Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2768

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
BK-18/00023
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:15284, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur betwist, onder verwijzing naar het arrest HR 21 september 1994, nr. 29 356, ECLI:NL:HR:1994:AA2964, BNB 1995/16, dat ten aanzien van een door belanghebbende ten laste van haar winst gebracht bedrag sprake is van een uitgave die is gedaan ten behoeve van haar onderneming. Aangezien belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt komen rechtbank en hof tot de conclusie dat de inspecteur terecht het bedrag niet in aftrek heeft toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-11-2018
V-N Vandaag 2018/2378
FutD 2018-2902
V-N 2019/4.28.11
NTFR 2018/2847
NLF 2018/2359 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/00023

Uitspraak van 23 oktober 2018

in het geding tussen:

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: L.C.R. Ferrier)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: J.A. van Splunter en H. Raven)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 november 2017, nummer SGR 17/3867, betreffende na te vermelden navorderingaanslag en beschikking.

Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 185.338 (de aanslag). Tevens heeft de Inspecteur bij gelijktijdig gegeven beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 11 september 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

In hoger beroep wordt van het volgende uitgegaan.

3.2.

Op 10 november 2008 is de vennootschap [A] B.V. ( [A] ) opgericht door haar enig aandeelhouder, [B] ( [B] ).

3.3.

Op diezelfde datum heeft [A] belanghebbende opgericht. Bij statutenwijziging van 29 november 2016 is de naam van belanghebbende gewijzigd van [C] B.V. naar [X] B.V. Belanghebbende behoort tot de [D] groep.

3.4.

Op 2 maart 2009 is de Spaanse vennootschap [E] SL opgericht. Vanaf de oprichting is [B] de enig aandeelhouder ( [F] ) van [E] SL. Vanaf 11 november 2009 is hij tevens bestuurder van deze vennootschap.

3.5.1.

Met dagtekening 25 juni 2009 is een “Management Overeenkomst” tot stand gekomen tussen belanghebbende als opdrachtgever en de hierna te melden vennootschap [G] SL ( [G] ), vertegenwoordigd door [B] , als opdrachtnemer. In de overeenkomst is bepaald dat de feitelijke uitvoering van de opdracht zal geschieden door [B] of andere personen. In de managementovereenkomst is voorts onder meer opgenomen:

“Artikel 2. opdracht en duur

1. Opdrachtnemer zal opdrachtgever ondersteunen bij haar strategische heroriëntatie en implementatie van de strategie.

2. Opdrachtgever zal opdrachtnemer alle interne mankracht en bedrijfsdata beschikbaar stellen, zodat opdrachtnemer zelf of een derde een gedegen onderzoek kan laten uitvoeren.

3. De opdracht is voor de duur van 12 maanden en wordt stilzwijgend verlengd voor dezelfde periode, tenzij de overeenkomst wordt opgezegd.

4. (…)

5. Voor de feitelijke uitvoering van voormelde opdracht wordt door opdrachtnemer ingezet de heer [B] . Opdrachtnemer is bevoegd, doch niet verplicht, naast of in plaats van [B] , zoals voornoemd ook andere personen in te zetten voor de feitelijke uitvoering van de opdracht.”

3.5.2.

De managementovereenkomst is bij overeenkomst per 1 maart 2011 beëindigd.

3.6.

Bij akte van 9 december 2009 is door [B] de Stichting Administratiekantoor 1N109 opgericht (Stichting 1N109), met als doel het tegen uitreiking van certificaten van aandelen verkrijgen van de aandelen in belanghebbende. Het bestuur wordt gevormd door [B] , die voor het leven is benoemd.

3.7.

Bij akte van 15 januari 2010 is door [B] de Stichting [H] opgericht (Stichting [H] ), met als doel het tegen uitreiking van certificaten van aandelen verkrijgen van de aandelen [A] . Het bestuur wordt gevormd door de [B] , die voor het leven is benoemd. Vanaf 1 januari 2015 is Stichting [H] ingeschreven als bestuurder van [A] .

