Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2894

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
200.209.059/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling eenvoudige gemeenschap: woning in Nederland en woning in België. Rechtsmacht Nederlandse rechter (EEX-Verordening II) beperkt. Toepasselijk recht. Marokkaans recht van toepassing op vermogensregime. Verdeling eenvoudige gemeenschap beheerst door (impliciet) overeengekomen Nederland recht. Overige vorderingen beheerst door Marokkaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0907
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.209.059/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/498812/ HA ZA 15-1219

arrest van 3 juli 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerde, incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 31 januari 2017 is de man in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 6 juli 2016 en eindvonnis van 9 november 2016 van de rechtbank Den Haag, tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

De man heeft bij memorie van grieven 11 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden, tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van 2 grieven.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de man de grieven van de vrouw bestreden.

Op 1 juni 2018 is de zaak door beide advocaten bepleit.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals vastgesteld in het bestreden tussenvonnis, voor zover daartegen geen grief is gericht. Onder meer staat het volgende vast.

2. Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij zijn op [in] 1989 te Brussel, België, op het Consulaat-Generaal van Marokko met elkaar gehuwd, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. De man heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft zowel de Belgische als de Marokkaanse nationaliteit.

3. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar, ieder voor de onverdeelde helft, van:

- de woning aan de [adres] (verder: de woning te Den Haag),

- de woning aan de [adres] , België (verder: de woning te Antwerpen).

4. De woning te Den Haag wordt bewoond door de man. De woning te Antwerpen wordt verhuurd aan derden. De vrouw woont sinds 2000 met de vier kinderen van partijen in Brussel, alwaar zij een huurwoning heeft betrokken.

Kern van het geschil

5. De kern van het geschil tussen partijen betreft de afwikkeling van een eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de onroerende zaken te Den Haag en Antwerpen.

Het bestreden vonnis

6. Door de rechtbank is in het bestreden eindvonnis als volgt beslist:

In conventie en reconventie:

- stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vast:

- bepaalt dat de woning aan [adres] te Den Haag wordt toegedeeld aan de man, tegen een waarde van € 105.000, inclusief de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank, onder gehoudenheid die lening op zijn naam over te nemen en voort te zetten en onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;

- bepaalt dat de woning aan [adres] , België, wordt toegedeeld aan de vrouw, tegen een waarde van € 250.000, inclusief de op deze woning rustende hypothecaire geldlening bij BNP Paribas Fortis, onder gehoudenheid die lening op haar naam over te nemen en voort te zetten en onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;

- bepaalt dat de vrouw aan de man gelet op de verdeling van voormelde eenvoudige gemeenschap uit hoofde van overbedeling een bedrag dient te voldoen van € 54.381,35;

- bepaalt dat ieder de door hem of haar gemaakte taxatiekosten draagt;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten zo dat de man en de vrouw beiden de eigen kosten dragen.

De vordering van de man

7. Door de man is in hoger beroep gevorderd: vernietiging van de bestreden vonnissen, voor zover daarbij zijn vorderingen zijn afgewezen, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder ambtshalve aanvulling van de gronden, onder handhaving van afwijzing van de vorderingen van de vrouw, de vorderingen van de man toe te wijzen aldus:

Primair

I. De woning [woning te Den Haag] aan de man toe te delen tegen een waarde van € 107.500;

II. De woning [woning te Antwerpen] aan de man toe te delen tegen een waarde van € 195.000;

III. Het onder I en II gevorderde onder de voorwaarde dat de man de vrouw zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de restant hypotheekschulden van de respectievelijke panden;

IV. Te bepalen dat de overwaarde van beide panden, na verrekening met de vorderingen van de man op de vrouw primair voor 100% aan de man toekomt, subsidiair dat de netto overwaarde na verrekening met de vorderingen van de man op de vrouw en waarbij tevens wordt bepaald dat de vrouw de helft van de totale door de man betaalde hypothecaire lasten (rente en aflossing) aan de man dient te voldoen, wordt verdeeld tussen partijen overeenkomstig een door uw hof nader vast te stellen verdeelsleutel;

V. De vrouw te veroordelen, binnen twee weken na betekening van een in dezen te wijzen arrest, tot betaling aan de man van een bedrag van € 57.000,- alsmede te bepalen dat het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag verrekend mag worden met hetgeen de man uit hoofde van toedeling, uitsluitend indien en voor zover de man de vrouw uit hoofde van overbedeling bij toedeling, nog een bedrag dient te betalen;

VI. Te bepalen dat de man een nominaal vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap tussen partijen ten bedrage van € 75.000,-;

VII. Te bepalen dat de man een vordering heeft op de vrouw ter grootte van € 2.000,- wegens door de man betaalde rekening van notaris [naam] BV;

VIII. Te bepalen dat de man een vordering heeft op de vrouw wegens noodzakelijke kosten reparaties [woning te Antwerpen] inclusief boete en proceskosten van € 4.497,70;

IX. Primair te bepalen dat het in deze uit te spreken arrest in de plaats zal treden van de voor de levering bestemde aktes die de man en de vrouw gehouden zijn op te laten maken, oftewel in de plaats zal treden voor alle rechtshandelingen noodzakelijk voor een juridische overdracht van de eigendom;

Subsidiair te bepalen dat het in deze uit te spreken arrest dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte waartoe de vrouw gehouden is met betrekking tot de levering van de woningen,

Meer subsidiair een vertegenwoordiger aan te wijzen die de benodigde rechtshandelingen zal verrichten ten behoeve van de levering van de woningen.

