Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3061

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
200.227.291/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Internationaal beslagrecht (IPR). Vordering tot veroordeling van de beslaglegger om opheffing van conservatoir beslag gelegd in Suriname te bewerkstelligen. Beperkte rol Nederlandse rechter. Toetsingskader. Art. 24 sub 5 EEX-Verordening II niet van toepassing, evenmin reflexwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.227.291/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/529898 / KG ZA 17-696

arrest in kort geding van 22 mei 2018

inzake

1. [De Weduwe] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [De Weduwe] ,

2. de Stichting naar Surinaams recht Stichting [NAAM] ,
gevestigd te [plaatsnaam] , Suriname,
hierna te noemen: de Stichting,

appellanten,

advocaat: mr. S. Bharatsingh te Den Haag,

tegen

1. [Kind een] ,

wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
2. [Kind twee] ,

wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,

3. [Kind drie] ,
wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,
4. [Kind vier] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Veken te Rotterdam,
5. [Kind vijf] ,
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
6. [Kind zes] ,
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
7. [Kind zeven] ,

wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,

geïntimeerden.

Het geding

Bij exploot van 31 oktober 2017 zijn [De Weduwe] en de Stichting in hoger beroep gekomen van het kortgedingvonnis van 5 oktober 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen [De Weduwe] en de Stichting als eiseressen en de hiervoor sub 1 t/m 7 genoemde personen als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld onder 1 van het bestreden vonnis.

De grieven van [De Weduwe] en de Stichting tegen het bestreden vonnis zijn opgenomen in de appeldagvaarding.

Tegen geïntimeerden sub 1 t/m 3 en sub 5 t/m 7 is verstek verleend.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde sub 4, hierna: [Kind vier] , de grieven weersproken.

Partijen hebben hun procesdossiers gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. [De Weduwe] is de weduwe van [naam erflater] , die is overleden te Rotterdam [in] 1998 (hierna: erflater). Erflater liet tien kinderen na, waarvan twee met [De Weduwe] als moeder. Geïntimeerden zijn kinderen van erflater, die zijn geboren ofwel uit een eerder huwelijk van erflater ofwel zijn zij buiten echt geboren en door erflater erkend. [De Weduwe] is van geen van de geïntimeerden de moeder. Erflater had bij leven de Nederlandse nationaliteit en hij woonde in Nederland.

2. Erflater heeft bij Nederlands testament van 17 oktober 1997 beschikt over zijn nalatenschap. In het testament heeft erflater zijn echtgenote [De Weduwe] en zijn kinderen benoemd tot zijn enige erfgenamen en heeft hij een ouderlijke boedelverdeling gemaakt (artikel 1167 oud BW). Door zijn overlijden zijn alle tot de nalatenschap behorende goederen aan [De Weduwe] toegedeeld, aan geïntimeerden is een geldvordering op [De Weduwe] toegedeeld die pas opeisbaar wordt onder meer bij hertrouwen of overlijden van [De Weduwe] .

3. Partijen zijn verwikkeld in een erfrechtelijk geschil. Geïntimeerden verwijten [De Weduwe] dat zij een aantal tot de nalatenschap behorende percelen grond in Suriname heeft verkocht aan de Stichting voor een irreëel lage verkoopprijs, met als doel de erfrechtelijke aanspraken van geïntimeerden illusoir te maken.

4. Op 10 februari 2017 is bij de kantonrechter te Paramaribo, Suriname, een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van verlof tot conservatoire beslaglegging ten laste van [De Weduwe] en de Stichting. Dit verzoekschrift is ingediend door acht personen, te weten de zeven geïntimeerden in de onderhavige procedure tezamen met de in Paramaribo wonende [Kind acht] . Laatstgenoemde is ook een erfgenaam van erflater van wie [De Weduwe] niet de moeder is. Het verzoekschrift heeft betrekking op percelen grond in Suriname uit de nalatenschap van erflater.

