen het mes en probeerden het te grijpen. De verdachte was degene die het mes te pakken kreeg. Zij heeft het slachtoffer hiermee vervolgens in een reflex eenmaal in zijn rug gestoken. Daarna heeft zij de inmiddels ontgrendelde auto verlaten.

Uit het dossier volgt dat aangever op 27 april 2016 op de spoedeisende hulp is binnengekomen. Aldaar is een (steek)wond aan de rechterzijde van de romp ter hoogte van de derde rib geconstateerd. Op een röntgenfoto was zichtbaar dat aangever een klaplong had, waarna een slangetje in de borstholte is geplaatst en hij gedurende twee nachten opgenomen is geweest in het ziekenhuis.

Voorwaardelijk opzet

De verdachte heeft erkend dat zij op 27 april 2016 aangever in zijn rug heeft gestoken, toen ze samen in zijn auto zaten. De verdachte heeft ontkend dat zij gehandeld heeft met de intentie om aangever te doden.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Het hof concludeert op grond van de hiervoor vastgestelde feiten dat de verdachte aangever eenmaal met een keukenmes in de rug heeft gestoken. Het dossier bevat geen informatie over de diepte van de steekwond. Uit het dossier blijkt niet met welke kracht de verdachte heeft gestoken. Aangever heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij werd “geprikt”. Het hof acht gelet op voornoemde feitelijkheden onvoldoende vast komen te staan dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer waaraan de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld.

De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van de primair impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij, op of omstreeks 27 april 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever] met een mes in de rug heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Noodweer, noodweerexces, putatief noodweer

Door de raadsman is ter zitting van het hof een beroep gedaan op noodweer dan wel putatief noodweer.

De verdediging heeft hiertoe gesteld dat er sprake was van een aanranding door dan wel een vermeende dreiging afkomstig van aangever waaraan de verdachte niet kon ontkomen en waartegen zij zich diende te verdedigen.

Zowel het beroep op noodweer als het beroep op putatief noodweer is nauwelijks onderbouwd. Het beroep op noodweerexces is in het geheel niet onderbouwd. Het hof maakt uit het pleidooi van de raadsman het volgende op. Het betoog komt er op neer dat de raadsman kennelijk van oordeel is dat er sprake was van een noodweersituatie voor de verdachte omdat aangever haar verhinderde uit de auto te stappen zodat zij wederrechtelijk van haar vrijheid werd beroofd.

Het steken met het mes door de verdachte was volgens de raadsman geboden door de noodzakelijke verdediging tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Ter onderbouwing van het beroep op putatief noodweer heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte, gelet op haar ervaringen met aangever in het verleden, gegronde reden had om te vrezen dat zij in de auto door hem geslagen zou worden. De verdachte heeft verklaard dat zij op het moment dat zij het mes zag, bang was dat aangever haar wat aan zou doen. Voorts heeft ze verklaard dat ze toen ze het mes te pakken had, aangever in een reflex in de rug heeft gestoken.

Het hof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de reeds vastgestelde feiten.

Vast is komen te staan dat de verdachte en aangever in de auto over en weer aan de telefoon van aangever en aan elkaar hebben getrokken tijdens een emotioneel gesprek over het wel of niet beëindigen van de relatie. Op een gegeven moment heeft aangever de verdachte daarbij kortstondig verhinderd de auto te verlaten en vervolgens is tijdens het duwen/trekken het door de verdachte meegenomen mes uit haar tas gevallen. Het is niet aannemelijk geworden dat er tijdens het gesprek in de auto dan wel op het moment dat zij het uit haar tas gevallen mes had gepakt, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen zij zich diende te verdedigen. De gedraging van de verdachte, kort gezegd: het steken in de rug van het slachtoffer nadat zij het mes had gepakt dat uit haar tas was gevallen, is een handeling die naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als aanvallend.

Nu er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding, wordt het beroep op noodweer verworpen. Op grond hiervan wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte evenmin in redelijkheid in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreiging hiermee.

De verdachte heeft op dit punt verklaard dat toen ze het mes zag liggen, ze bang was dat de verdachte het zou pakken en haar zou steken. Voor de verdachte was er echter geen concrete aanleiding om dit te veronderstellen. Het gesprek tussen beiden verliep weliswaar emotioneel en er is over en weer geduwd en getrokken maar niet aannemelijk is geworden dat door de aangever in de auto een andere vorm van fysiek geweld is gebruikt dan het duwen en trekken. Ook het trekken aan haar arm en tas door aangever om haar in de auto te houden, ziet het hof niet als handelingen die voor de verdachte in redelijkheid aanleiding zouden kunnen zijn om te veronderstellen dat zij, nadat het door haar meegebrachte mes uit haar tas was gevallen, door aangever gestoken zou worden. Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte op grond van het gestelde gewelddadig gedrag van aangever jegens haar in het verleden in redelijkheid in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat zij in de auto door aangever na het vallen van het mes, geslagen of gestoken zou worden. Van een verschoonbare dwaling omtrent de intenties van aangever kan dan ook geen sprake zijn. Ook het beroep op putatief noodweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Zij heeft tijdens een emotioneel gesprek met aangever in zijn auto waarbij de gemoederen over en weer hoog zijn opgelopen hem met een mes in zijn rug gestoken. Aangever heeft als gevolg hiervan een steekwond en een klaplong opgelopen en heeft gedurende twee nachten in het ziekenhuis verbleven.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. In het voordeel van de verdachte neemt het hof in aanmerking dat zij haar leven op dit moment goed op orde lijkt te hebben en dat zij ambitieuze toekomstplannen heeft en hard werkt aan de realisering daarvan. De relatie met aangever is hersteld en de verdachte heeft de zorg over haar 10-jarig zoontje.

Zij volgt na een succesvol afgeronde MBO-opleiding nu een HBO-opleiding en heeft daarnaast een baan in een kledingwinkel. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou een forse impact hebben op het welzijn van haar minderjarige zoon nu zij de primaire verzorger is en aannemelijk is dat er geen alternatieve zorg in de familiesfeer voorhanden is nu de vader niet meer in Nederland verblijft en de moeder van de verdachte ernstig ziek is.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur onder bijzondere voorwaarden in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Ten aanzien van de hierna te noemen bijzondere voorwaarden overweegt het hof dat de verdachte haar leven redelijk goed op de rit heeft, maar dat zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij verwacht baat te hebben bij een ambulante behandeling bij Het Dok. De verdachte heeft verklaard dat zij goede ervaringen met deze instelling heeft opgedaan in het kader van de schorsingsvoorwaarden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair impliciet primair (poging doodslag) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 348 (driehonderdachtenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich zal melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

  • -

    zich onder ambulante behandeling zal stellen voor haar agressieregulatie-problematiek bij de forensische polikliniek Het Dok of een soortgelijke instelling.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout,

mr. R.F. de Knoop en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. K. Elema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2018.

mr. T.B. Trotman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.