Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2888

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
200.214.304/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenleving. Woning betreft een eenvoudige gemeenschap. Wettelijke kader geschetst. Kosten terras en pad. Vrouw geen vergoeding verschuldigd voor door de man met betrekking tot de woning verrichtte arbeid. Wet behelst geen normen voor gebruiksvergoeding; toepassing redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.214.304/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 4891471 CV EXPL 16-2194

arrest van 24 juli 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P. de Heuvel te Papendrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht.

Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst naar zijn arrest van 27 juni 2017.

Op 28 augustus 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.

De vrouw heeft op 28 augustus 2017 een memorie van antwoord tevens incidenteel appel genomen.

De man heeft op 7 november 2017 een memorie van antwoord genomen in het incidentele appel.

De vrouw heeft op 21 november 2017 een akte genomen.

De man heeft op 19 december 2017 een antwoordakte genomen.

Partijen hebben om arrest gevraagd onder overlegging van hun procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

Enige feiten en juridisch kader

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam zijn vastgesteld in het tussenvonnis van 1 september 2016.

2. Uit de gewisselde processtukken volgt dat partijen met elkaar hebben samengewoond. De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de samenleving hebben partijen vastgelegd in een samenlevingsovereenkomst. De samenleving tussen partijen is begin december 2012 geëindigd.

3. Partijen zijn sedert september 2004 ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning te [plaatsnaam] aan [adres] . De woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening die is verstrekt door de vader van de man.

4. In artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen een regeling getroffen met betrekking tot de gewone gang van de huishouding, en in artikel 13 en 14 een regeling inzake de beëindiging van de samenleving. Goederen die partijen in mede-eigendom toebehoren moeten worden verdeeld.

5. De woning betreft een eenvoudige gemeenschap. Een ieder dient derhalve zijn eigen aandeel in het goed te financieren. Gedurende de samenleving kunnen de rentelasten met betrekking tot de hypothecaire geldlening – op basis van de samenlevingsovereenkomst – aangemerkt worden als kosten van de samenleving. Na verbreking van de samenleving van partijen, dient in beginsel iedere deelgenoot op grond van artikel 3:172 BW bij te dragen in de lasten van de woning conform zijn aandeel in het goed. Ingevolge artikel 3:170 lid 2 BW dient het beheer van de woning te geschieden door de deelgenoten gezamenlijk. De rechtsverhouding tussen de deelgenoten wordt mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.

De vordering van de man

6. De man verzoekt het hof het eindvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam op 19 januari 2017, tussen partijen gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen en de vorderingen van de man alsnog toe te wijzen, waarbij de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

De vordering van de vrouw

7. De vrouw verzoekt het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zij beroep af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof het vonnis waarvan beroep te vernietigen, voor zover de aan de vrouw toekomende gebruiksvergoeding is vastgesteld op een bedrag van € 225,- en te bepalen dat de gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw verschuldigd is € 625,- zal bedragen, althans een zodanig bedrag als de vrouw daadwerkelijk aan de hypotheekverstrekker verschuldigd zal blijken te zijn, althans een zodanig bedrag als door het hof in goede justitie te bepalen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

Herstelvonnis 24 mei 2017, de grieven van de man, kosten terras en pad

8. Uit het herstelvonnis van 24 mei 2017 volgt dat de vrouw aan de man moet betalen de somma van € 3.184,58. Bij de formulering van zijn grieven heeft de man geen rekening gehouden met het herstelvonnis. In zijn memorie van antwoord in het incidentele appel (nr. 9) stelt de man dat de grief moet worden aangepast naar aanleiding van het herstelvonnis. Verder stelt hij dat de rechtbank in het herstelvonnis terecht heeft geoordeeld dat de vrouw aan de kosten voor de bouw van het tuinhuis dient bij te dragen (nr. 10). De man is het er echter niet mee eens dat de vrouw niet behoeft mee te betalen aan de kosten van het terras en het pad, te weten een bedrag van € 7.654,85. De man is van mening dat hij de vrouw wel op de hoogte heeft gebracht van zijn werkzaamheden aan het terras en het pad, en dat hij erop mocht vertrouwen dat ook de vrouw aan deze kosten zou meebetalen.

9. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft gesteld dat de man zelf ter zitting heeft verklaard dat het zijn eigen keuze was om een terras en een pad aan te leggen. De man mocht er niet op vertrouwen dat de vrouw zou meebetalen aan het pad en het terras.

10. Het hof overweegt als volgt. In zijn memorie van grieven heeft de man geen grief gericht tegen rov. 4.7 van het vonnis van 1 september 2016, waarin is overwogen: “ [de man] heeft ter zitting gesteld dat het zijn eigen keuze was om een terras en een pad aan te leggen en hij heeft erkend dat hij [de vrouw] hierover niet heeft geïnformeerd. [de man] mocht er daarom niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat [de vrouw] (ook) hieraan zou meebetalen. De kosten voor het aanleggen van het pad en het terras komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. (…)”.

11. Indien de man de kosten met betrekking tot het pad en het terras met de vrouw had willen delen, had het op grond van artikel 3:170 BW op zijn weg gelegen om vooraf de toestemming van de vrouw te verkrijgen voor het verrichten van de desbetreffende werkzaamheden. Nu hij dit niet heeft gedaan, komen deze kosten voor zijn eigen rekening, hetgeen te meer geldt daar hij zelf heeft gesteld dat het zijn eigen keuze was om het terras en het pad aan te leggen.

