Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2796

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
200.233.020/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Geen oppaskosten opgenomen in behoefte gelet op inkomen en grote behoefteverschil; afwijking forfaitaire woonlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2019/19
PFR-Updates.nl 2018-0263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.233.020/01

zaaknummer rechtbank : C/10/526297

rekestnummer rechtbank : FA RK 17-3716

beschikking van de meervoudige kamer van 24 oktober 2018

inzake

[appellante 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

en

[appellante 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [de jongmeerderjarige] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

advocaat mr. A.J. Badenbroek-de Graaf te Papendrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.J.C. de Waard te Zwijndrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Verzoekers zijn op 8 februari 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 20 april 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van verzoekers van 23 februari 2018 met bijlagen, ingekomen op 26 februari 2018;

- een fax van de zijde van verzoekers van 12 maart 2018 met bijlagen;

- een journaalbericht van de zijde van verzoekers van 17 april 2018 met bijlage, ingekomen op 25 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 mei 2018 met bijlage, ingekomen op 7 mei 2018;

- een brief van 23 augustus 2018 van de zijde van de man met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van verzoekers van 24 augustus 2018 met bijlagen, ingekomen op 28 augustus 2018.

2.4

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 7 september 2018 plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. [de jongmeerderjarige] is niet verschenen, maar heeft de vrouw gemachtigd om haar te vertegenwoordigen.

3.1

De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het huwelijk van partijen is op 15 augustus 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [de jongmeerderjarige] , geboren [in] 1998 te [geboorteplaats] (hierna: [de jongmeerderjarige] ),

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ),

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2005 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ), en

- [minderjarige 3] , geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 3] ),

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

3.4

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2016 is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 383,75 per maand, ten aanzien van [minderjarige 1] € 322,75 per maand en ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 281,75 per maand.

3.5

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang en met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2016, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 10 november 2017 bepaald op € 152,- per maand per kind en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jongmeerderjarige] met ingang van 10 november 2017 op € 152,- per maand.

4.2

Verzoekers verzoeken het hof om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen dan wel een dusdanige bijdrage voor de minderjarige kinderen en [de jongmeerderjarige] vast te stellen waarbij recht wordt gedaan aan het uitgangspunt dat ouders in het levensonderhoud van kinderen dienen te voorzien.

4.3

De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de verzoeken van de vrouw en [de jongmeerderjarige] af te wijzen, dan wel de vrouw en [de jongmeerderjarige] niet-ontvankelijk te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die herbeoordeling van de bij beschikking van 19 juli 2016 van de rechtbank Rotterdam vastgestelde onderhoudsbijdragen rechtvaardigt. De man heeft met zijn nieuwe partner een kind gekregen, [minderjarige 4] , geboren [in] 2017 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 4] ). Nu de man ook onderhoudsplichtig is geworden tegenover [minderjarige 4] is dit van invloed op zijn draagkracht.

Behoefte van de kinderen

5.2

De behoefte van de kinderen is ook in hoger beroep niet in geschil tussen partijen. Deze bedraagt in 2017 € 415,- per maand per kind.

Behoefte van [minderjarige 4]

5.3

Verzoekers bestrijden de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [minderjarige 4] van € 870,- per maand, te vermeerderen met 2/3 gedeelte van € 750,- netto per maand oppaskosten, terwijl de behoefte van de kinderen € 415,- per maand per kind bedraagt. Met het oog op een gelijke behandeling van alle kinderen van de man is het niet redelijk de behoefte van één kind meer dan drie keer zo hoog vast te stellen dan die van de anderen. Daarbij toont de man niet aan daadwerkelijk oppaskosten voor [minderjarige 4] te moeten maken.

5.4

De man stelt dat officiële kinderopvang € 836,- netto per maand zou bedragen, hetgeen nadeliger is dan hoe de opvang nu is geregeld. Indien er geen rekening wordt gehouden met oppaskosten zou de man minder moeten gaan werken. Zowel hij als zijn nieuwe echtgenote werken fulltime. De behoefte van [minderjarige 4] ligt daardoor hoger dan die van de kinderen van partijen.

