Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:3019

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
BK-17/00305
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:74, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de in bezwaar verminderde naheffingsaanslag verhuurderheffing voor [belanghebbende] leidt tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2019/853
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00305

Uitspraak van 2 februari 2018

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Verhuurderheffing, kantoor Zwolle, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 4 januari 2017, nr. SGR 16/5060.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn over 2014 een naheffingsaanslag in de verhuurderheffing van € 13.240 opgelegd en bij beschikkingen een vergrijpboete van € 397 in verband met het niet tijdig betalen van de belasting en een verzuimboete van € 61 wegens het niet tijdig doen van de vereiste aangifte.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag naar € 5.975 en de vergrijpboete naar € 179 verlaagd en de beschikking verzuimboete gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 334 is geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 501 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft bij brief van 25 oktober 2017 meegedeeld af te zien van het produceren van een verweerschrift in hoger beroep en te volstaan met een verwijzing naar zijn verweerschrift (abusievelijk is gesproken van beroepschrift) in eerste aanleg.

1.7.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 10 november 2017. Partijen zijn verschenen.

Feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert 29 huurwoningen in de zin van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw) in [Z] . Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een gezamenlijk bedrag aan WOZ-waarden van de woningen van € 5.304.187.

2.2.

Naar aanleiding van de alsnog door belanghebbende gedane aangifte voor de verhuurderheffing naar een gezamenlijk bedrag aan WOZ-waarden van de woningen van € 2.394.000 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag dienovereenkomstig verminderd.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

3. In geschil is of de in bezwaar verminderde naheffingsaanslag verhuurderheffing voor [belanghebbende] leidt tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP EVRM.

4. [ Belanghebbende] stelt dat de verhuurderheffing zoals neergelegd in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 in combinatie met de huurprijswetgeving maakt dat de verhuurderheffing in haar geval leidt tot een individuele buitensporige last. [Belanghebbende] exploiteert huurwoningen in de sociale sector welke zijn gelegen in achterstandsgebieden. De woningen worden verhuurd tegen zeer lage huren en er is sprake van achterstallig onderhoud. Voorts voert [belanghebbende] aan dat de grondslag van de heffing, de WOZ-waarde van de woningen meer dan 10% afwijkt van de werkelijke waarde, zodat het onredelijk is om die waarde als grondslag te nemen. [Belanghebbende] verwijst daarbij naar de arresten van de Hoge Raad [belanghebbende] bekend als BNB 2015/174 en 175 zijnde de arresten van 3 en 24 april 2015 (onderscheidenlijk ECLI:NL:HR:2015:812 en ECLI:NL:HR:2015:1171). [Belanghebbende] heeft geen mogelijkheid gehad om inkomstenafhankelijke huurverhoging toe te passen. Door de verplichte verbouwingskosten is het bedrijfsresultaat in 2014 € 27.090 negatief. Daar moet de verhuurderheffing nog op in mindering worden gebracht. De verhuurderheffing leidt tot een economisch onrendabele huurtoestand en is daarom een individuele buitensporige last in de zin van de proportionaliteitstoets van artikel 1 EP EVRM. [Belanghebbende] stelt de naheffingsaanslag verhuurderheffing moet worden vernietigd.

(…)

Beoordeling van het geschil

6. In haar uitspraak van 1 mei 2015 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in een soortgelijke zaak als de onderhavige (ECLI:NL:RBDHA:2015:6283). De rechtbank heeft in deze zaak het volgende overwogen, welke overwegingen de rechtbank in de onderhavige zaak tot de hare maakt:

'Belastingheffing vormt op zichzelf een inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol. Een dergelijk inbreuk is echter toegestaan indien deze “lawful” is en er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Aan de “lawful-eis” is in onderhavig geval voldaan nu de verhuurderheffing een basis heeft in het nationale recht welk voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening en vergezeld gaat van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de inbreuk. Dat er een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd, vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt aan de wetgever op het terrein van het belastingrecht een ruime beoordelingsvrijheid toe. In de parlementaire geschiedenis is als primaire doelstelling van de verhuurderheffing het genereren van inkomsten genoemd. De Wet is daarom meegenomen in het Stabiliteitsprogramma dat op 27 april 2012 aan de Tweede Kamer is gezonden met het oog op het terugdringen van het begrotingstekort tot 3% van het bruto binnenlands product. Er is daarbij voor een verhuurderheffing gekozen omdat een belastingheffing op onroerende zaken tot een minder verstorend effect leidt dan bijvoorbeeld een tariefsverhoging in de inkomsten- of vennootschapsbelasting. Verder vormt de verhuurderheffing volgens de wetgever een belangrijk element van een pakket aan maatregelen die zijn gericht op een betere werking van de woningmarkt (zie MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 407, nr. 3, pag. 2). Gelet op het bovenstaande heeft de wetgever met de verhuurderheffing de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid dan ook niet overschreden. Dat aan de verhuurderheffing primair budgettaire overwegingen ten grondslag liggen, leidt overigens ook niet tot de conclusie dat de verhuurderheffing geen legitiem doel in het algemeen belang nastreeft (vergelijk Hof Den Haag, 16 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4131).'