3.8.

Op 15 februari 2010 is de Spaanse vennootschap [G] SL ( [G] ) opgericht. De aandelen van [G] zijn vanaf de oprichting in handen van [E] SL. Volgens een Boletín Oficial del Registro Mercantil stond tot 29 december 2010 [I] ingeschreven als enig bestuurder (Administrador Unico) van [G] . Zij werd per die datum in die functie opgevolgd door [B] .

3.9.

Bij brief van 20 augustus 2014 is aan belanghebbende een boekenonderzoek aangekondigd. Het doel van dit onderzoek was, onder meer, om de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 2010 tot en met 2013 vast te stellen. Dit heeft geleid tot een rapport, gedagtekend 12 september 2016.

3.10.

Tijdens het onderzoek zijn in de administratie van belanghebbende voor het jaar 2010 twee facturen aangetroffen afkomstig van [G] . Deze facturen zijn gedagtekend 30 juni en 31 december 2010 en hebben betrekking op een maandelijks verschuldigd bedrag van € 10.000 alsmede een slotbedrag van € 20.000. Deze facturen, met een totaalbedrag van € 140.000, zijn in de administratie van het jaar 2010 geboekt als algemene advieskosten en ten laste van de belastbare winst over het onderhavige jaar gebracht.

3.11.

Deze facturen houden volgens belanghebbende verband met de hiervoor vermelde managementovereenkomst. Op vragen van de controlerend ambtenaar heeft belanghebbende bij brief gedagtekend 1 januari 2015 geantwoord:

“Door de vennootschap [C] bvis opdracht gegeven aan de firma [J] sl gegeven om [C] bv een plan te verzorgen waardoor het bedrijf de huidige problemen vanaf 2010 met de toen opkomende crisis kon doorkomen. En te kijken naar nieuwe producten en financieringen.

  • -

    Er is destijds bedrijfsanalyse gemaakt en ondernemingsplan geschreven

  • -

    Het providerschap verzorgd VoIP en een nieuwe producten lijn geïmplementeerd

  • -

    De aanvragen verzorgd bij het agentschap telecom en het continuïteitsplan verzorgd

  • -

    Financierings behoefte analyse gemaakt

  • -

    Bedrijf structuur aangepast”.

3.12.

Naar aanleiding van voormelde beantwoording heeft de controlerend ambtenaar op 5 november 2015 aan belanghebbende de volgende vragen gesteld:

1. Kunt u mij een kopie van het door [J] SL opgestelde bedrijfsanalyse en ondernemingsplan verzenden.

2. Kunt u mij bescheiden verstrekken waaruit blijkt dat [J] SL het providerschap van VoIP heeft verzorgd en een nieuwe producten lijn door [J] SL is geïmplementeerd.

3. Kunt u mij bescheiden verstrekken waaruit blijkt dat de aanvraag bij het agentschap telecom en het continuïteitsplan door [J] SL zijn verzorgd.

4. Kunt u mij een kopie van de door [J] SL opgestelde financieringsbehoefte analyse verstrekken.

5. Kunt u mij het door [J] SL gegeven advies tot aanpassing van de bedrijfsstructuur verstrekken.”

Omdat de vragen niet waren beantwoord en belanghebbende inmiddels bezwaar had ingesteld tegen de navorderingsaanslag heeft de Inspecteur bij brief van 16 februari 2016 nogmaals gevraagd om bovenvermelde informatie.

3.13.

In antwoord op laatstvermelde brief is namens belanghebbende op 16 mei 2016 het volgende geantwoord:

(…)

Uitgangspunten/voorbehouden

Mijn antwoorden zijn gebaseerd op de aan mij verstrekte gegevens en uit de administratie gebleken informatie. Ik merk daarbij op dat zowel de heer [B] als [K] and Invest SL, geen cliënten van mij zijn. De informatie betreffende deze partijen is dan ook vrij summier en geen andere dan de informatie die ik heb aangetroffen ten aanzien van andere crediteuren van [C] BV of informatie die mondeling aan mij is verstrekt.