5. In het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof tot conservatoire beslaglegging is onder meer vermeld dat [De Weduwe] een aantal percelen grond in Suriname uit de nalatenschap van erflater heeft verkocht aan de Stichting, dat mevrouw [volgt naam] enig bestuurder is van de Stichting, dat laatstgenoemde gehuwd is met mr. Bharatsingh, advocaat van [De Weduwe] in de onderhavige procedure, en dat verzoekers een beroep doen op HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1271 (conservatoir beslag in verband met niet-opeisbare vordering). Voorts vermeldt het verzoekschrift dat verzoekers voldoende redenen hebben om aan te nemen dat [De Weduwe] doende is geweest onroerende goederen uit de nalatenschap van erflater te vervreemden tegen dusdanig irreële bedragen, dat het zeer waarschijnlijk is dat verzoekers na het overlijden van [De Weduwe] geen reële vordering meer zullen hebben. Deze paulianeuze handelingen zijn volgens het verzoekschrift kennelijk ingegeven ter bevoordeling van [De Weduwe] zelf dan wel ten bate van de twee kinderen die zij heeft met erflater. Ten slotte vermeldt het verzoekschrift dat de Stichting doende is de desbetreffende goederen te vervreemden, waardoor vrees voor verduistering bestaat.

6. De kantonrechter te Paramaribo heeft het verzochte beslagverlof verleend op 15 februari 2017, waarna het conservatoir beslag is gelegd op 8 maart 2017.

7. De Stichting heeft bij brieven van 13 juni 2017 geïntimeerden gesommeerd tot opheffing van het conservatoir beslag. De Surinaamse advocaat van [Kind vier] , mr. J.M. Nibte, heeft namens zijn cliënt geantwoord dat geen gevolg zal worden gegeven aan deze sommatie.

8. In de onderhavige kortgedingprocedure vorderen [De Weduwe] en de Stichting, kort gezegd, dat geïntimeerden worden veroordeeld om schriftelijk opdracht te geven aan de deurwaarder in Suriname om over te gaan tot opheffing van het in Suriname ten laste van de Stichting gelegde beslag op vier percelen grond, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag voor iedere dag dat geïntimeerden daarmee in gebreke blijven.

9. In het bestreden vonnis is deze vordering afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om van de vordering kennis te nemen aangezien alle geïntimeerden in Nederland wonen (rov. 4.4). Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is niet althans onvoldoende gebleken van summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden zoals bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv, waarbij vooral van belang wordt geacht dat [De Weduwe] en de Stichting geen deugdelijke onderbouwing hebben gegeven van hun stelling dat de percelen grond zijn verkocht voor een marktconforme prijs (rov. 4.16). Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat een conservatoir beslag ook is toegestaan wanneer dit beslag is gelegd voor een vordering die nog niet opeisbaar is (rov. 4.17). [De Weduwe] en de Stichting zijn veroordeeld in de proceskosten van de in eerste aanleg verschenen partijen, [Kind een] , [Kind twee] en [Kind vier] .

10. [De Weduwe] en de Stichting zijn tijdig in appel gekomen van het bestreden vonnis, onder aanvoering van zes grieven. Zij vorderen in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van appellanten alsnog toewijst met veroordeling van geïntimeerden hoofdelijk, des de een betalende, de ander bevrijd zal zijn, in de kosten van beide instanties met inbegrip van de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente voor iedere dag ingaande de vijftiende dag na de betekening van het in deze te wijzen arrest dat geïntimeerden met de betaling in gebreke blijven tot aan de dag der algehele voldoening.

11. [Kind vier] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [De Weduwe] en de Stichting in hun vordering niet-ontvankelijk verklaart, subsidiair hun vordering afwijst, en voorts [De Weduwe] en de Stichting tegen behoorlijke bewijs van kwijting veroordeelt tot betaling van de kosten van de onderhavige appelprocedure.

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

12. De onderhavige kortgedingprocedure draagt een internationaal karakter, omdat de vordering van appellanten betrekking heeft op de opheffing van het conservatoir beslag dat in Suriname, na verlof van de lokale rechter, is gelegd op aldaar gelegen onroerende goederen. Om die reden zal het hof allereerst vaststellen of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om kennis te nemen van de vordering van appellanten.