7. [ Belanghebbende] heeft haar stelling dat zij wordt getroffen door een individuele en buitensporige last omdat de verhuurderheffing voor haar leidt tot een structureel verliesgevende situatie niet aannemelijk gemaakt. Uit de door [belanghebbende] overgelegde stukken, zoals het resultatenoverzicht en de specificatie bruto-omzetresultaat, blijkt dat eventuele negatieve resultaten in 2014 en toekomstige jaren gerelateerd zijn aan het plegen van achterstallig onderhoud. Daaruit kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de verhuurderheffing, zoals thans aan de orde, op zich zelf leidt tot een structureel verliesgevende situatie. Het feit dat het voor [belanghebbende] moeilijk is gebleken om de zogenoemde gewaarborgde inkomsten in de vorm van de inkomensafhankelijke huurverhoging vanwege de daarmee gemoeide (gebrekkige) informatieverstrekking te realiseren, maakt dit oordeel niet anders.

8. Met betrekking tot de stelling van [belanghebbende] dat de wetgever in redelijkheid niet de WOZ-waarde als grondslag voor de heffing heeft kunnen bepalen, overweegt de rechtbank als volgt. De wetgever heeft bewust gekozen voor de WOZ-waarde als grondslag voor de heffing. De achtergrond van deze keuze is gelegen in het streven naar eenduidige, objectieve wetgeving die door alle betrokkenen efficiënt kan worden uitgevoerd. De rechtbank stelt voorop dat het aan de wetgever is om de heffingsgrondslag te bepalen. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Dit betekent dat het de rechtbank niet is toegestaan de Wet als zodanig te toetsen, behoudens voor zover deze in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Daarvan is, mede gelet op de voorgaande overwegingen, geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever de WOZ-waarde als maatstaf voor de verhuurderheffing heeft kunnen hanteren. De door [belanghebbende] aangehaalde jurisprudentie ziet op de waardebepaling in het economische verkeer in relatie met de Wet IB 2001 en de bepaling van de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Deze jurisprudentie kan daarom niet worden toegepast op de onderhavige casus. Evenmin is van belang dat de ING-bank - zoals te doen gebruikelijk - in verband met de dekking van de financiering van de door [belanghebbende] verhuurde onroerende zaken een lagere waarde dan de WOZ-waarde hanteert. Hetgeen verder nog door of namens [belanghebbende] is aangevoerd maakt niet dat [de Inspecteur] de naheffingsaanslag verhuurderheffing ten onrechte of naar een ander bedrag had moeten opleggen.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, alleen in geschil of de onderhavige verhuurderheffing als ongeoorloofde inbreuk in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (EP) van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Het oordeel van de Rechtbank, dat zo is te begrijpen dat geen feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat in dit geval sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 EP van het EVRM dan wel die anderszins bewerkstelligen dat de wettelijke regeling van de verhuurderheffing geheel of gedeeltelijk buiten toepassing wordt gelaten, is terecht en op goede gronden gegeven. Het Hof ziet, de overwegingen van de Rechtbank overnemend, in geen van de zienswijzen en argumenten die belanghebbende in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd noch anderszins een rechtvaardiging de naheffingsaanslag te verminderen, laat staan te vernietigen. In het bijzonder neemt het Hof in aanmerking dat - hoe zeer het Hof begrip heeft voor de financieel ongunstig uitpakkende verhuurderheffing in het kader van belanghebbendes bedrijfsuitoefening - uit niets blijkt dat de wetgever met betrekking tot de in geding zijnde heffing de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

5.2.

Belanghebbende heeft zich in de procedure niet uitdrukkelijk gekant tegen de boeten. De uit de gedingstukken naar voren komende gegevens en het karakter van beide boeten in aanmerking nemend, komt het Hof tot de conclusie dat de boeten terecht en, voor zover verminderd in de bezwaarfase, tot het juiste bedrag zijn opgelegd, dat wil ook zeggen dat de boeten onder de gegeven omstandigheden passend en geboden zijn.

5.3.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 2 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.