Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2880

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
200.234.660/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. IPR. Toepasselijk recht op huwelijksvermogensregime. Wagonstelsel. Verdeling gemeenschap die later is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

zaaknummer : 200.234.660/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 16-9095; FA RK 17-8184

zaaknummer rechtbank : C/09/522669; C/09/541925

beschikking van de meervoudige kamer van 31 oktober 2018

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N. Çiçek te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van 20 december 2017 van de rechtbank Den Haag, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 6 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 20 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Voorts zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 24 mei 2018 een brief van diezelfde datum met als bijlage een journaalbericht van 14 mei 2018 met bijlage;

van de zijde van de man:

- op 3 september 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 7 september 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [tolk] , tolk in de Turkse taal;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- De ouders zijn gehuwd op [datum] 1995 te [plaats] , Turkije.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [geboorteplaats] en

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] .

(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).

- De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

- De ouders hebben de Nederlandse en Turkse nationaliteit.

- De rechtbank Den Haag heeft op 1 november 2016 voorlopige voorzieningen getroffen, onder meer inhoudende dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal tot het gebruik van de echtelijke woning.

3.2

In hoger beroep is komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 20 maart 2018 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang in hoger beroep, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is de verdeling van de gemeenschap van goederen naar Nederlands recht vanaf december 2005 vastgesteld en is bepaald dat de man de helft van de verkoopopbrengst van de [auto 1] met kenteken [kenteken 1] aan de vrouw dient te voldoen, zijnde € 7.000,-. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw met betrekking tot het pand aan [adres] , de [auto 2] met kenteken [kenteken 2] en de [auto 3] met kenteken [kenteken 3] afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende, te beslissen dat:

- het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst wordt door Nederlands recht, althans dat met ingang van [datum] 1996 Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen;

- de bedrijfsruimte staande en gelegen aan [adres] te [plaats] naar Nederlands recht in de algehele gemeenschap van goederen van partijen valt en vast te stellen dat voornoemde bedrijfsruimte binnen drie maanden na de in deze te wijzen beschikking verkocht dient te worden aan (een) derde(n), waarbij na aftrek van de hypothecaire lening en de kosten van de verkoop, de resterende overwaarde tussen partijen bij helfte zal dienen te worden verdeeld;

- de waarde van voornoemde bedrijfsruimte als volgt zal worden vastgesteld: de man zal aan de vrouw drie NVM-makelaars voorstellen waaruit de vrouw er één zal kiezen. Deze makelaar zal de bedrijfsruimte taxeren, waarbij als peildatum te gelden heeft de datum van feitelijke verdeling. De door de makelaar getaxeerde waarde van de bedrijfsruimte zal tussen partijen bindend zijn;

- in het kader van de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen de man aan de vrouw dient te vergoeden de helft van de waarde c.q. verkoopopbrengst van de [auto 1] met kenteken [kenteken 1] , zijnde € 15.000,-, van de [auto 2] met kenteken [kenteken 2] , zijnde € 1.000,-, en van de [auto 3] met kenteken [kenteken 3] , zijnde € 2.250,00, derhalve in totaal

€ 18.250,-.

4.3

De man verweert zich en verzoekt het hof, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw integraal af te wijzen. Kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Het toepasselijke recht

5.1

De vrouw stelt dat op grond van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (hierna: HHV 1978) het huwelijksvermogensregime van partijen met ingang van [datum] 1995, zijnde de datum van het huwelijk, door Nederlands recht beheerst wordt. Zij voert aan dat sprake is van een eerste gewone verblijfplaats in Nederland van partijen binnen zes maanden na het voltrekken van het huwelijk. De vrouw licht toe dat partijen na het voltrekken van het huwelijk niet in Turkije hebben samengewoond. De man had ten tijde van het voltrekken van het huwelijk in Turkije zijn hoofdverblijf in Nederland en is na het sluiten van het huwelijk teruggereisd naar Nederland. De vrouw heeft zich op [datum] 1996 bij de man in Nederland gevoegd en heeft sindsdien haar hoofdverblijf in Nederland. De vrouw beschikt sinds 9 oktober 2009 ook over de Nederlandse nationaliteit. Indien het hof van oordeel is dat geen sprake is van een eerste huwelijksdomicilie in Nederland, stelt de vrouw dat vanaf [datum] 1995 tot [datum] 1996 Turks recht van toepassing is op grond van artikel 4 lid 2 sub 3 HHV 1978. Vanaf [datum] 1996 tot de datum van de ontbinding van de gemeenschap van goederen is vervolgens Nederlands recht van toepassing.