Management overeenkomst

In het bezwaarschrift is er een verwijzing gemaakt naar de managementovereenkomst (bijlage 1) tussen [C] BV en [K] SL. Een originele overeenkomst op papier heb ik niet aangetroffen wel een kopie overeenkomst en een ingescande overeenkomst.

Bevoegdheid [B]

De overeenkomst is namens [K] ondertekend door de heer [B] . Bijgaand treft u aan een kopie van een uittreksel waaruit blijkt dat de heer [B] in 2009 bevoegd was om namens de [K] de managementovereenkomst aan te gaan (zie bijlag 2). Verder heb ik van de heer [B] begrepen dat hij in de betreffende periode NIET in een andere hoedanigheid bij [K] betrokken was.

Werkzaamheden

Uit de facturen en urenstaten kan ik niet afleiden welke werkzaamheden specifiek door [B] dan wel door anderen zijn verricht. Er is geen dagboek van de activiteiten die [B] namens [K] heeft uitgevoerd. Evenmin zijn er documenten waaruit blijkt dat [K] naast het detacheren van de heer [B] nog andere activiteiten heeft uitgevoerd.

Echter het feit dat er gestructureerd aan een uitbreiding van het dienstenpallet is gewerkt, door toevoeging van VOIP telefonie en de introductie van een sim dialer, doet vermoeden dat er door [K] vooraf kennelijk marktonderzoek is gedaan en technisch onderzoek is verricht teneinde na te gaan op welke wijze gebruik zou kunnen worden gemaakt van de stand van de VOIP en telecom techniek. Helaas heb ik in de administratie in [C] BV geen documenten aangetroffen die dit staven. Wel heb ik in artikel 5 van de managementovereenkomst gelezen dat de intellectuele eigendom die betrekking heeft op de door [K] verrichte werkzaamheden toekomen aan [K] en dat deze door [C] gedurende de duur van de management overeenkomst gebruikt mochten worden. Echter zoals eerder opgemerkt, van [K] heb ik alleen informatie die niet anders is dan de informatie die [C] BV beschikt over haar crediteuren.

Ten aanzien van de periode waarover de navorderingsaanslag is vastgelegd en de WINSTUITDELING zou hebben plaatsgevonden, heb ik in de administratie en correspondentie van [C] BV en de [D] Groep waar [C] BV toebehoort, wel conceptstukken, definitief lijkende stukken, correspondentie etc. aangetroffen waaruit ik kan opmaken dat de heer [B] werkzaamheden heeft verricht en dat deze werkzaamheden het best vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van een directeur met als focus “business development”. De contacten met externe partijen en de accenten op de marketing en productontwikkeling wijzen hier vooral op. Wat betreft de interne werkzaamheden en interne aansturing wijzen hier vooral op. Wat betreft de interne werkzaamheden en interne aansturing kan ik geen schriftelijke documentatie vinden. Gezien de beperkte omvang van de organisatie en de door de heer [B] verschafte toelichting, leidt [lees: leid, hof] ik af dat er kennelijk intern veel mondeling en telefonisch overleg gevoegd is m.b.t. de implementatie van allerlei plannen om de [D] Groep naast provider van alarmsystemen met monitoring via internet, en provider van op internet/GPS track en trace systemen, ook neer te zetten als provider van eveneens op internet gebaseerde VOIP systemen. Feit is dat er nu een VOIP providerschap staat dat destijds is opgezet naast de activiteiten, zoals track en trace en camerabeveiliging via internet, waarvan blijkens de toelichting van de heer [B] , de marges behoorlijk aan het teruglopen waren.