13. De vordering van appellanten betreft een burgerlijke en handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012, PbEU 2012, L 351/1 (EEX-Verordening II). In het midden kan blijven of de vordering wordt bestreken door artikel 24 sub 5 EEX-Verordening II, waarin voor geschillen omtrent de tenuitvoerlegging van beslissingen de gerechten van de EU-lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging exclusief bevoegd zijn verklaard, omdat (i) deze bevoegdheidsbepaling in dit geval geen bevoegdheid kan verlenen aan een niet EU-lidstaat (Suriname), en (ii) een reflexwerking van deze bevoegdheidsbepaling voor commune niet door de verordening bestreken gevallen moet worden afgewezen. Dit betekent dat teruggevallen moet worden op de hoofdregel van bevoegdheid, artikel 4 lid 1 EEX-Verordening II. Op grond van deze hoofdregel van bevoegdheid bezit de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat geïntimeerden in Nederland woonplaats hebben in de zin van artikel 62 lid 1 EEX-Verordening II.

Toetsingskader

14. Hoewel de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, merkt het hof op dat de rechter van het land waar het conservatoir beslagverlof is gegeven en waar de beslagen goederen liggen als het natuurlijke forum moet worden beschouwd om te beslissen over de opheffing van het beslag (vgl. met betrekking tot het EEX-Verdrag, HvJEG 26 maart 1992, C-261/90, NJ 1996/315, rov. 24 e.v.). De Nederlandse kortgedingrechter past dan ook terughoudendheid bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een buitenlands beslag. Een bemoeienis van de Nederlandse kortgedingrechter in de opheffing van een buitenlands beslag is naar het oordeel van het hof slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd, wanneer (i) de beslagene geen of slechts zeer beperkte mogelijkheden heeft om in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van fair trial (artikel 6 EVRM) de opheffing van het beslag te vragen bij de buitenlandse rechter die het beslagverlof heeft verleend, (ii) sprake is van een zodanig evidente fout of vergissing in het beslagverlof van de buitenlandse rechter dat de belangen van de beslagene onaanvaardbaar zouden worden geschaad bij de instandhouding van het conservatoir beslag, dan wel (iii) het belang bij instandhouding van het conservatoir beslag klaarblijkelijk is komen te vervallen bijvoorbeeld omdat de beslagene inmiddels voldoende zekerheid heeft gesteld. Buiten deze gevallen acht het hof het niet opportuun dat de Nederlandse kortgedingrechter door middel van een ordemaatregel beslist over de opheffing van een conservatoir beslag in het buitenland.

15. Het hiervoor uiteengezette toetsingskader is een ander dan het kader dat door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis is aangelegd. De voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft de vordering van appellanten getoetst aan artikel 705 lid 2 Rv, voor zover daarin is bepaald dat het conservatoir beslag moet worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Daarmee gaat de voorzieningenrechter in eerste aanleg eraan voorbij dat de rechter van het land waar het conservatoir beslagverlof is gegeven en waar de beslagen goederen liggen als het natuurlijke forum moet worden beschouwd om te beslissen over de opheffing van het beslag. In het kader van zijn ordeningstaak heeft de Nederlandse kortgedingrechter slechts beperkte ruimte om zich uit te laten over de opheffing van een buitenlands beslag.

16. Het hof zal de grieven van appellanten bespreken aan de hand van het in rov. 14 uiteengezette toetsingskader. Dat appellanten strikt genomen niet om een rechterlijke opheffing van het conservatoir beslag hebben gevraagd, maar om een veroordeling van geïntimeerden om de opheffing van het conservatoir beslag te bewerkstelligen door een daartoe strekkend verzoek aan de deurwaarder in Suriname, doet aan dit toetsingskader niet af. Toewijzing van de vordering van appellanten zal immers de facto leiden tot opheffing van het conservatoir beslag in Suriname.

Bespreking van de grieven

17. De grieven 1, 3, 4 en 5 hebben in de kern genomen betrekking op de beslissing van de voorzieningenrechter in eerste aanleg dat niet althans onvoldoende is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden die ten grondslag ligt aan het beslagverlof. De grieven zien kort gezegd op de uitleg die de voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft gegeven aan de stelling van [De Weduwe] en de Stichting over de peildatum met betrekking tot de waarde van de percelen grond (grief 1), het al dan niet ondeugdelijk karakter van de vordering waartoe het conservatoir beslag is gelegd en de taxatie van de percelen grond (grief 3), de bewijslast ten aanzien van de ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden (grief 4), en de verjaring van de vordering van geïntimeerden (grief 5).