Subsidiair

I. De man te machtigen de woningen [woning te Den Haag] en [woning te Antwerpen] te gelden te maken ten behoeve van de voor rekening van die woning komende schulden en aanspraak te kunnen maken op de verkoopwinst;

II. Te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn ten behoeve van de verkoop van voornoemde panden één of meerdere makelaars de opdracht te geven om de woning te doen verkopen;

III. De verdeling vast te stellen aldus dat van de verkoopopbrengst allen ten laste van deze gemeenschap komende schulden en met de verkoop gepaard gaande kosten worden voldaan en dat het resterende bedrag, na verrekening van vastgestelde vorderingen van de man op de vrouw, primair aan de man toekomt, subsidiair dat de netto overwaarde na verrekening met de vorderingen van de man op de vrouw, wordt verdeeld tussen partijen overeenkomstig een door uw hof vast te stellen verdeelsleutel;

IV. Primair te bepalen dat het in deze uit te spreken arrest in de plaats zal treden van de voor verkoop en levering bestemde aktes die de man en de vrouw gehouden zijn op te laten maken, oftewel in de plaats zal treden voor alle rechtshandelingen noodzakelijk voor een juridische overdracht van de eigendom;

Subsidiair te bepalen dat het in deze uit te spreken arrest dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte waartoe de vrouw gehouden is met betrekking tot de levering van de woningen;

Meer subsidiair een vertegenwoordiger aan te wijzen die de benodigde rechtshandelingen zal verrichten ten behoeve van de levering van de woningen.

Te bepalen dat geïntimeerde, indien zij in verzuim mocht blijven aan het arrest uitvoering te geven, een dwangsom verbeurt van € 250,- voor elke dag waarop zij in verzuim blijft.

Dit alles met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties en met de bepaling dat geïntimeerde de wettelijke rente verschuldigd zal zijn over alle vorderingen die bij dit arrest worden toegewezen ten gunste van de man.

De vordering van de vrouw

8. Door de vrouw is in incidenteel hoger beroep gevorderd, met vernietiging van de bestreden vonnissen, en zo nodig onder ambtshalve aanvulling van de gronden:

I. De vordering van de vrouw in eerste aanleg onder II in reconventie gedaan, strekkende tot veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 15.600,- toe te wijzen en deze te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 12 februari 2011, althans enige andere datum;

II. De [woning te Antwerpen] aan de vrouw toe te delen tegen de waarde van € 195.000,-;

III. De woning [woning te Antwerpen] aan de vrouw toe te delen en de woning [woning te Den Haag] aan de man en de daarbij behorende overbedelingsvordering, door de vrouw aan de man te betalen, te stellen op € 23.881,35

IV. De man te veroordelen in de kosten van dit geding.

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

9. Gelet op de woonplaats van de vrouw in België en de ligging van één van de onroerende zaken in België, draagt deze zaak een internationale karakter. Het hof zal eerst beoordelen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van partijen. De bevoegdheidsvraag dient beantwoord te worden volgens de EEX-Verordening II (Nr. 1215/2012, PbEU 2012, L 35/1), aangezien de verordening zowel materieel (artikel 1) als formeel (artikel 4 juncto artikel 6 lid 1) van toepassing is. Het hof stelt vast dat de vrouw als gedaagde in eerste aanleg geen onbevoegdheidsexceptie heeft opgeworpen, waardoor zij de rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor in beginsel alle geschillen die in de onderhavige zaak aan de Nederlandse rechter zijn voorgelegd, stilzwijgend heeft aanvaard op de voet van artikel 26 lid 1 EEX-Verordening II.

10. De stilzwijgende aanvaarding van de bevoegdheid van de aangezochte rechter schept geen rechtsmacht wanneer sprake is van geschillen over zakelijke rechten op onroerende zaken, in welk geval artikel 24 sub 1 EEX-Verordening II de gerechten van de EU-lidstaat waar de onroerende zaak is gelegen exclusief bevoegd verklaart. Uit HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1765 (Szajak-Combé/Bialek) volgt dat de door partijen over en weer ingestelde vordering tot verdeling van de woning te Antwerpen niet wordt bestreken door artikel 24 sub 1 EEX-Verordening II, omdat de vordering haar grondslag vindt in een persoonlijk recht dat de eigenaar van de zaak ontleent aan de rechtsverhouding tot de mede-eigenaar en dat alleen tegenover deze mede-eigenaar geldend kan worden gemaakt (rov. 3.5.2). Artikel 24 sub 1 EEX-Verordening II staat er dus niet aan in de weg dat de Nederlandse rechter bevoegdheid aanneemt op grond van artikel 26 lid 1 EEX-Verordening II, wat de vordering tot verdeling van de woning te Antwerpen betreft.

