Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2868

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
200.229.267/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

is sprake van arbeidsovereenkomst of vervoerovereenkomst? koerier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/10
AR-Updates.nl 2018-1258
NTHR 2019, afl. 1, p. 40
S&S 2019/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.229.267/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/522365/ HA ZA 17-242

arrest van 28 augustus 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,

tegen

TransMission Bergen op Zoom B.V.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

geïntimeerde,

hierna te noemen: TransMission,

advocaat: mr. H.E. Borgman te Rotterdam.

1 Het geding

1.1.

Bij exploot van 8 december 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, team haven en handel (hierna: de rechtbank), tussen partijen gewezen vonnis van 29 november 2017. Bij memorie van grieven van 27 februari 2018 heeft [appellant] vier grieven (waarbij grief I bestaat uit de onderdelen a en b) aangevoerd. Bij arrest van 5 juni 2018 is een comparitie van partijen gelast. Daarbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen een comparitie ten overstaan van één raadsheer-commissaris. Geen van partijen heeft bezwaar gemaakt, ook niet nadat de memorie van antwoord ten behoeve van de comparitie van partijen was ingediend en partijen nogmaals is gevraagd of zij bezwaar maakten tegen een comparitie ten overstaan van één raadsheer-commissaris. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is een datum voor arrest bepaald.

2 De feiten

2.1.

De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan en van hetgeen overigens als niet bestreden is komen vast te staan.

2.2.

TransMission is een 24-uurs pakketbezorger in de Benelux. Zij is een samenwerkingsverband van een aantal regionale zelfstandige vervoersondernemers die op een uniforme en grotendeels geautomatiseerde wijze pakketten uitwisselen via regionale depots.

2.3.

In 2011 heeft TransMission met [appellant], die handelde onder de naam [handelsnaam appellant], een overeenkomst gesloten met als titel “vervoerovereenkomst wegvervoer”. Op 6 januari 2016 heeft TransMission met [handelsnaam appellant] een nieuwe “vervoerovereenkomst wegvervoer” gesloten, die is ingegaan op 1 januari 2016 en een looptijd heeft van drie jaar. Laatstgenoemde overeenkomst, die hierna zal worden aangeduid als “de overeenkomst”, luidt – aangehaald voor zover relevant – als volgt:

“VERVOEROVEREENKOMST WEGVERVOER

De ondergetekenden

(…) TransMission Bergen op Zoom B.V. [..]

en

De onderneming [handelsnaam appellant], (…)

In aanmerking nemende, dat partijen met elkaar een overeenkomst tot het vervoer van zaken over de weg wensen aan te gaan en de inhoud daarvan schriftelijk wensen vast te leggen

zijn als volgt overeengekomen:

1 Vervoerovereenkomst

(…)

[handelsnaam appellant] verplicht zich tot het vervoer van nader omschreven zaken en TransMission verplicht zich tot betaling van de overeengekomen vrachtprijs.

(…)

3 Omvang van het vervoer

TransMission garandeert minimaal 200 werkdagen per jaar [handelsnaam appellant] in te zetten voor regionaal vervoer voor 1 auto.

4
4 Voorwaarden

Op alle werkzaamheden zijn, afhankelijk van de aard van die werkzaamheden, van toepassing:

- De Algemene Vervoercondities 2002 (…)

- het verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR)


- de Transport en Logistiek Nederland algemene betalingsvoorwaarden (…)

5
5 Prijzen


De prijzen zijn zoals weergegeven in Bijlage 1 “Tarieven Vervoerder” en Bijlage 2 “Tarieven Plusleveringen Vervoerder”. Deze genoemde bedragen gelden af Bergen op Zoom tot Bergen op Zoom.

De kosten van het laden en/of lossen zijn bij de vrachtprijs volledig inbegrepen.

(…)

7 Verplichtingen [handelsnaam appellant]

[handelsnaam appellant] is verplicht om:

a. Het opgedragen vervoer direct en zonder onnodige vertraging te verrichten.
(…)
c. Het vervoer alleen te laten verrichten door bekwaam personeel voorzien van de voor het werk geldige diploma’s en verklaringen. [handelsnaam appellant] zal op verzoek gewaarmerkte kopieën van deze diploma’s en verklaringen verstrekken.

(…)
d. Te laden en te lossen.