Aangezien het niet wenselijk is u te overspoelen met allerlei mogelijk nuttige danwel niet nuttige en totaal overbodige informatie treft u bijgaand aan een door mij gemaakte selectie, waarvan ik niet altijd kan vaststellen of dit definitieve of conceptstukken zijn. Het betreft:

1.Een deel van de emailwisseling met de heer [L] betreffende de implementatie van VOIP, training van medewerkers en uitbreiding van de activiteiten naar België (bijlage 3);

2. Een presentatie van [M] , onderdeel van de [D] groep voor de businesscase en positionering; (bijlage 4)

3. een onaf continuïteitsplan, de eindversie uit 2010 heb ik niet in de documentatie teruggevonden; (bijlage 5)

4. een concept overeenkomst met nummer (…) met daarin een beschrijving van de diensten van toepassing zijnde voorwaarden. (bijlage 6)

Urenstaten en facturen (bijlage 7)

De kopie facturen aan die ik heb aangetroffen alsmede de uren die daarbij door [K] in rekening zijn gebracht treft u aan in bijlage 7. Bankafschriften van de betalingen heb ik vooralsnog niet aangetroffen. Ik kan daardoor niet vaststellen wanneer de facturen zijn betaald en hoe de openstaande vordering is vastgesteld.

Beëindigingsovereenkomst/voorwaardelijke kwijtschelding

Behoudens de beëindigingsovereenkomst tussen [K] en [C] BV heb ik geen stukken, correspondentie etc. aangetroffen die de kwijtschelding betroffen. Wel staat in de beëindigingsovereenkomst d.d. 1 maart 2011 dat de kwijtschelding kennelijk voorwaardelijk is en dat [K] het recht verwerft om binnen 5 jaren tegen een discount de activiteiten van [C] BV over te nemen. (Zie bijlage 8)

Overige stukken, vragen van de [controlerend ambtenaar]

In de summiere tijd die mij gegeven is, heb ik deze stukken NIET in de documentatie of administratie van [C] BV aangetroffen.”

3.14.

Uit de door de Spaanse belastingautoriteit verstrekte informatie blijkt dat [G] vanaf haar oprichting een inactieve vennootschap is. Uit de gedeponeerde jaarrekening 2010 van [G] blijkt niet dat een bedrag van € 140.000 aan omzet is verantwoord. Volgens de van de jaarrekening uitmakende winst- en verliesrekening (Cuenta de pérdidas y ganancias) is er in het jaar 2010 in het geheel geen omzet (importe neto de la cifra de negocios) verantwoord.

3.15.

De Inspecteur heeft geconcludeerd dat het voornoemde bedrag van € 140.000 ten onrechte ten laste van de belastbare winst over 2010 is gebracht en heeft de in geding zijnde navorderingsaanslag opgelegd, waarbij hij de belastbare winst als volgt heeft vastgesteld:

Aangegeven belastbare winst € 45.338,-

Bij: niet aftrekbare advieskosten € 140.000,-

Vastgestelde belastbare winst € 185.338,-.

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Evenals in eerste aanleg is in geschil het antwoord op de vragen of

- belanghebbende ter zake van de van [G] ontvangen facturen een bedrag van € 140.000 ten laste van haar winst mag brengen;

- de navorderingsaanslag is opgelegd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.

4.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente.

4.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

5. De Rechtbank heeft, voor zover althans van belang, overwogen.

17. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat sprake is van zakelijke uitgaven bij belanghebbende ligt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat [G] voor het niet in aftrek toegestane bedrag werkzaamheden heeft verricht. De door belanghebbende in dit verband overgelegde stukken en gegeven verklaringen acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Om een indruk te geven van de werkzaamheden die zijn verricht heeft belanghebbende een aantal emailberichten overgelegd. Ten aanzien van deze overgelegde berichten afkomstig van de “ [D] Group” volgt dat hieruit niet blijkt dat de heer [B] namens [G] optreedt, en ook niet in de hoedanigheid van werknemer van [G] . Verder stelt de Inspecteur terecht vraagtekens bij de betaling(en) in 2009 aan [G] , een vennootschap die pas in 2010 is opgericht.

Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat deze betalingen moeten worden gezien als voorschot dan wel vooruitbetaling. Onduidelijk is echter gebleven waarom er bedragen vooruit zijn betaald aan een aandeelhouder die op dat moment nog niet was opgericht. Ook overigens is niet gebleken dat aan de betalingen werkzaamheden ten grondslag liggen; voorschotnota’s die enig licht op de zaak zouden kunnen werpen ontbreken. Belanghebbende heeft aldus niet aan haar bewijslast voldaan, waardoor de Inspecteur terecht de aanslag heeft vastgesteld zonder deze kosten in aanmerking te nemen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

18. De rechtbank is niet gebleken dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag en bij het doen van uitspraak op bezwaar in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. In al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarvan is ook geen sprake nu de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar voor de vennootschapsbelasting de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd, terwijl de naheffingsaanslag dividendbelasting is vernietigd omdat er tussen de aandeelhouder en belanghebbende sprake is van een deelnemingsverhouding.

19. Tegen de heffingsrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Dat die rente ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht is niet gebleken.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de correcties met betrekking tot de facturen in totaal ten bedrage van € 140.000 door de Inspecteur terecht aangebracht en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf

6.1.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur omdat hij in belastingprocedures betreffende [N] en [B] andere informatie aanvoert dan in de onderhavige procedure, waaronder een ander uittreksel van de kamer van koophandel uit 2010, zodat een situatie ontstaat waardoor hij aan de hand van het onder 3.9 vermelde onderzoek “meerdere feitelijke versies” creëert.

6.1.2.

Een bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het (hoger) beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Als de door de ene partij naar voren gebrachte feiten en omstandigheden voldoende door de wederpartij zijn betwist kunnen deze slechts na een geslaagde bewijslevering door de rechter als vaststaand worden beschouwd. Indien de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende door de wederpartij zijn betwist dan zal de rechter deze direct als vaststaand aannemen en wordt aan enige bewijslevering niet toegekomen. Derhalve is het aan belanghebbende om te betogen welke door de Inspecteur in de onderhavige zaak aangevoerde feiten en omstandigheden in strijd zijn met de waarheid. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende van die mogelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken. De stelling faalt derhalve.

Schending artikel 8:42 Awb

6.2.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur het bepaalde in artikel 8:42 Awb heeft geschonden doordat een lijst inhoudende de abonnementenportefeuille tijdens de inzage niet is aangetroffen in het controledossier en de herkomst van deze lijst niet duidelijk is.

6.2.2.

De Inspecteur heeft ter zitting betoogd dat de hiervoor bedoelde lijst nimmer tot het controledossier heeft behoord maar door de ontvanger is opgesteld toen een naheffingsaanslag omzetbelasting onbetaald bleef en de ontvanger in verband daarmee gegevens uit de debiteurenadministratie raadpleegde die belanghebbende had verstrekt. Aangezien belanghebbende zulks niet heeft bestreden is van een schending van artikel 8:42 Awb geen sprake.

Kostenaftrek

6.3.

Indien een belastingplichtig lichaam bedragen ten laste van haar winst brengt zonder dat blijkt van enige tegenprestatie, kunnen deze bedragen slechts dan tot de kosten van de door de belastingplichtige gedreven onderneming worden gerekend, indien deze aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van die onderneming is gedaan. (vgl. HR 21 september 1994, nr. 29 356, ECLI:NL:HR:1994:AA2964, BNB 1995/16). Omdat belanghebbende geacht mag worden het beste inzicht te hebben in de bestemming en het nut van het door haar in aftrek gebrachte bedrag, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat zij het bestaan en de omvang van door haar in aftrek gebrachte lasten aannemelijk maakt, terwijl de Inspecteur, ingeval hij de zakelijkheid van de kosten betwist, de bewijslast van die onzakelijkheid draagt. Hiertoe is evenwel niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat de belanghebbende de aandeelhouder als zodanig heeft bevoordeeld.