5.2

De man stelt dat in de periode vanaf [datum] 1995 tot [datum] 2006 Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en vanaf [datum] 2006 Nederlands recht. Hij voert aan dat op grond van artikel 4 lid 2 sub a HHV 1978 Turks recht van toepassing is, omdat partijen ten tijde van het sluiten van het huwelijk de Turkse nationaliteit deelden. Aan alle andere voorwaarden wordt in de onderhavige zaak ook voldaan, te weten dat Turkije niet partij is bij het verdrag, volgens het internationaal privaatrecht van Turkije zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden in Nederland, welke staat de in artikel 5 HHV 1978 bedoelde verklaring heeft afgelegd. Op grond van artikel 7 lid 2 sub 2 HHV 1978 is vanaf [datum] 2006 het Nederlandse recht van toepassing, omdat partijen op die datum tien jaar hun gezamenlijke gewone verblijfplaats in Nederland hadden.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Het huwelijk is gesloten na 1 januari 1992, zodat het HHV 1978 van toepassing is voor de vaststelling van het toepasselijk recht. Partijen hebben geen rechtskeuze vóór (artikel 3 HHV) of tijdens (artikel 6 HHV) het huwelijk gemaakt. Nu geen rechtskeuze is uitgebracht, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. De hoofdregel is dat het recht van de eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk van toepassing is. Uit deze hoofdregel zou volgen dat in beginsel Nederlands recht van toepassing is, omdat de vrouw zich binnen zes maanden na het sluiten van het huwelijk bij de man in Nederland heeft gevoegd. In de onderhavige zaak is echter de uitzondering van artikel 4 lid 2 onder 2 sub a HHV 1978 van toepassing, zodat het Turkse recht het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst vanaf [datum] 1995 tot [datum] 2006. Op grond van artikel 7 lid 2 HVV 1978 is vanaf [datum] 2006 het Nederlandse recht van toepassing, omdat partijen vanaf die datum gedurende meer dan tien jaar in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden.

Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het Nederlandse recht, althans dat met ingang van [datum] 1996 Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, wijst het hof dan ook af.

Het pand aan [adres] te [plaats]

5.4

De vrouw stelt dat het pand aan [adres] te [plaats] betrokken moet worden in de verdeling van de gemeenschap van goederen. Het pand is op 16 oktober 2000 verkocht en geleverd aan de man, zodat het op grond van het Nederlands recht in de gemeenschap valt. Subsidiair doet de vrouw een beroep op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 1976 (Chelouche/Van Leer, LJN AE1063, NJ 1977, 275) gecreëerde onaanvaardbaarheidsexceptie. Het is naar de mening van de vrouw onaanvaardbaar indien het pand uitsluitend in het persoonlijk vermogen van de man valt als gevolg van toepassing van het Turkse recht. De vrouw voert onder meer aan dat in de akte van levering staat, dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Bovendien is de hypothecaire geldlening aangegaan door zowel de man als de vrouw. De vrouw heeft altijd meebetaald aan de aflossing van de hypotheek. Gedurende het huwelijk waren partijen zich niet bewust van de eventuele toepasselijkheid van het Turkse recht op hun huwelijksvermogensregime. Zij voelden zich op geen enkele wijze verbonden met het Turkse wettelijk stelsel, omdat zij zich hadden gevestigd in Nederland. De aankoop en de hypotheekvestiging zijn ook naar Nederlands recht verricht. Meer subsidiair doet de vrouw, onder verwijzing naar de uitspraak van de HR van 19 maart 1993 (Zimbabwe, LJN ZC0897, NJ 1994/187), een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Zij licht toe dat partijen er bewust voor hebben gekozen om na hun huwelijk duurzaam in Nederland te gaan samenwonen. Partijen hebben zich gedurende éénentwintig jaar van hun huwelijk consequent gedragen naar het uitgangspunt, dat hun huwelijksvermogensregime beheerst wordt door Nederlands recht. Daarom is het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, indien op de verdeling Turks recht van toepassing zou zijn.