(…)
g. Op verzoek van TransMission het vervoermaterieel te (laten) voorzien van de door TransMission gewenste kleuren en reclame, e.e.a. volgens norm van TransMission. (…)

h. Op verzoek van TransMission zijn chauffeurs werkkleding van TransMission te laten dragen. Kosten van werkkleding zijn voor rekening van [handelsnaam appellant].

i. Op verzoek van TransMission gebruik te maken van de door TransMission te verstrekken elektronische afleverregistratie apparatuur. De kosten (900 euro) daarvan zijn voor rekening van [handelsnaam appellant].

j. De CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg getrouwelijk na te leven. Indien komt vast te staan dat hieraan niet of niet meer wordt voldaan, is TransMission gehouden geen vervoer meer aan [handelsnaam appellant] uit te besteden, totdat de CAO wel wordt nageleefd (art. 43 van voornoemde CAO).

k. Geen offertes af te geven aan klanten van TransMission zonder vooraf overleg te hebben gepleegd met TransMission. Mocht hier wel sprake van zijn dan heeft TransMission het recht het contract per direct te beëindigen. Uitzonderingen hierop zijn ad hoc koeriersritten zonder vast karakter.

(…)

10 Ontbinding

Deze overeenkomst wordt, ook gedurende de looptijd van deze overeenkomst, ontbonden indien:
(…)
c. Eén van de partijen wanprestatie van enige betekenis pleegt en daarin volhardt ondanks schriftelijke sommatie van zijn wederpartij om deze overeenkomst na te komen met een uiterste termijn van 10 werkdagen.
(…)”.

2.4.

Op 21 juli 2016 heeft een incident plaatsgevonden op het depot van TransMission in Bergen op Zoom, waarbij [appellant] betrokken was. Naar aanleiding daarvan heeft TransMission [appellant] geschorst en een onderzoek ingesteld. Bij brief van 25 juli 2016 is door [appellant] bezwaar gemaakt tegen de schorsing.

2.5.

Bij brief van 1 augustus 2016, gericht aan [handelsnaam appellant], heeft TransMission meegedeeld dat de schorsing gehandhaafd blijft tot 1 september 2016. In deze brief is onder meer geschreven:


Op donderdag 21 juli 2016 heeft er een ernstig incident plaats gevonden op ons depot in Bergen op Zoom. Naar aanleiding daarvan hebben wij u geschorst en een onderzoek ingesteld. Op woensdag 27 juli 2016 hebben wij u gehoord. Wij hebben ook de camerabeelden bekeken, andere betrokkenen/ getuigen gehoord en schriftelijke verklaringen bestudeerd.

Wij constateren de volgende zaken:
- U heeft uw collega [naam collega] fysiek belemmert om zijn werk te doen door in zijn weg te gaan staan en met dozen tegen zijn lichaam en in zijn gezicht te duwen;
- U heeft naar hem zeer ongepaste en beledigende opmerkingen gemaakt;
- Vervolgens heeft u [naam collega] in het gezicht geslagen;
- Naar [de operationeel manager], operationeel manager van Bergen op Zoom, heeft u zich dreigend en intimiderend opgesteld;
- Hierbij zijn er door u krachttermen gebruikt en heeft u papieren in [de operationeel manager] zijn gezicht gegooid.

Zelf bent u van mening dat [de operationeel manager] uw collega [naam collega] voorgetrokken heeft en uw klachten over hem heeft genegeerd. U geeft aan dat [naam collega] u al 2 jaar treitert. U heeft geen excuses gemaakt. Er zijn echter geen meldingen van de door u genoemde incidenten bij [de operationeel manager] gedaan en getuigen geven aan dat u degene bent die de problemen heeft veroorzaakt.(…)

Uw gedrag is voor TransMission volstrekt onacceptabel. Wij hebben daarom besloten dat:
- U tot 1 september 2016 geschorst bent;
- Wij verwachten dat u uw excuses maakt naar [naam collega], [de operationeel manager] en uw collega’s;
- De tweede bus die namens [handelsnaam appellant] thans ingezet wordt, zal regulier ingezet kunnen worden mits u zelf niet op deze bus rijdt;
- Gedurende uw schorsing mag u geen werkzaamheden voor ons uitvoeren en bent u niet aanwezig op onze vestiging;
(…)

Bovenstaande is aan u reeds mondeling medegedeeld door [de operationeel manager] op vrijdag 29 juli 2016. In dat gesprek is ook besproken dat uw tweede bus vandaag 1 augustus 2016 weer ingezet zou worden voor TransMission. U had namelijk aangegeven de inkomsten hard nodig te hebben. Tot onze verbazing is deze bus vandaag niet op komen dagen. Volgens u was dit een misverstand, en zal deze bus volgende week maandag starten.