6.4.

De Inspecteur stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat, vanwege het ontbreken van enige tegenprestatie, niet aannemelijk is gemaakt dat de kosten zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming van belanghebbende.

6.5.1.

Gelet op deze gemotiveerde stellingname van de Inspecteur, dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de ter zake van de onderhavige facturen gedane betalingen zijn geschied vanwege een tegenprestatie van [G] . De omstandigheid dat het in het onderhavige geval gaat om een navorderingsaanslag, maakt dit niet anders (vgl. onder meer HR 18 november 2011, nr. 10/05052, ECLI:NL:HR:2011:BU4804 en HR 19 juni 1929, B. 4530).

6.5.2.

Anders dan belanghebbende stelt is van omkering van de bewijslast geen sprake. Wel brengt de hier aan de orde zijnde bewijslastverdeling mee dat indien er twijfel bestaat over de door belanghebbende gestelde toedracht, dit ten nadele werkt van belanghebbende.

6.6.

In eerste aanleg en hoger beroep heeft belanghebbende – samengevat weergegeven het volgende aangevoerd:

6.6.1

[B] is in de loop van 2009, mede als gevolg van een vechtscheiding, naar Spanje verhuisd en heeft besloten zijn werkzaamheden ten behoeve van de [D] Groep voortaan te factureren vanuit [G] .

6.6.2.

Het zwaartepunt van de werkzaamheden ligt in 2010 vooral op het ontvlechten van zijn ex-echtgenote uit de organisatie, het vinden van een nieuwe financieringswijze voor belanghebbende, alsmede het verder ontwikkelen en uitrollen van de Services via IP, waaronder VOIP strategie en Camerabeveiliging.

6.6.3.

Voor de door [B] te verrichten werkzaamheden is een managementovereenkomst opgemaakt tussen [G] en belanghebbende. [B] ontvangt verder geen andere beloning(en) van ondernemingen die tot de [D] Groep behoren. De enige overeenkomst die de werkzaamheden van [B] voor belanghebbende rechtvaardigt is de managementovereenkomst met [G] .

6.6.4.

Het door [B] gebruikte emailadres en andere uitingen ten behoeve van de [D] Groep zijn om zakelijke redenen ongewijzigd gebleven, zodat er voor leveranciers en afnemers van belanghebbende op het oog niets veranderd.

6.6.5.

Gedurende zijn verhuizing en echtscheiding heeft [B] voorschotten ontvangen voor zijn werkzaamheden die boekhoudkundig zijn verwerkt als voorschotten voor werkzaamheden verricht door [G] .

6.6.6.

In 2010, na de definitieve oprichting van [G] , heeft de verrekening van voorschotten en de vaststelling van de definitieve beloning geleid tot de een tweetal facturen van [G] in totaal bedragende € 140.000,-. De ontvangen voorschotten zijn hiermee verrekend.

6.6.7.

Zowel uit haar portefeuilleontwikkeling als onder andere een nieuw contract met Meldkamer […] ter verbetering van haar productenpalet, blijkt dat [B] zich namens [G] heeft ingezet om de uit de managementovereenkomst voortvloeiende tegenprestatie te leveren.

6.6.8.

Subsidiair stelt belanghebbende dat de facturen van [G] moeten worden geherkwalificeerd en moeten worden aangemerkt als facturen voor de door [B] verrichte werkzaamheden.

6.7.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 november 2015 een aantal vragen gesteld. De antwoorden op deze vragen zouden aannemelijk kunnen maken dat het ten laste van de winst gebrachte bedrag van € 140.000 ten behoeve van belanghebbendes onderneming is gedaan. Dat laat onverlet dat het belanghebbende vrij staat ook op andere wijze aan de op haar rustende bewijslast te voldoen.

6.7.2.