11. Voor zover de man de reële executie van registergoederen vordert, beoogt hij daarmee de goederenrechtelijke levering – de eigendomsoverdracht – van beide onroerende zaken tot stand te brengen. Daarmee raakt de vordering een zakelijk recht op onroerende zaken en valt de vordering binnen het toepassingsbereik van artikel 24 sub 1 EEX-Verordening II. Voor zover de vordering tot reële executie betrekking heeft op de in Antwerpen gelegen woning, is de Belgische rechter exclusief bevoegd en komt de Nederlandse rechter geen bevoegdheid toe op grond van artikel 26 lid 1 EEX-Verordening II. Ten aanzien van de in Den Haag gelegen woning komt de Nederlandse rechter, als de rechter van de plaats van ligging, wel rechtsmacht toe om kennis te nemen van de vordering tot reële executie. Het vorenstaande impliceert dus dat het hof geen rechtsmacht heeft met betrekking tot de vordering van de man, inhoudende kort gezegd, dat het in deze te wijzen arrest in de plaats zal treden van de voor de levering van de woning te Antwerpen benodigde akte.

Toepasselijk recht

12. In het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat het Marokkaanse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Tegen deze vaststelling is in appel geen grief geformuleerd, zodat het hof dient uit te gaan van de toepasselijkheid van Marokkaans recht op het huwelijksvermogensregime van partijen.

13. Het hof stelt vast dat naar Marokkaans recht geen huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen bestaat en dat zij buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd (artikel 49 Mudawwana). Ieder van de echtgenoten blijft naar Marokkaans huwelijksvermogensrecht eigenaar van zijn of haar goederen: het huwelijk doet geen gemeenschap ontstaan.

14. De eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de onroerende zaken te Den Haag en Antwerpen, is weliswaar tijdens het huwelijk van partijen ontstaan maar betreft geen vermogensrechtelijk gevolg van het huwelijk van partijen aangezien het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht geen gemeenschap kent. De verdeling van de eenvoudige gemeenschap tussen partijen wordt derhalve niet beheerst door het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht.

15. De vraag rijst volgens welk rechtsstelsel de door partijen gevorderde verdeling van de eenvoudige gemeenschap beoordeeld dient te worden. Uit de processtukken en de over en weer door partijen ingenomen standpunten leidt het hof af dat het debat tussen partijen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is gevoerd volgens Nederlands recht. Partijen hebben hun vorderingen tot verdeling van de onroerende zaken te Den Haag en Antwerpen gebaseerd op Titel 7 van Boek 3 BW. Daarin ziet het hof een impliciete rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht. Hetzelfde geldt voor de met de verdelingsvordering samenhangende vorderingen, te weten (i) de betaling van de hypotheekrente, (ii) de aflossing van de hypotheek en (iii) de gelden die de man uit eigen vermogen heeft geïnvesteerd in de onroerende zaken. Aangezien de verdeling van een eenvoudige gemeenschap en de daarmee samenhangende vorderingen ter vrije dispositie van partijen staan en niet de goederenrechtelijke overgang van de onroerende zaken zelf betreft, zal het hof de (impliciete) rechtskeuze van partijen voor Nederlands recht respecteren.

16. Dan zijn er nog twee vorderingen die niet direct met de verdeling van de eenvoudige gemeenschap samenhangen, maar een andere grondslag hebben. Om te beginnen is dat de vordering van de vrouw van € 15.600,- (eerste incidentele grief), waarvan ter zitting duidelijk is geworden dat aan deze vordering een onrechtmatige daad ten grondslag wordt gelegd: de man zou zonder de toestemming van de vrouw € 15.600,- van haar Belgische bankrekening naar zijn eigen Nederlandse bankrekening hebben overgeboekt. Ter zitting hebben partijen een expliciete rechtskeuze uitgebracht en wel in die zin dat de vermeende onrechtmatige daad moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Het hof zal op deze vordering van de vrouw Nederlands recht toepassen.

17. Ten slotte is er de vordering van de man van € 57.000,-, stellende dat een notaris in Den Haag in 2007 ten onrechte dit bedrag, behorend tot het vermogen van de man, heeft overgeboekt naar de Belgische bankrekening van de vrouw. Het hof kwalificeert deze vordering als een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Op basis van artikel 10 Rome II-Verordening (Nr. 864/2007, PbEU 2007, L 199/40) wordt deze vordering beheerst door Belgisch recht, nu niet is gebleken van een rechtskeuze van partijen voor een ander rechtsstelsel.