Arbeidsloon

12. De man is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de vrouw er geen rekening mee behoefde te houden dat zij aan de man een vergoeding moet voldoen voor de werkzaamheden die de man aan de woning heeft verricht. In zijn toelichting op de grief stelt de man dat, als hij de werkzaamheden niet zou hebben verricht hij voor derden opdrachten had kunnen aannemen. De man vindt het onredelijk dat de vrouw niet aan hem een vergoeding moet betalen. Een deel van de werkzaamheden heeft hij verricht na december 2012, dus na de beëindiging van de samenleving.

13. Door de vrouw is verweer gevoerd. In van haar memorie van antwoord (nr. 16) heeft zij gesteld dat zij niet behoefde te verwachten dat de man zijn arbeidsloon bij haar in rekening zou brengen. Tussen partijen golden hierover geen afspraken. Dit is anders voor wat betreft de administratieve werkzaamheden, welke de onderneming van de vrouw voor de onderneming van de man verrichtte. Hierover bestond wel overeenstemming.

14. Het hof overweegt als volgt. In rov. 4.8 van het vonnis van 1 september 2016 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw aan de man geen vergoeding behoeft te betalen voor de door de man in rekening gebrachte arbeidskosten, aangezien partijen een relatie met elkaar hadden zodat zij er in beginsel geen rekening mee behoefde te houden dat zij deze arbeidskosten verschuldigd was. Volgens de rechtbank zijn door de man ook geen andere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist en neemt deze gronden over. Ook in appel heeft de man geen relevante feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Het is de keuze van de man zelf geweest om verbouwingswerkzaamheden aan de gemeenschappelijke woning te verrichten, wat, gelet op de relatie tussen partijen, ook niet ongebruikelijk is.

Huur tijdelijke woning

15. De man is het er niet mee eens dat hij na beëindiging van de relatie met de vrouw, de verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst moet blijven voldoen. De man diende de huurwoning aan te houden aangezien hij geen andere oplossing had. Het enkele feit dat de vrouw elders is gaan wonen brengt niet mee dat hij in genoemde periode de volledige kosten met betrekking tot de huurwoning dient te voldoen.

16. De vrouw is van mening dat na beëindiging van de samenleving de huurkosten niet meer aangemerkt kunnen worden als kosten van de gewone gang van de huishouding. Indien de man van mening is dat hij de huur niet (langer) had kunnen dragen, had hij de huur dienen op te zeggen.

17. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de huur vanaf het moment dat de samenleving tussen partijen is verbroken voor rekening komt van de man. Indien de huur een te hoge last voor hem was, had hij de huurovereenkomst dienen te beëindigen.

Gebruiksvergoeding

18. De man is het er niet mee eens dat hij aan de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen met betrekking tot het gebruik van de woning te [de vrouw] . Daartoe stelt de man dat hij, door zijn verblijf in de woning, voorkomt dat de woning wordt gekraakt of vernield, en voorts dat de vrouw niet bijdraagt in de lasten van de woning. De man is van mening dat er geen grond is voor het voldoen van een gebruiksvergoeding.

19. De vrouw is van mening dat zij in redelijkheid wel aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding. Makelaar [volgt naam] heeft aan de woning een huurwaarde toegekend van € 720,- per maand. De woning is door partijen aangekocht voor een bedrag van € 260.000,-. Met betrekking tot de hypotheeklasten moet de vrouw voldoen de somma van € 625,- per maand. Sedert 2015 zijn dit netto lasten voor haar, aangezien zij geen hypotheekrenteaftrek meer heeft. De vrouw is van mening dat een redelijke vergoeding gesteld moet worden op een bedrag van € 625,- per maand.

20. De man heeft tegen het incidentele appel van de vrouw verweer gevoerd. Met een gebruiksvergoeding wordt beoogd de mede-eigenaar die de woning verlaat schadeloos te stellen voor het feit dat deze, zolang de ander gebruik maakt van de woning, verstoken blijft van zijn of haar aandeel in de waarde van de woning. De vrouw gaat volledig voorbij aan het feit dat de man zorg draagt voor het onderhoud van de woning en met zijn aanwezigheid voorkomt dat de woning wordt gekraakt.

21. Het hof overweegt als volgt. De rechtsverhouding tussen de deelgenoten wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Beoordeeld dient te worden of een grond bestaat voor het toekennen van een gebruiksvergoeding aan de vrouw en, als dat het geval is, wat een redelijke vergoeding is. In de wettelijke regeling zijn geen normen te vinden op basis waarvan een gebruiksvergoeding moet worden vastgesteld. De rechtspraak levert een zeer gevarieerd beeld op. De ene keer dient degene die het gebruik van de woning heeft alle lasten met betrekking tot de woning voor zijn rekening te nemen, en de andere keer dient degene die het gebruik van de woning heeft de helft van de huurwaarde aan de andere partij te vergoeden.

22. Het hof begrijpt uit de processtukken dat de woning moeilijk verkoopbaar is en dat de onverdeeldheid niet aan een van de partijen is te verwijten. Het hof vindt het derhalve niet redelijk om te bepalen dat de man alle lasten van de woning dient te voldoen. Eveneens volgt uit de processtukken dat de woning niet bewoonbaar is. De man woont in het chalet op het terrein. Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde gebruiksvergoeding van € 225,- redelijk is.

Proceskosten

23. Gezien het feit dat sprake is van ex-partners, acht het hof het redelijk en billijk de proceskosten te compenseren.

Conclusie

24. Geen van de door partijen naar voren gebrachte grieven treft doel. Het hof zal derhalve het bestreden vonnis, waaronder het verbeterde vonnis, bekrachtigen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis waaronder het verbeterde vonnis van 24 mei 2017 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen;

compenseert de kosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.