Tot de stukken van het geding behoort de managementovereenkomst. Uit onderdeel 2.2 daarvan blijkt dat [G] zich verbonden heeft om “gedegen onderzoek” uit te voeren. Of dat onderzoek heeft plaatsgevonden en wat de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek zijn geweest is niet duidelijk geworden.

6.7.3.

Zoals hiervoor vermeld heeft de Inspecteur aan belanghebbende verzocht een afschrift van de bedrijfsanalyse en een afschrift van het ondernemingsplan. Aan het verzoek is niet voldaan. Hetzelfde geldt voor de vraag van de Inspecteur aan belanghebbende om bescheiden te verstrekken waaruit blijkt dat [G] het providerschap van VoIP heeft verzorgd en een nieuwe productenlijn door [G] is geïmplementeerd.

6.7.4.

Belanghebbende heeft evenmin voldaan aan het verzoek van de Inspecteur een afschrift van de analyse van de financieringsbehoefte toe te zenden. Dat een zodanige analyse door [G] is gemaakt is geenszins gebleken.

6.7.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat de bedrijfsstructuur is aangepast en dat aanvragen bij het Agentschap Telecom zijn gedaan, doch heeft het gelaten bij een blote stellingname die niet – ook niet na vragen dienaangaande van de Inspecteur – is onderbouwd. Voor wie en wanneer deze aanvragen zijn gedaan is niet gebleken.

6.7.6.

Tot de stukken van het geding behoren een concept “model continuïteitsplan”. Uit dit, niet gedagtekende, concept blijkt niet wat de rol van [G] c.q. [B] bij de totstandkoming daarvan is geweest.

6.7.7.

Uit de beantwoording van de vragenbrief van de Inspecteur door belanghebbende bij brief van 16 mei 2016 blijkt dat veel van de door de Inspecteur gevraagde documenten niet voorhanden zijn en dat van het continuïteitsplan slechts een conceptversie bestaat.

6.8.1.

Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende geen dan wel onvoldoende inzicht gegeven omtrent welke tegenprestaties staan tegenover het in aftrek gebrachte bedrag. Belanghebbende heeft in eerste aanleg noch in hoger beroep hiertoe iets (nader) aangevoerd en zij heeft daartoe verder ook geen (nader) bewijs aangedragen. Tegenover het door belanghebbende in aftrek gebrachte bedrag staan geen dan wel onvoldoende concreet bepaalbare tegenprestaties. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat tegenover het in aftrek gebrachte bedrag tegenprestaties hebben gestaan ten behoeve van de onderneming.

6.8.2.

Zulks brengt met zich dat ook het subsidiair door belanghebbende ingenomen standpunt faalt.

6.8.3.

Mitsdien moet worden geconcludeerd dat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de betalingen zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Op deze grond heeft de Inspecteur de betalingen terecht niet in aftrek toegestaan.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6.9.

Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, en die tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur aannemelijk gemaakt, die kunnen leiden tot het oordeel dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van de door de Inspecteur gemotiveerd ingenomen standpunten kan niet worden geoordeeld dat deze in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Terecht heeft de Rechtbank geoordeeld dat van een schending van de beginselen evenmin sprake is doordat de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar voor de vennootschapsbelasting de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd, terwijl de naheffingsaanslag dividendbelasting is vernietigd omdat de Inspecteur – wat daar ook van zij er van uit is gegaan dat er tussen de aandeelhouder en belanghebbende sprake is van een deelnemingsverhouding.

Heffingsrente

6.10.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie (zie HR 27 november 2009, nr. 07/13621, ECLI:NL:HR:2009:BJ7907, BNB 2010/52). De gronden die zijn gericht tegen de belastingaanslag, worden geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking heffingsrente. Nu deze gronden niet slagen, en belanghebbende voor het overige niets heeft gesteld omtrent de beschikking heffingsrente, is het hoger beroep inzake de heffingsrente ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en er is geen aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en B.G. van Zadelhoff, leden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 23 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.