De verdeling van de onroerende zaken en de daarmee samenhangende vorderingen

18. Het hof bespreekt allereerst de grieven die betrekking hebben op de verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de daarmee samenhangende vorderingen van partijen. Daarbij neemt het hof tot uitgangspunt dat uit het memorandum van notaris mr. [naam] van 6 maart 2015 onder meer het volgende volgt:

- Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd tot het eeuwigdurend recht van erfpacht met betrekking tot de woning te Den Haag. Het eigendom is verworven op 25 juli 1994. De koopprijs was € 38.571,-. De aankoop van het pand is grotendeels gefinancierd met een hypothecaire lening van de Postbank. Deze lening is vervangen door een lening van de Fortis Bank Nederland NV. De hypothecaire geldlening bedroeg op 24 juli 2013 € 54.454,-.

- Bij akte van 15 juli 2005 hebben partijen de onverdeelde helft van de woning te Antwerpen in eigendom verkregen. De onroerende zaak bestaat uit drie verhuurde appartementen. De koopprijs was € 192.500,-. De aankoop is gefinancierd met een lening van BNP Paribas Fortis van € 147.394,85. Daarnaast heeft de man een bedrag van € 75.000,- van zijn eigen vermogen aangewend. Het was de bedoeling dat de rente en aflossing van de hypothecaire schuld zouden worden voldaan uit de huuropbrengsten van de appartementen. De huuropbrengst van twee van de drie appartementen wordt geïnd door de man en de huuropbrengst van het derde appartement wordt geïnd door de vrouw. Sinds augustus 2011 betaalt de man € 1.089,11 aan rente en aflossing aan voormelde bank. Per oktober 2013 bedroeg de lening € 77.390,41. In het kader van de financiering van de woning te Antwerpen heeft de man op de vrouw een vordering van € 30.976,38. De vrouw heeft niet onderbouwd hoe zij, bij toedeling van deze woning aan haar, de financiering kan voldoen.

19. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen zullen de vordering tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de daarmee samenhangende vorderingen beoordeeld worden naar Nederlands recht. De rechter kan conform artikel 3:185 BW de verdeling van een eenvoudige gemeenschap vaststellen of de wijze van verdeling gelasten. Bij de verdeling dient de rechter rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter komt in het kader van artikel 3:185 BW een grote discretionaire bevoegdheid toe. Het vaststellen van de (wijze van) verdeling door de rechter heeft geen goederenrechtelijke werking. Voor de overgang van het eigendom is een afzonderlijke goederenrechtelijke levering vereist.

20. Uit de memorie van grieven volgt dat de man wenst dat de onroerende zaken te Den Haag en Antwerpen aan hem worden toegedeeld. In dat verband wijst de man op het volgende. De vrouw heeft in 2000 de echtelijke woning van partijen (de woning) te Den Haag verlaten en is met de kinderen in Brussel gaan wonen in een appartement van haar ouders. De man heeft de woning te Antwerpen gekocht door aanwending van privévermogen. Hij is altijd zeer betrokken geweest bij deze woning. De vrouw heeft pas bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 april 2016 kenbaar gemaakt dat zij de woning te Antwerpen in het kader van de verdeling wenst te verkrijgen, terwijl zij tot dan toe heeft betoogd dat deze woning verkocht moest worden. Ten slotte voert de man aan dat de vrouw financieel niet in staat is om de woning te Antwerpen over te nemen en de lasten daarvan te dragen.

21. Uit het betoog van de vrouw volgt dat zij nog steeds wenst dat de woning te Antwerpen aan haar wordt toegedeeld. De vrouw is van mening dat haar betrokkenheid tot deze woning groter is dan de man. De vrouw ontkent dat zij de woning niet gefinancierd krijgt. Zij wenst zelf in het pand te gaan wonen met haar kinderen.

22. Het hof overweegt als volgt. De redelijkheid en billijkheid brengt in het onderhavige geval met zich dat de onroerende zaken te Den Haag en Antwerpen in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen aan de man worden toegedeeld. Daartoe acht het hof de volgende omstandigheden van belang. De man is zelf woonachtig in het pand te Den Haag. De man heeft aannemelijk gemaakt dat hij met zijn inkomen als arts beide onroerende zaken kan financieren, in tegenstelling tot de vrouw die met een minimum inkomen niet in staat moet worden geacht de woning te Antwerpen te kunnen financieren. Tijdens het pleidooi heeft de vrouw haar stelling dat zij deze woning wel kan financieren verder niet althans onvoldoende onderbouwd. Voorts acht het hof relevant dat de woning te Antwerpen door partijen is aangekocht als beleggingsobject, zodat een woonfunctie voor (een van) partijen minder voor de hand ligt.