Wij benadrukken dat wij niet zullen schromen om de overeenkomst conform artikel 10 van de overeengekomen vervoersovereenkomst bij een eerstvolgende wanprestatie te beëindigen. Wij verwachten dat u en uw medewerkers zich gedragen als een behoorlijke partij. Daarbij verzoeken wij u om de volledig te gaan werken conform de afspraken in de overeenkomst. Zo dient u zelf voor vervanging bij afwezigheid te zorgen en indien een bus leeg is, dient de chauffeur terug te keren naar Bergen in Zoom. (…)”

2.6.

Bij verschillende e-mails van 8 en 11 augustus 2016 heeft TransMission zich er bij [appellant] over beklaagd dat de door [appellant] ingezette chauffeur niet aan de veiligheids- en kledingeisen van TransMission voldeed, niet goed met het aftekenapparaat werkte en niet alle zendingen realiseerde. Bij e-mail van 22 augustus 2016 heeft TransMission aan [appellant] geschreven dat als er de volgende dag geen chauffeur komt opdagen, de kosten van de route aan [appellant] zullen worden doorbelast. Bij e-mail van 23 augustus 2016 heeft TransMission aan [appellant] bericht dat het niet de bedoeling is dat zij erachter aan moet bellen of een chauffeur van [appellant] aanwezig is: “Nogmaals u bent verantwoordelijk voor de rit en chauffeur die u inzet en zie graag dat dit niet meer voorkomt”.

2.7.

TransMission heeft bij brief van 26 augustus 2016 – kort gezegd – wederom aan [appellant] medegedeeld dat hij zelf voor vervanging dient te zorgen bij afwezigheid van (één van) zijn chauffeurs en dat het voor haar niet acceptabel is dat [appellant] op 22, 23 en 24 augustus 2016 geen contact heeft gezocht met TransMission om haar op de hoogte te stellen van de ziekte van een chauffeur en over de vraag hoe eventuele vervanging geregeld zou worden. Ten slotte heeft TransMission te kennen gegeven dat dit een laatste sommatie is en dat zij bij een eerstvolgende wanprestatie de overeenkomst conform artikel 10 van de overeenkomst zal beëindigen.

2.8.

Bij brief van 1 september 2016 heeft TransMission – onder verwijzing naar haar brief van 26 augustus 2016 – aan [appellant] het volgende meegedeeld:

“Helaas ervaren wij op 1 september wederom een wanprestatie:
Op woensdagavond 31 augustus stuurt u om 23.00 uur in de avond, via Whatsapp, een berichtje naar een van onze planners, dhr. […]. In dit berichtje meldt u dat uw chauffeur […] op donderdag 1 september niet komt werken en dat u zelf ook verhinderd bent wegens ziekte. Er worden geen vervangende chauffeurs gemeld/aangeboden.
Op donderdag 1 september worden wij dus weer geconfronteerd met een situatie waarbij wij operationele routes niet kunnen bemannen wegens absentie van uw chauffeurs.
Gebaseerd op deze wanprestatie van 22 augustus en 1 september delen wij u hierbij mede dat wij per omgaande het contract met [handelsnaam appellant] beëindigen, conform artikel 10 van het contract.”

2.9.

[appellant] vorderde bij de rechtbank primair een verklaring voor recht dat tussen partijen op grond van de vervoersovereenkomst en de wijze waarop zij daar uitvoering aan hebben gegeven, een dienstbetrekking is ontstaan voor een 40-urige werkweek en dat TransMission [appellant] ten onrechte op 21 juli 2016 en 1 augustus 2016 heeft geschorst en de overeenkomst heeft ontbonden. Aan deze vordering heeft [appellant] bovendien een loonvordering verbonden. Subsidiair strekte de vordering tot het geven van uitvoering aan de vervoersovereenkomst door TransMission.

2.10.

TransMission vorderde in reconventie onder meer een verklaring voor recht dat zij de vervoersovereenkomst van 6 januari 2016 op in de conclusie van eis genoemde gronden rechtsgeldig op 1 september 2016 heeft ontbonden.