5.5

De man betwist dat het pand aan [adres] te [plaats] in de gemeenschap van goederen valt. Tot [datum] 2006 is volgens de man Turks recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Tot 1 januari 2002 gold het oude Turkse Burgerlijk Wetboek van 4 oktober 1926, op grond waarvan uitsluiting van iedere gemeenschap geldt. Het pand is op 16 oktober 2000 verkocht en geleverd aan de man en valt derhalve in het privévermogen van de man. De man betwist ook dat de onaanvaardbaarheidsexceptie dient te worden toegepast. Hij voert aan dat de notaris heeft verklaard dat bij het opstellen van de akte van levering geen onderzoek is gedaan naar het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime en dat de term ‘gemeenschap van goederen’ klakkeloos in de akte is opgenomen. Voorts is de vrouw samen met de man in de hypotheekakte als schuldenaar opgenomen, omdat de bank dat als voorwaarde voor de financiering van het pand stelde. De man heeft alle kosten ten aanzien van het pand voldaan, met uitzondering van één keer waarbij de vrouw het betreffende bedrag heeft voorgeschoten. Ook uit de eigendomsverhouding blijkt dat partijen het erover eens waren dat het pand aan de man toebehoort. In het kadastrale register staat de man als enige eigenaar van het pand. Andere feiten die de vrouw aanvoert, zoals het opbouwen van het huwelijksvermogen in Nederland, zijn onvoldoende om een beroep op de onaanvaardbaarheidsexceptie te laten slagen. De man verzet zich tot slot tegen het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid. Partijen hebben zich naar de mening van de man niet consequent gedragen alsof Nederlands recht van toepassing was. Het feit dat partijen van rechtswege fiscaal partner waren, een gezamenlijke huishouding hadden en de IB-aangiftes gezamenlijk indienden, brengt in ieder geval niet deze conclusie met zich mee.

5.6

Het hof is van oordeel dat het pand aan [adres] tot het privévermogen van de man behoort en daarom niet verdeeld dient te worden. Het hof overweegt hiertoe dat het huwelijksvermogensregime van partijen tot [datum] 2006 werd beheerst door het Turkse recht. Tot 1 januari 2002 kende het Turkse recht een stelsel van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en nadien een stelsel waarin de verwervingen tijdens het huwelijk worden verrekend. Nu het pand op 16 oktober 2000 is verkocht en geleverd aan de man, valt het in het privévermogen van de man. Het hof verwerpt voorts het beroep van de vrouw op de onaanvaardbaarheidsexceptie. Deze exceptie dient slechts in uitzonderlijke gevallen te worden toegepast. Teneinde een beroep op de onaanvaardbaarheidsexceptie te honoreren dient de vrouw feiten en omstandigheden aan te voeren, die maken dat toepassing van het Turkse recht in het onderhavige geval onaanvaardbaar is. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw haar verzoek om de onaanvaardbaarheidsexceptie toe te passen naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen hebben aangenomen en redelijkerwijs konden aannemen dat hun huwelijksvermogensregime werd beheerst door het Nederlandse recht. De onderhavige zaak wordt bovendien gekenmerkt door andere omstandigheden dan die in Chelouche/Van Leer en het HHV 1978 biedt een regeling voor onaanvaardbare gevallen in artikel 14 HHV. Het hof verwerpt ook het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid, zoals toegepast in de uitspraak Zimbabwe. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, hetgeen wordt bevestigd door de notaris, heeft de vrouw onvoldoende gesteld om toepassing van het Turkse recht achterwege te laten. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bestendige gedragslijn van partijen waaruit blijkt dat zij zich steeds en consequent hebben gedragen alsof het Nederlandse recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime. Dat de notaris in de leveringsakte de term ‘gemeenschap’ heeft vermeld is niet voldoende. Daar komt bij dat de vrouw slechts één keer de hypotheekrente heeft voldaan. Het fiscaal partnerschap en de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire lening leiden niet tot een andersluidend oordeel. Het hof bekrachtigt derhalve de bestreden beschikking ten aanzien van het onderdeel dat ziet op [adres] te Den Haag.