23. Nu partijen geen overeenstemming hebben over de datum van de waardering van de onroerende zaken dient voor de waarde van de zaken uitgegaan te worden van de waarde drie maanden gelegen na datum van het onderhavige arrest. Met betrekking tot de woning te Den Haag moet uitgegaan worden van de waarde in het vrije economische verkeer, dus in onverhuurde staat. Met betrekking tot de woning te Antwerpen moet uitgegaan worden van de waarde in verhuurde staat. Het hof geeft partijen in overweging ieder een deskundige aan te wijzen en af te spreken dat deze deskundigen een derde deskundige aanwijzen. Deze deskundigen dienen gezamenlijk de waarde van de onroerende zaken bindend voor partijen vast te stellen.

24. De man stelt voorts dat hij eigen vermogen heeft geïnvesteerd in de woning te Antwerpen, te weten een bedrag van € 75.000,- dat hij heeft verkregen uit hoofde van een letselschade-uitkering van OHRA. De man heeft in zijn memorie van grieven uiteengezet op welke wijze hij het bedrag van € 75.000,- heeft aangewend voor de woning te Antwerpen, te weten een aanbetaling van € 17.500,- op de rekening van de notaris en een overboeking naar de rekening van de notaris van een bedrag van € 33.153,35 en van € 291,55, terwijl het restant van het bedrag is aangewend voor de verbouwing van het pand tot drie appartementen.

25. De vrouw betwist dat de man aangetoond zou hebben dat hij de letselschade-uitkering van € 75.000,- aangewend heeft voor de aankoop en de verbouwing van de woning te Antwerpen. Volgens de vrouw heeft de man dat bedrag aangewend voor de aflossing van een schuld aan [naam] BVBA, zijnde een vennootschap van de vrouw.

26. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de koopprijs en de aankoopkosten van de woning te Antwerpen aanzienlijk hoger waren dan de verstrekte hypothecaire geldlening. Niet betwist is door de vrouw dat het pand te Antwerpen is verbouwd tot drie appartementen. De vrouw heeft geen duidelijkheid verschaft over de vraag met welke middelen de aankoop en de verbouwing van de woning is gefinancierd, behoudens een door de bank verstrekte hypothecaire geldlening. Daartegenover staat de onderbouwde stelling van de man dat hij uit eigen middelen heeft aangewend een bedrag van € 50.944,90 voor de aankoop van de woning en een bedrag van € 25.000,- voor de verbouwing van het pand. De juistheid van deze stelling wordt ook onderschreven in het memorandum van notaris mr. [naam] , waarin bij (het voorstel tot) de vermogensrechtelijke afwikkeling wordt uitgegaan van een inbreng van de man van € 75.000,- terzake de woning te Antwerpen. Gelet op de gedetailleerdheid waarmee de man zijn stelling heeft onderbouwd, de bevindingen in het memorandum van notaris mr. [naam] , en daartegenover de enkele betwisting door de vrouw dat de man niet uit eigen vermogen een bedrag van € 75.000,- in de woning heeft geïnvesteerd zonder een verklaring te geven voor de wijze van financiering en verbouwing van de woning, volgt het hof de man in zijn stelling dat hij uit eigen vermogen een bedrag van € 75.000,- in de woning heeft geïnvesteerd. Voormeld bedrag dient de man in het kader van de afwikkeling van de eenvoudige gemeenschap vergoed te krijgen.

27. Ten aanzien van de lasten van de onroerende zaken overweegt het hof als volgt. Gezien het feit dat de man woonachtig is in de woning te Den Haag, acht het hof het redelijk en billijk dat hij alle lasten draagt met betrekking tot dit pand met uitzondering van de aflossing op de hypothecaire geldlening. De aflossing op de hypothecaire geldlening dient door partijen te geschieden bij helfte. Met betrekking tot de woning te Antwerpen – een beleggingspand – is het hof van oordeel dat de lasten gelijk tussen partijen moeten worden gedragen en voorts dat de vruchten van dit pand aan beide partijen gelijk toekomen.

28. De man heeft onder IV van zijn petitum subsidiair gevorderd dat de vrouw de helft van de totale door de man betaalde hypothecaire lasten (rente en aflossing) aan hem dient te betalen. Het hof zal deze vordering van de man afwijzen, omdat op basis van de beschikbare gegevens het hof niet in staat is om vast te stellen hoeveel deze hypothecaire lasten en de inkomsten bedragen. Het hof spoort partijen aan om een opstelling te maken van de lasten en de inkomsten, waarbij geldt dat een positief saldo gelijk tussen partijen moet worden verdeeld en een tekort door partijen gelijk moet worden gedragen.

29. In grief XI vordert de man een bedrag aan kosten die hij heeft gemaakt met betrekking tot de woning te Antwerpen. De vrouw heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en onder meer gesteld dat het de man niet is toegestaan om met deze vordering een nieuw geschil toe te voegen in hoger beroep. Voorts stelt zij dat de man geen inzicht geeft in de opbouw van de vordering. Ten slotte voert de vrouw aan dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de werkzaamheden.