2.11.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en heeft in reconventie een verklaring voor recht gegeven dat TransMission de vervoersovereenkomst van 6 januari 2016 rechtsgeldig op 1 september 2016 heeft beëindigd. In conventie is [appellant] veroordeeld in de proceskosten, terwijl in reconventie de kosten zijn gecompenseerd. Deze beslissing is in de kern genomen gebaseerd op het oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een vervoersovereenkomst en niet als een arbeidsovereenkomst. Hiertoe achtte de rechtbank onder meer van belang dat uit artikel 7 onder c van de overeenkomst niet volgt dat [appellant] de werkzaamheden zelf diende te verrichten en niet is gebleken dat in de praktijk wel zo’n verplichting bestond. Volgens de rechtbank is daarom niet voldaan aan de verplichting van artikel 7:659 lid 1 BW dat de werknemer verplicht is de arbeid zelf te verrichten. Bovendien ontving [appellant] geen loon maar een vergoeding die was gebaseerd op het aantal te vervoeren zaken en vastgestelde tarieven, aldus de rechtbank. Dat de onderneming van [appellant] ook de in artikel 7 van de overeenkomst vervatte verplichtingen had die zouden kunnen duiden op een gezagsverhouding weegt daar niet tegenop. Die verplichtingen passen ook bij een vervoersovereenkomst, zo overwoog de rechtbank.

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1.

Het door [appellant] ingestelde hoger beroep strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen in conventie alsnog zal toewijzen en – zo begrijpt het hof – de vorderingen in reconventie alsnog zal afwijzen met veroordeling van TransMission in de kosten van beide instanties.

3.2.

In de grieven I en II wordt de vraag aan de orde gesteld of er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zoals [appellant] betoogt, of een vervoersovereenkomst, zoals TransMission stelt. Van een arbeidsovereenkomst is sprake als aan vier (cumulatieve) criteria is voldaan: persoonlijke arbeid, loon, gedurende zekere tijd en gezagsverhouding. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers).

3.3.

Met betrekking tot het criterium dat de arbeid persoonlijk moet worden verricht, wordt het volgende overwogen. In artikel 7 onder c van de overeenkomst is bepaald dat [appellant] verplicht is het vervoer alleen te laten verrichten door bekwaam personeel dat is voorzien van de voor het werk geldige diploma’s en verklaringen. Artikel 7 van de overeenkomst bevat dus geen verplichting voor [appellant] om de vervoerswerkzaamheden zelf te verrichten. [appellant] heeft dat ter zitting in hoger beroep ook zelf onderschreven. In de visie van [appellant] staat deze bepaling echter niet aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de weg. Hij heeft in dit verband gewezen op artikel 7:659 BW. Daarin is bepaald dat de werknemer verplicht is de arbeid zelf te verrichten en zich alleen met toestemming van de werkgever door een derde kan laten vervangen. Volgens [appellant] heeft deze bepaling uitsluitend betrekking op de verplichtingen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien en ziet deze niet op de essentialia daarvan. Omdat [appellant] zich op grond van de overeenkomst mocht laten vervangen is in zijn visie bovendien voldaan aan 7:659 BW.

3.4.

Het hof volgt [appellant] niet in deze redenering. De afspraak dat een werknemer zich door een derde mag laten vervangen hoeft niet in de weg te staan aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat ligt besloten in artikel 7:659 BW. Indien echter de vervangingsmogelijkheid zo ver gaat dat men zich in alle werkzaamheden mag laten vervangen, kan niet van een arbeidsovereenkomst worden gesproken (vergelijk HR 13 december 1957, NJ 1958). Daarvan is in dit geval sprake. Sterker, op grond van artikel 7 onder 3 van de overeenkomst is geen enkele verplichting opgenomen dat [appellant] in beginsel zelf de vervoerswerkzaamheden moest verrichten. Ook de wijze waarop partijen uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven duidt er niet op dat [appellant] de arbeid (in beginsel) persoonlijk diende te verrichten. In de eerste plaats is van belang dat de rechtbank –

in hoger beroep onweersproken – heeft geconstateerd dat [appellant] twee bussen heeft ingezet, waarvan er hoogstens één door hemzelf bestuurd kon worden. Daar komt bij dat tijdens de schorsing van [appellant] in augustus 2016 de uitvoering van de overeenkomst is voortgezet door de inzet van één bus. Een gegeven is dus dat gedurende de schorsing van [appellant] andere chauffeurs dan [appellant] zelf de vervoerswerkzaamheden hebben verricht.