5.5

Het hof is van oordeel dat de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man en zijn nieuwe partner juist heeft berekend. Het hof gaat van deze gegevens uit. Verzoekers stellen weliswaar dat de man zich als alimentatieplichtige had moeten onthouden van gedragingen die inkomensverlies veroorzaakten, maar het hof is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat het aanvaarden van een functie met (iets) minder inkomen noodzakelijk was. Het betrof een promotie en het accepteren daarvan was raadzaam gelet onder meer op de afnemende orderportefeuille van de werkgever van de man. Het hof gaat dan ook uit van het inkomen zoals dit door de rechtbank is vastgesteld, te weten € 3.401,- per maand aan de zijde van de man en € 3.368,- per maand aan de zijde van de nieuwe partner van de man. Verminderd met de bestaande (geïndexeerde) onderhoudsverplichting van de man voor de kinderen op grond van de beschikking van 19 juli 2016 van de rechtbank Rotterdam van € 1.297,- per maand bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man en zijn nieuwe partner (6.769 - 1.297 =) € 5.472,- per maand. Dit resulteert in een behoefte van [minderjarige 4] in 2017 van
€ 870,- per maand. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door verzoekers acht het hof het in dit specifieke geval niet redelijk om daarnaast rekening te houden met de door de man opgevoerde oppaskosten van [minderjarige 4] van € 750,- per maand. De man en zijn nieuwe partner hebben ervoor gekozen om een kind te krijgen en voltijds te blijven werken, waardoor zij een (veel) hoger inkomen genieten dan de man en de vrouw destijds. Het hof acht het niet redelijk om deze keuzen ten nadele van de andere kinderen te doen strekken en, boven op dit hoge inkomen, ook nog oppaskosten te verdisconteren. Gelet op het inkomen van de man en zijn nieuwe partner en het feit dat zij de kosten van kinderopvang gezamenlijk dragen, houdt het hof geen rekening met deze kosten bij de bepaling van de behoefte van [minderjarige 4] . Op de man rust een zwaarwegende en wettelijke onderhoudsverplichting jegens de kinderen en hij dient zich dan ook tot het uiterste in te spannen om in hun kosten te voorzien. Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat de kosten van een nieuw kind niet dermate afwijkend dienen te zijn dat hij niet langer in de kosten van zijn andere kinderen kan voorzien. Dit klemt te meer daar [minderjarige 4] thans één jaar oud is en de kinderen alle op een leeftijd zijn waarop hun kosten een vlucht hebben genomen.

Draagkracht van de man

5.6

Verzoekers stellen dat er bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte aan de zijde van de man en zijn echtgenote rekening is gehouden met 30% woonlast. Er dient rekening te worden gehouden met de daadwerkelijke woonlast, nu een huishouden van twee partners goedkoper is dan twee afzonderlijke huishoudens. Het belang van de kinderen dient te prevaleren boven een rekenmethodiek. De kinderen hebben behoefte aan een bijdrage van € 415,- per maand per kind en de rechtbank heeft € 152,- per maand vastgesteld. Gezien de draagkracht van de man en zijn nieuwe echtgenote zal het [minderjarige 4] aan niets ontbreken. De kinderen van partijen komen echter tekort. Er dient dan ook afgeweken te worden van de systematiek en uitgegaan te worden van de grondslag voor kinderalimentatie, namelijk dat ouders verplicht zijn in het onderhoud van hun kinderen te voorzien.

5.7

De man kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende grond is om af te wijken van de alimentatienormen. De daadwerkelijke woonlast van de man is bovendien hoger dan 30% van het netto besteedbaar inkomen. De vrouw kan haar woonlast eveneens delen met haar partner die bij haar inwoont. Volgens de berekeningsmethodiek komen alle kinderen tekort, ook [minderjarige 4] . De man stelt dat de vrouw meer is gaan werken en [de jongmeerderjarige] bijverdiensten heeft en dat verzoekers hun inkomensgegevens dienen over te leggen.

5.8

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van het onder 5.5 vermelde netto besteedbaar inkomen van de man van € 3.401,- per maand.