30. Het hof overweegt als volgt. De – tijdige – eisvermeerdering van de man in appel is toegestaan, aangezien de vordering van de man op zich zelf genomen duidelijk en voldoende specifiek is, zodat de wederpartij zich daartegen voldoende heeft kunnen verweren. Dat neemt niet weg dat de man onvoldoende inzicht geeft in de opbouw van zijn vordering, zodat de vordering reeds op deze grond moet worden afgewezen. Voorts is gebleken dat de man de vrouw heeft gedagvaard voor de rechtbank te Antwerpen met betrekking tot herstelwerkzaamheden aan en onderhoudskosten voor de woning te Antwerpen. Deze procedure is ingeleid bij dagvaarding van 11 oktober 2016. De memorie van grieven van de man – waarin de eisvermeerdering is vervat – dateert van 25 april 2017. Dit betekent dat de Belgische rechter, als eerst aangezochte rechter, zich zal moeten uitlaten over de herstelwerkzaamheden aan en onderhoudskosten voor de woning te Antwerpen.

De vordering van de man op de vrouw van € 57.000,-

31. In grief V stelt de man aan de orde dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering op de vrouw van € 57.000,- heeft afgewezen. Volgens de man staat vast dat een – de man toekomend – bedrag van € 57.000,- ten onrechte is overgeboekt naar een Belgische bankrekening van de vrouw. Op 1 oktober 2007 heeft de vrouw van deze bankrekening een bedrag van € 28.000,- opgenomen, gevolgd door een overschrijving van € 15.000,- op 12 november 2008 en daarna nog door diverse hoge opnames door de vrouw. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de onttrokken gelden heeft verduisterd en niet heeft aangewend voor de kosten van de huishouding.

32. De vrouw is van mening dat de vordering van de man terecht is afgewezen. Door de vrouw wordt erkend dat het bedrag van € 57.000,- op een aan haar toebehorende bankrekening is binnengekomen. De man had tot november 2010 een volmacht, zodat beide partijen toegang hadden tot deze rekening. Het geld is opgegaan tijdens het huwelijk, er valt dus niets meer te verdelen. Voor zover nog enig vermogen over was van de € 57.000,- heeft de man zich dit toegeëigend, althans heeft hij dat al ontvangen. Subsidiair beroept de vrouw zich op een natuurlijke verbintenis van de man om haar en de kinderen te voorzien van voldoende middelen van bestaan.

33. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de gedingstukken volgt dat in 2007 € 57.000,- uit het vermogen van de man is gevloeid in het vermogen van de vrouw. Het hof begrijpt dat dit geldbedrag zonder recht of titel is overgegaan en de vrouw daarmee, volgens het toepasselijke Belgische recht, ongerechtvaardigd is verrijkt. De vraag is hoe deze ongerechtvaardigde verrijking zich verhoudt tot de beslissing van de rechtbank in het bestreden tussenvonnis dat op grond van artikel 194 Mudawwana de man zorg dient te dragen voor de kosten van de huishouding en dat de vrouw het bedrag van € 57.000,- mocht aanwenden voor de kosten van de huishouding. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man moet bewijzen dat het bedrag van € 57.000,- niet is aangewend voor de kosten van de huishouding.

34. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de persoonlijke betrekkingen tussen de echtgenoten wordt beheerst door het Marokkaanse recht (artikel 10:36 sub a BW). Uit het Marokkaanse recht volgt dat het levensonderhoud van de echtgenote, waaronder de kosten van de huishouding, rust op haar echtgenoot zodra de consummatie van het huwelijk heeft plaatsgevonden. In 2007 voerden partijen nog een gemeenschappelijke huishouding; daaraan doet niet af dat de man en de vrouw niet op hetzelfde adres woonden. Zij hadden in wezen twee gezamenlijke huishoudens (één in België en één in Nederland). Gezien het feit dat de man naar Marokkaanse recht tijdens het huwelijk onderhoudsplichtig is jegens de vrouw, had de vrouw tijdens het huwelijk recht op levensonderhoud van de man en mocht zij naar het oordeel van het hof erop vertrouwen dat zij het bedrag van € 57.000,- mocht aanwenden voor de kosten van levensonderhoud. Daarbij is van belang dat de man de vrouw geen vaste bijdrage betaalde voor de kosten van de huishouding en de vrouw in België rond moest komen van een minimum inkomen. Voorts is van belang dat de man, nadat het bedrag van € 57.000,- in 2007 was bijgeschreven op een bankrekening van de vrouw, tot het moment van het inleiden van de onderhavige procedure geen aanspraak jegens de vrouw heeft gemaakt op dit bedrag op de grond dat zij zonder recht of titel dit bedrag onder zich hield. De grief van de man treft derhalve geen doel.

De rekening van de notaris

35. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist dat de vrouw de helft van de rekening van notaris mr. [naam] dient te voldoen. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij aan de notaris geen opdracht heeft gegeven.