3.5.

Kortom, zowel de bepalingen van de overeenkomst als de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven wijzen er op dat er op [appellant] geen beginselverplichting rustte om de arbeid zelf te verrichten. Nu niet is voldaan aan een van de elementen van een arbeidsovereenkomst, komt het hof tot de conclusie dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst maar een vervoersovereenkomst is gesloten. Aan dit oordeel doet niet af dat TransMission [appellant] na het incident op 21 juli 2016 voor enige tijd heeft geschorst. Ook al moet aan [appellant] – die dit in grief III in een ander verband aan de orde stelt – worden toegegeven dat de maatregel van schorsing in het algemeen meer past bij een arbeidsovereenkomst dan bij een overeenkomst van opdracht, is de toepassing daarvan in het licht van de overige, hiervoor besproken, omstandigheden onvoldoende redengevend voor het oordeel dat partijen hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten. Transmission beoogde met de schorsing ook niet dat de overeengekomen werkzaamheden werden gestaakt, maar enkel dat [appellant] die werkzaamheden niet zelf zou verrichten, maar door andere chauffeurs zou laten uitvoeren.

3.6.

Bij deze stand van zaken kan een oordeel over de andere elementen die [appellant] in zijn grieven aan de orde stelt – loon en gezagsverhouding –, onbesproken blijven. Voor de volledigheid overweegt het hof nog dat ook de overige kenmerken van de (uitvoering van de) overeenkomst, waaronder de titel “Vervoerovereenkomst Wegvervoer”, de gemaakte prijsafspraken per afgeleverd pakket en de toepasselijkheid van de Algemene Vervoercondities 2002 en het CMR, wijzen op een vervoersovereenkomst en niet op een arbeidsovereenkomst. Dat [handelsnaam appellant] ook de verplichting had om op haar auto’s reclame van TransMission te zetten en om haar chauffeurs te kleden in bedrijfskleding van TransMission, is onvoldoende zwaarwegend voor een ander oordeel. De grieven I en II kunnen dus niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

3.7.

Grief III komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen door, ook na ingebrekestelling, niet voor deugdelijke vervanging te zorgen. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de wijze waarop [appellant] zich (op 21 juli 2016) op het bedrijfsterrein van TransMission heeft misdragen tegenover collega’s en (een) leidinggevende(n), de schorsing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op zijn plaats was en TransMission tijdelijk nakoming van de overeenkomst door [appellant] zelf kon weigeren. Dit gaf [appellant] evenwel niet het recht geen gevolg te geven aan de vraag van TransMission om ook toen zorg te dragen voor vervangend personeel, aldus het oordeel van de rechtbank.

3.8.

[appellant] voert aan dat hij de hem verweten gedragingen jegens collega’s (op 21 juli 2016) heeft betwist en dat deze gedragingen, ook indien bewezen, niet ernstig genoeg zijn voor een ontbinding. Het hof gaat in die stelling niet mee. TransMission heeft de ontbinding van de overeenkomst niet op de door haar gestelde misdraging van 21 juli 2016 gebaseerd, maar op de omstandigheid dat op 22 augustus en 1 september 2016 geen chauffeurs aanwezig waren en [appellant] ook niet voor vervanging heeft gezorgd. Het oordeel van de rechtbank sluit hier ook bij aan.

3.9.

Ook het in grief III vervatte betoog dat een geschorste opdrachtnemer niet voor vervanging hoeft te zorgen, kan niet slagen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, artikel 7 van de overeenkomst [appellant] niet verplichtte tot het persoonlijk verrichten van de vervoerswerkzaamheden, deed de schorsing van [appellant] niet af aan de verplichting om het vervoer te laten verrichten door andere chauffeurs.

3.10.

Grief III kan dus niet slagen.

3.11.

Het voorgaande maakt duidelijk dat ook grief IV, waarin is geklaagd over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt.

3.12.

De slotsom is dat het hoger beroep niet kan slagen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2017;

 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan zijde van TransMission tot op heden begroot op € 726 aan griffierecht en € 2.148 aan kosten van de advocaat (2 punten à tarief II) en op € 157 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

 verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Aarts, S.R. Mellema en J.M.T. van der Hoeven-Oud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.