5.9

Met betrekking tot de woonlasten overweegt het hof als volgt. Verzoekers hebben gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen hantering van de forfaitaire woonlast van 30% van het netto inkomen, omdat deze aanmerkelijk afwijkt van de werkelijke woonlast van de man. De forfaitaire woonlast bedraagt (0,3 x 3.401 =) € 1.020,- per maand. Ter zitting heeft de man verklaard dat zijn netto hypothecaire woonlast ongeveer € 1.200,- per maand bedraagt. De helft daarvan komt ten laste van de nieuwe partner van de man, zodat € 600,- per maand voor rekening van de man komt. Nu er een aanmerkelijke discrepantie is tussen de werkelijke woonlasten en de forfaitaire woonlasten en dit ten nadele van de kinderen strekt, acht het hof het in onderhavige geval redelijk om rekening te houden met een woonlast van 20% in plaats van 30%. De woonlast van de man bedraagt dan (0,2 x 3.401 =) € 680,- per maand, ter dekking van overige eigenaarslasten naast de rente op de hypothecaire geldlening.

5.10

Gelet op het vorenstaande berekent het hof de draagkracht van de man als volgt:

70% [3.401 - (680 + 905)] = € 1.271,- per maand.

Draagkracht van de nieuwe partner van de man

5.11

Rekening houdend met in 5.5 vermelde inkomen van € 3.368,- per maand, en een woonlast van 20%, zijnde € 674,- per maand, becijfert het hof de draagkracht van de nieuwe partner van de man als volgt:

70% [3.368 - (674 + 905)] = € 1.252,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.12

Het hof gaat evenals de rechtbank uit van een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 160,- per maand. De man stelt dat de vrouw met ingang van 1 september 2018 2% meer is gaan verdienen, een compensatie van € 750,- krijgt en meer zou kunnen werken. Het hof is van oordeel dat deze stellingen, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, geen aanleiding zijn om uit te gaan van een hogere draagkracht aan de zijde van de vrouw. De inflatie is dusdanig dat 2% loonsverhoging en € 750,- compensatie daar ternauwernood in voorzien. Daarbij heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij gezien de zorg voor de kinderen en haar eigen burn-out klachten haar werkzaamheden nu niet kan uitbreiden en dat de financiële zorgen groot zijn. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam gebleken dat de echtscheiding van partijen een zware wissel op het gezin heeft getrokken, zowel op emotioneel als op financieel gebied.

Toerekening van de draagkracht naar rato van de behoefte van de kinderen

5.13

De totale behoefte van de kinderen en [minderjarige 4] tezamen bedraagt (4 x 415 = 1.660 + 870 =) € 2.530,- per maand. De draagkracht van de man van € 1.271,- is derhalve minder dan de behoefte zodat deze verdeeld moet worden naar rato van de behoefte:

1.660/2.530 x 1.271 = € 834,-, zijnde € 209,- per maand per kind komt ten goede aan de kinderen, en

870/2.530 x 1.271 = € 437,- ten behoeve van [minderjarige 4] .

5.14

De man en zijn nieuwe partner zijn beiden onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 4] . Hun gezamenlijke draagkracht bedraagt (437 + 1.252 =) € 1.689,-, zodat zij geheel kunnen voorzien in de behoefte van [minderjarige 4] . Om ieders aandeel in de kosten van [minderjarige 4] te bepalen dient de draagkracht van de man en zijn nieuwe partner te worden vergeleken. Het aandeel van de man bedraagt (437/1.689 x 870 =) € 225,-, en dat van zijn nieuwe partner (1.252/1.689 x 870 =)
€ 645,- per maand. De man houdt derhalve (437 - 225 =) € 212,- per maand over. Dit surplus komt ten goede aan de kinderen zodat de draagkracht van de man voor de kinderen (834 + 212 =) € 1.046,- bedraagt, zijnde € 262,- per maand per kind.

Zorgkorting

5.15

De draagkracht van de man en de vrouw tezamen voor de kinderen bedraagt (1.046 + 160 =) € 1.206,-, hetgeen fors minder is dan hun behoefte. Nu deze draagkracht onvoldoende is om te voorzien in de behoefte van de kinderen is er geen ruimte voor toepassing van de zorgkorting.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende en met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2016:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 10 november 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 262,- per maand per kind zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan [de jongmeerderjarige] met ingang van 10 november 2017 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie € 262,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, E.A. Mink, en J. Zwagemaker, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en is op 24 oktober 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.