18. Zoals reeds overwogen, hanteert het hof een ander toetsingskader dan het kader dat door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis is aangelegd voor de beoordeling van de vordering van appellanten tot opheffing van het conservatoir beslag in Suriname. In het toetsingskader van het hof vormt de, aan artikel 705 lid 2 Rv ontleende, maatstaf van ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden geen grond voor opheffing van het buitenlandse conservatoir beslag. Daarmee behoeven de grieven 1, 3, 4 en 5 geen bespreking, omdat zij buiten het toetsingskader van het hof vallen. De grieven kunnen niet leiden tot een opheffingsbevel van de Nederlandse rechter op een van de in rov. 14 onder (i) t/m (iii) genoemde opheffingsgronden. De grieven horen thuis in een opheffingskortgeding bij de Surinaamse rechter en niet in het onderhavige kortgeding van de Nederlandse rechter die te ver af staat van het buitenlandse beslag.

19. Met grief 2 komen appellanten op tegen rov. 4.5 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat hij niet zal treden in de stelling van [De Weduwe] en de Stichting dat de Surinaamse rechter niet bevoegd was het beslagverlof te verlenen omdat het exclusief aan de Surinaamse rechter is om daarover te oordelen. De grief houdt in dat alleen de Nederlandse rechter bevoegd is verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag tot zekerheid van verhaal van een vordering die is gebaseerd op de in Nederland gesloten koopovereenkomst tussen [De Weduwe] en de Stichting.

20. Ook deze grief faalt. Het is de Surinaamse rechter die zelf bepaalt of, en zo ja, op welke gronden hij zich bevoegd acht om een beslissing te geven omtrent het verzochte beslagverlof ten aanzien van onroerende goederen die in Suriname zijn gelegen. Mochten appellanten zich niet kunnen vinden in het bevoegdheidsoordeel van de Surinaamse beslagrechter, dan had het op hun weg gelegen om dat bevoegdheidsoordeel aan te vechten in Suriname. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het hof voorshands van oordeel is dat de bevoegdheid van de Surinaamse beslagrechter is gegeven op grond van de ligging van de onroerende goederen in Suriname en de plaats van vestiging van de Stichting als één van de beslagenen.

21. Ten slotte verwerpt het hof ook grief 6. Voor zover met appellanten zou worden aangenomen dat de inkomsten van [De Weduwe] bestaan uit een gedeeltelijke AOW-uitkering en een aanvullende bijstandsuitkering, verandert dat niets aan het oordeel van het hof. De door appellanten gestelde financiële positie van [De Weduwe] vormt geen grond voor opheffing van het conservatoir beslag in Suriname door de Nederlandse kortgedingrechter.

Slotsom

22. Appellanten hebben geen gronden aangevoerd op basis waarvan het hof, gelet op het toetsingskader in rov. 14, het gerechtvaardigd acht om geïntimeerden te veroordelen over te gaan tot opheffing van het conservatoir beslag in Suriname. De blote stelling van [De Weduwe] en de Stichting in de inleidende dagvaarding, nr. 23, dat een procedure in Suriname zeer lang duurt, is onvoldoende voor een bemoeienis van de Nederlandse kortgedingrechter op grond van de onder (i) in rov. 14 vermelde grond.

23. Dit leidt tot de slotsom dat de vordering van appellanten in hoger beroep zal worden afgewezen.

Proceskosten

24. [De Weduwe] en de Stichting zullen als de in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld worden in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [Kind vier] .

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [De Weduwe] en de Stichting in de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van [Kind vier] , tot aan deze uitspraak begroot op € 1.387,- en aldus gespecificeerd:

- € 313,- griffierecht;

- € 1.074,- kosten advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H.N. Stollenwerck, C.M. Warnaar en F. Ibili en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.