36. Het hof overweegt als volgt. Bij beschikking van 9 juli 2014 heeft het hof Den Haag bevolen, voor zover volgens het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht een gemeenschap van goederen bestaat of een gemeenschap uit andere hoofde, dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van deze gemeenschap. Voorts heeft het hof notaris mr. [naam] aangewezen als boedelnotaris indien partijen niet binnen 21 dagen gezamenlijk een andere notaris aanwijzen. Op basis van gesprekken en de input van beide partijen heeft notaris mr. [naam] een memorandum opgesteld en toegezonden naar het hof.

37. Gezien de inhoud van voormelde beschikking van het hof, dienen de kosten van de boedelnotaris gezamenlijk door partijen te worden gedragen. De grief van de man treft dus doel. De vrouw zal worden veroordeeld om de helft van de rekening van notaris mr. [naam] aan de man te betalen.

Artikel 49 Mudawwana

38. Zoals reeds overwogen, bestaat naar Marokkaans recht geen huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen. Dat neemt niet weg dat het Marokkaanse recht wel erin voorziet dat de echtgenoot die heeft bijgedragen aan de vermogensaanwas van de andere echtgenoot een vergoedingsrecht toekomt ten laste van het vermogen van deze echtgenoot. De hoogte daarvan wordt door de rechter vastgesteld op basis van ‘algemene beginselen van het bewijsrecht, met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin’ (artikel 49, laatste zin, Mudawwana). Daarbij zal, zoals de rechtbank ook heeft overwogen in rov. 4.11 van het bestreden tussenvonnis, ook rekening moeten worden gehouden met de werkzaamheden die een van de echtgenoten gedurende het huwelijk van partijen in de huishouding heeft verricht.

39. In rov. 4.16 van het bestreden tussenvonnis overweegt de rechtbank dat sprake is geweest van een huwelijk met een traditionele rolverdeling, waarbij de vrouw zorg had voor de kinderen en de man zich professioneel ontwikkelde en betaald werk had. De rechtbank komt tot de conclusie dat op basis van artikel 49 Mudawwana partijen ieder voor de helft recht hebben op de overwaarde van de woning te Den Haag, zonder rekening te houden met de door de man betaalde hypotheeklasten. Uit rov. 4.24 t/m 4.25 van het bestreden tussenvonnis volgt dat de rechtbank met betrekking tot de verdeling van de overwaarde op de woning te Antwerpen tot dezelfde conclusie komt.

40. Het hof begrijpt uit het appel van de man dat hij primair van mening is dat de overwaarde van de onroerende zaken te Antwerpen en Den Haag op grond van artikel 49 Mudawwana volledig aan hem toekomt en de vrouw geen aanspraak heeft op de overwaarde. De man betwist dat de vrouw een bijdrage zou hebben geleverd aan de waardestijging van de onroerende zaken in het bijzonder en aan een vermogensvermeerdering in het algemeen. De rechtbank is volgens de man ten onrechte ervan uitgegaan dat sprake is geweest van een traditionele rolverdeling binnen het huwelijk van partijen. Partijen woonden sinds het jaar 2000 apart van elkaar en hadden elk hun eigen huishouding in een ander land en daarbij elk hun eigen inkomsten.

41. Uit het verweer van de vrouw volgt dat zij van mening is dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat beide partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn in de overwaarde van de onroerende zaken. De vrouw is van mening dat geen aanleiding bestaat voor een andere verdeling van de overwaarde in de onroerende zaken dan op basis van 50%. De vrouw stelt voorts dat sprake was van een traditionele rolverdeling in het huwelijk van partijen. Partijen hebben ervoor gekozen om hun huwelijk zo in te richten dat de man studeerde en werkte en de vrouw voor de kinderen zorgde. De vrouw ontving een WW-uitkering en later een invaliditeitsuitkering.

42. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet worden vastgesteld welke inspanningen partijen over en weer hebben verricht die tot de overwaarde aan de onroerende zaken hebben geleid. Dit betekent dat partijen over en weer geen vergoedingsaanspraak uit hoofde van artikel 49 Mudawwana toekomt. Daarbij merkt het hof nog op dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, tussen partijen geen sprake was van een traditioneel gezin. Feitelijk wonen de man en de vrouw al sinds 2000 gescheiden in twee landen. De vrouw woont in een woning van haar ouders in Brussel en de man woont in de voormalige echtelijke woning te Den Haag. De vrouw heeft een WW-uitkering genoten en thans krijgt zij een invaliditeitsuitkering. Het memorandum van notaris mr. [naam] vermeldt voorts dat de huuropbrengst van een van de drie appartementen van de onroerende zaak te Antwerpen, in ieder geval destijds, door de vrouw werd geëind. Zij beschikt dus over een eigen inkomstenbron en is niet (volledig) afhankelijk (geweest) van de man.

