Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2887

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
200.229.569/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Hoger beroep. In deze procedure liggen dezelfde punten voor als die waarover de rechtbank inmiddels in de bodemprocedure heeft beslist. Geen ruimte voor het hof om in kort geding een andere beslissing te geven. Kennelijke misslag gesteld noch gebleken. Geen belang bij de vorderingen. Man had zijn vordering in beroep na de beslissing in de bodemprocedure kunnen intrekken. Daarom gedeeltelijke proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.229.569/02

Zaaknummer rechtbank : C/10/535086/KG ZA 17-1032

arrest van 9 oktober 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.R. Klaver te Bergen op Zoom,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C. Kwakkelstein-Doornbos te Delft.

Het geding

Bij exploot van 8 december 2017 is de man in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, tussen partijen gewezen vonnis van 10 november 2017.

Bij memorie van grieven heeft de man vijf grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven bestreden.

Ter rolzitting van 27 februari 2018 heeft de man een akte genomen en daarbij drie producties overgelegd.

Vervolgens is de zaak geroyeerd. Op 15 mei 2018 is de zaak geïntroduceerd voor hervatting van de procedure.

De man heeft pleidooi gevraagd.

Op 31 augustus 2018 heeft de man nog een akte ingediend, waarbij als bijlage het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 maart 2018 was gevoegd. Deze akte is genomen ter zitting van 14 september 2018.

Vervolgens hebben partijen op 14 september 2018 de zaak doen bepleiten, de man door zijn advocaat en de vrouw door haar advocaat, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. De man heeft daarbij, met instemming van de vrouw, een productie overgelegd, te weten de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2018.

Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof arrest zal wijzen op basis van het ter gelegenheid van het pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 10 november 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de man afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De man vorderde in eerste aanleg een verbod voor de vrouw om met de minderjarigen te verhuizen naar Limburg dan wel een andere locatie buiten de straal van 20 kilometer van Maassluis en om de vrouw te veroordelen tot nakoming van het vonnis van 17 augustus 2017, op straffe van een dwangsom.

3. In hoger beroep vordert de man dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, dat de oorspronkelijke vorderingen van de man alsnog zullen worden toegewezen, in dier voege dat de vrouw verplicht wordt terug te verhuizen naar Maassluis binnen een straal van 20 kilometer, althans in de omgeving van Dordrecht en dat de vrouw niet geacht wordt toestemming te hebben gehad voor de verhuizing naar de plaats waar zij thans verblijft met de kinderen, althans welke plaats dan ook waar de vrouw besluit te gaan wonen met de minderjarige kinderen; met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

4. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen, althans tot ontzegging aan hem van deze vorderingen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

5. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest tot [datum] 2008. Uit het huwelijk is een kind geboren [kind een] , dat nu meerderjarig is; zij is gedurende de appelprocedure meerderjarig geworden. Na de echtscheiding is een kind van partijen geboren: [kind twee] , op [in] 2008 te [plaatsnaam] , hierna te noemen: [kind twee] . Alleen de vrouw oefende het ouderlijk gezag over [kind twee] uit. Partijen hebben na de echtscheiding de relatie voortgezet, althans de man verbleef nog zeer regelmatig bij de vrouw, tot dat zij op 6 juli 2017 de woning heeft verlaten met de kinderen van partijen. Bij vonnis in kort geding van 17 augustus 2017 is aan de man een straat-en contactverbod opgelegd en is bepaald dat de man contact mag hebben met [kind twee] bij het Omgangshuis van Trivium Lindenhof te [plaatsnaam] . Aan de raad voor de kinderbescherming is verzocht om een onderzoek te doen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling met betrekking tot [kind twee] . De raad voor de kinderbescherming is verzocht het rapport tegen de datum van de zitting waarop de bodemprocedure wordt behandeld aan de rechtbank te doen toekomen. De vrouw is vanuit een opvanglocatie in [plaatsnaam] verhuisd naar een opvanglocatie in Limburg. Trivium Lindenhof kan de opdracht van de rechtbank niet uitvoeren omdat de vrouw buiten hun werkgebied is gaan wonen.

6. Nu het oudste kind van partijen inmiddels meerderjarig is gaat het hof er van uit dat de vorderingen van de man alleen het jongste kind van partijen betreffen.

7. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2018 heeft de rechtbank de man, tezamen met de vrouw, belast met het gezamenlijk gezag over [kind twee] . Verder is een zorgregeling bepaald, waarbij de man eenmaal per veertien dagen [kind twee] een weekend bij zich zal hebben, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. Aan de vrouw is vervangende toestemming verleend om met [kind twee] te mogen verhuizen naar en te verblijven in Eindhoven.

8. Het hof heeft ter zitting aan de orde gesteld of, mede gelet op de hiervoor vermelde beschikking, de man nog een (spoedeisend) belang heeft bij zijn vorderingen. De man stelt zich op het standpunt dat hij nog altijd een belang heeft bij een beslissing op zijn vorderingen. Hij heeft meegedeeld dat hij hoger beroep zal instellen tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2018.

9. Het hof stelt voorop dat het hier betreft het hoger beroep van een procedure in kort geding. Het betreft derhalve een procedure waarin sprake dient te zijn van een spoedeisend belang, en waarin de inzet is het treffen van een ordemaatregel. Verder heeft te gelden dat, indien de bodemrechter in de hoofdzaak een beslissing heeft gegeven, de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel moet afstemmen op het oordeel van de bodemrechter. Dit laatste kan anders zijn indien de beslissing van de bodemrechter op een kennelijke misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat een tegen die beslissing aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.

10. Het hof stelt vast dat in deze kort gedingprocedure in hoger beroep dezelfde geschilpunten voorliggen als die waarover de rechtbank in haar beschikking van 12 september 2018 heeft beslist. Dit betekent dat het hof in deze procedure geen andere beslissing over deze geschilpunten zal kunnen geven. Dat sprake zou zijn van een kennelijke misslag in de hiervoor vermelde beschikking van 12 september 2018 is gesteld noch gebleken. Het hof is dan ook van oordeel dat een (spoedeisend) belang bij de vorderingen van de man ontbreekt en zal daarom het hoger beroep van de man verwerpen.

11. De vrouw heeft gevorderd de man in de proceskosten te veroordelen. Partijen zijn ex-echtelieden. Het hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de man geen enkele grond had om tegen het bestreden vonnis hoger beroep in te stellen. Echter, op de datum van de pleidooizitting was de beslissing van de rechtbank al bekend en had de man kunnen weten dat dit geen beoordelingsruimte over de geschilpunten meer liet voor het hof. De man had dan ook zijn vorderingen voor deze zitting kunnen intrekken. Het hof ziet hierin aanleiding om de man gedeeltelijk in de proceskosten te veroordelen, te weten de kosten die zijn gemaakt voor het vertegenwoordigen van de vrouw ter pleidooizitting van 14 september 2018, en te begroten volgens het Liquidatietarief.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

verwerpt het door de man ingestelde hoger beroep;

veroordeelt de man gedeeltelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de vrouw begroot op € 2.148,-;

compenseert de proceskosten voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.M. van Baardewijk en E.C. Punselie en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.