De auto’s – benadeling gemeenschap

5.7

De vrouw stelt dat drie auto’s verdeeld moeten worden, te weten een [auto 1] met kenteken [kenteken 1] , een [auto 2] kenteken [kenteken 2] en een [auto 3] met kenteken [kenteken 3] . Zij voert aan dat de auto’s op naam van de man stonden en daarom in de gemeenschap vallen. Subsidiair stelt de vrouw dat de man de gemeenschap van goederen heeft benadeeld door onttrekking van de auto’s aan het huwelijks vermogen. De man heeft aangegeven dat hij de [auto 1] in 2016 heeft verkocht, de [auto 3] in 2016 heeft ingeruild en de [auto 2] naar de sloop heeft gebracht. Dit geschiedde zonder overleg met en toestemming van de vrouw.

5.8

De man betwist dat de auto’s in de gemeenschap vallen of dat sprake is van benadeling door hem van de gemeenschap van goederen.

5.9

Niet in geschil is dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap van goederen 30 november 2016 is.

De [auto 1] met kenteken [kenteken 1]

5.10

De vrouw stelt dat de man aan haar wegens overbedeling € 15.000,- dient te betalen. De vrouw licht toe, onder verwijzing naar de door haar in hoger beroep overgelegde waardeopgave van de ANWB, dat de waarde van de [auto 1] in 2018 € 25.550,- bedraagt. De vrouw leidt hieruit af dat de waarde van de auto in 2016 € 30.000,- bedroeg.

5.11

De man stelt dat de [auto 1] op 22 januari 2016 is gekocht voor € 13.500,- en op 3 oktober 2016 is verkocht voor € 14.000,-. De man is van mening dat de helft van de verkoopwaarde aan de vrouw toekomt, derhalve € 7.000,-.

5.12

Het hof is van oordeel dat de man aan de hand van de overgelegde stukken voldoende heeft onderbouwd dat de [auto 1] vóór de peildatum is verkocht en derhalve buiten de verrekening van de gemeenschappelijke goederen valt. Voor een vergoeding op grond van benadeling ziet het hof geen aanleiding. De [auto 1] is in oktober 2016 immers voor een hoger bedrag verkocht dan waarvoor deze in januari 2016 was aangekocht. Van verspilling, in die zin dat de [auto 1] voor een te laag bedrag is verkocht, is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Nu de man aanbiedt de [auto 1] te verdelen voor een waarde van € 14.000,- en bereid is ter zake aan de vrouw € 7.000,- uit te keren, zal het hof de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen.

De [auto 2] met kenteken [kenteken 2]

5.13

De vrouw stelt dat de [auto 2] in 2018 een waarde had van € 1.249,- en in 2016 een waarde van € 2.000,-, zodat de man € 1.000,- aan haar dient te betalen.

5.14

De man stelt dat de [auto 2] op 11 juli 2015 is gekocht voor € 600,- en op 10 november 2016 is verkocht voor € 150,-.

5.15

Het hof overweegt dat de [auto 2] blijkens de inkoopverklaring van [autodealer] op 10 november 2016, derhalve vóór de peildatum, is verkocht voor €150,- onder vermelding van sloop. Van verdeling van de [auto 2] kan naar het oordeel van het hof daarom geen sprake zijn. Dat sprake is van benadeling heeft de vrouw niet nader onderbouwd, zodat het verzoek van vrouw ten aanzien van de [auto 2] wordt afgewezen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

De [auto 3] met kenteken [kenteken 3]

5.16

De vrouw stelt dat de [auto 3] in 2018 een waarde heeft van € 3.750,- en in 2016 een waarde had van € 4.500,-, zodat € 2.250,- aan de vrouw toekomt.

5.17

De man stelt dat de [auto 3] op 11 november 2016 is gekocht voor € 1.500,- en op 28 maart 2017 is verkocht voor € 1.350,-. De man is van mening dat de helft van de verkoopwaarde aan de vrouw toekomt, derhalve € 675,-.

5.18

Het hof is van oordeel dat de man zijn standpunt, dat de [auto 3] op 11 november 2016, een paar weken vóór de peildatum, heeft gekocht voor € 1.500,- voldoende heeft onderbouwd. Gelet op het geringe tijdsverschil tussen de aankoopdatum en de peildatum is het hof van oordeel dat de [auto 3] voor € 1.500,- dient te worden verdeeld, zodat aan de vrouw € 750,- toekomt.

Proceskosten

5.19

Zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de [auto 3] met kenteken [kenteken 3] , en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man ter zake van de verdeling van de [auto 3] met kenteken [kenteken 3] aan de vrouw dient te voldoen, zijnde € 750,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, J.M. van Baardewijk en J. Zwagemaker, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2018.