De overboeking van € 15.600,-

43. De vrouw stelt in haar eerste incidentele grief dat de man zonder toestemming van haar bankrekening in totaal een bedrag van € 15.600,- heeft overgeboekt naar zijn eigen bankrekening. Zij vordert dat de man wordt veroordeeld om dit bedrag aan haar terug te betalen. Ter zitting heeft de vrouw verduidelijkt dat zij aan deze vordering ten grondslag legt een door de man jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Ter zitting hebben partijen een uitdrukkelijke rechtskeuze uitgebracht en wel in die zin dat zij willen dat het hof de onderhavige vordering van de vrouw beoordeeld volgens Nederlands recht. De over en weer door partijen betrokken standpunten met betrekking tot deze vordering kunnen als volgt worden samengevat.

44. De vrouw stelt dat partijen medio 2010 hun relatie hebben verbroken en dat zij op 16 november 2010 de volmacht van de man heeft ingetrokken om over haar bankrekening te kunnen beschikken. De man heeft in februari 2011 verschillende bedragen van in totaal € 15.600,- van de bankrekening van de vrouw zonder haar instemming overgeschreven naar zijn eigen bankrekening. Na de overboekingen bedroeg het saldo op haar bankrekening nog maar € 464,58. De vrouw is van mening dat de man moet bewijzen dat hij van de vrouw toestemming heeft gekregen om de bedragen van haar bankrekening af te schrijven.

45. De man heeft verweer gevoerd. Hij erkent dat de vrouw op 16 november 2010 de machtiging van de man heeft ingetrokken waarmee hij over de bankrekening van de vrouw mocht beschikken. De overschrijvingen waar de vrouw op doelt, zijn verricht middels PC banking. De betalingen zijn verricht via het bankingcontract van de vrouw met gebruikmaking van haar digipass. De man beschikt niet over een digipass en heeft daar ook nooit de beschikking over gehad. De man heeft evenmin de beschikking over een decoder welke alleen in het bezit is van de vrouw. De overschrijvingen hebben plaatsgevonden tijdens het huwelijk van partijen en voor hun relatiebreuk. De man betwist dat hij de overschrijvingen heeft gedaan.

46. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet heeft bewezen dat de man geld van haar bankrekening heeft overgeboekt naar zijn eigen bankrekening. Ook tijdens het pleidooi heeft de vrouw het hof niet overtuigd van haar stelling. Daartegenover staat de gemotiveerde betwisting van de man, onder meer stellende dat de overschrijvingen zijn verlopen via het bankingcontract van de vrouw en dat hij niet de beschikking had over een decoder. Het hof acht deze stelling van de man overtuigend. Daarmee was het voor de man niet mogelijk om de gelden van de bankrekening van de vrouw over te boeken naar zijn eigen bankrekening. De grief faalt derhalve.

Dwangsommen en proceskosten

47. Het hof gaat ervan uit dat beide partijen uitvoering zullen geven aan dit arrest. Het hof acht het niet noodzakelijk om dwangsommen op te leggen.

48. Gezien het feit dat sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

49. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, behoeven de overige – hiervoor nog niet aan bod gekomen – stellingen van partijen, geen verdere bespreking.

50. Het hof komt tot de slotsom dat de bestreden vonnissen vernietigd dienen te worden.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen van 6 juli 2016 en 9 november 2016, tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

1. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap als volgt vast:

a. bepaalt dat de woning [woning te Den Haag] wordt toegedeeld aan de man tegen de waarde in het vrije economische verkeer, drie maanden na dato van dit arrest, onder de gehoudenheid dat hij als eigen schuld zal voldoen de op de woning rustende hypothecaire geldlening en onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;

b. bepaalt dat de woning [woning te Antwerpen] aan de man wordt toegedeeld, tegen de waarde in verhuurde staat, drie maanden na dato van dit arrest, onder gehoudenheid dat hij als eigen schuld zal voldoen de op de woning rustende hypothecaire geldlening en onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;

c. bepaalt dat de man de lasten met betrekking tot de woning [woning te Den Haag] volledig dient te dragen;

d. bepaalt dat de vrouw de helft van de aflossing op de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning [woning te Den Haag] aan de man dient te vergoeden;

e. bepaalt dat beide partijen gelijk gerechtigd zijn op de vruchten van de woning [woning te Antwerpen] , met dien verstanden dat beide partijen ook gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de lasten;

f. bepaalt dat de man een vordering heeft op de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning [woning te Antwerpen] van € 75.000,- en dat dit bedrag in het kader van de verdeling van deze eenvoudige gemeenschap verrekend dient te worden tussen partijen;

g. bepaalt dat de vrouw de helft van de aflossing op de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning [woning te Antwerpen] aan de man dient te vergoeden;

2. veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen een bedrag van € 2.000,- met betrekking tot de nota van notaris mr. [naam] ;

3. compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten zal dragen;

4. verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.