Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2720

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
200.217.389/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenleving. Einde. Gezamenlijke woning. Gebruiksvergoeding 3:169 BW. Vrouw moet lagere opbrengst als gevolg niet meewerken aan verkoop aan de man vergoeden. Hof berekent exact de vorderingen ter zake van de over en weer betaalde eigenaarslasten (hypotheekrente, beleggingsverzekering etc).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.217.389/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 5049876 / CV EXPL 16-19755

arrest van 14 augustus 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.M. Bouwmeester te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.A.H. de Boer te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 9 juni 2017, tevens houdende memorie van grieven, is de man in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 12 mei 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de kantonrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

De man heeft zes grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

De vrouw heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Op de terechtzitting van 7 maart 2018 heeft de vrouw een akte indiening producties genomen en hebben partijen hun standpunten mondeling bepleit.

Vervolgens heeft elke partij arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten niet is gegriefd, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis

2. De kantonrechter heeft, kort weergegeven, in conventie de vrouw veroordeeld om aan de man een bedrag te betalen van EUR 10.750, en heeft in reconventie de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van EUR 39.515,85, onder compensatie van de proceskosten.

Het geschil

4. In het appèl vordert de man, met (voorwaardelijk) vermeerdering van eis, zakelijk weergegeven:

  • -

    vernietiging van het bestreden vonnis;

  • -

    afwijzing van de vorderingen van de vrouw in reconventie;

  • -

    veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van EUR 10.750 (restschuld), van een bedrag van EUR 4.821,38 (schadevergoeding), en van een bedrag van EUR 17.922,39 (gebruiksvergoeding);

  • -

    veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties; en

  • -

    het een en ander te verhogen met wettelijke rente.

5. De vrouw vordert bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling van het principale appel

6. De eerste grief klaagt, naar het hof begrijpt, dat de kantonrechter ten onrechte nieuwe standpunten niet heeft willen meewegen in zijn beslissing, wegens strijd met de goede procesorde. Het betreft de eisvermeerdering van de man op de rolzitting van 17 november 2016, als mondeling reeds opgeworpen op de comparitie van 11 oktober 2016. Voorwaardelijk, te weten voor het geval het hof de man niet volgt in zijn klacht, vermeerdert hij zijn eis alsnog in hoger beroep.

7. De vrouw concludeert dat de kantonrechter juist heeft geoordeeld. Voorts acht zij de vermeerdering van eis onvoldoende onderbouwd en onbegrijpelijk.

8. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne. Uit de grief blijkt niet waarom het oordeel van de kantonrechter onjuist zou zijn dat de man zijn eisvermeerdering in een eerder stadium naar voren had kunnen en (naar het hof begrijpt) ook moeten brengen. In zoverre slaagt de eerste grief niet.

9. Daarmee is de door de man gestelde voorwaarde vervult en komt het hof toe aan de vermeerdering van eis.

10. De man eist een gebruiksvergoeding, naar het hof aanneemt op grond van art. 3:169 BW. Partijen hebben gezamenlijk een woning gekocht, maar hun onderlinge affectieve relatie is geëindigd voordat de woning gereed was voor bewoning. De vrouw heeft feitelijk de woning betrokken vanaf 1 augustus 2008 tot 30 september 2015 en heeft in die periode het woongenot exclusief gehad. De man wijst op een beslissing van het hof Den Haag d.d. 17 maart 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:821) waarin de methodiek wordt uitgelegd om tot een gebruiksvergoeding te komen en naar het hof begrijpt, berekent de man conform die beslissing de door de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding op een bedrag van EUR 17.922,39.

11. De vrouw verzet zich tegen de vermeerdering van eis in hoger beroep, omdat haar aldus één instantie wordt ontnomen. Voor het overige wijst zij er op dat de man in zijn berekening van de gebruiksvergoeding is uitgegaan van een verkeerd criterium. Zij wijst op de zogenaamde overwaarde methode, zoals die blijkens de jurisprudentie in incidentele gevallen is toegepast. Bij toepassing van die methode is zij feitelijk geen vergoeding verschuldigd.

12. Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 130 Rv jo 353 Rv is de man in beginsel ontvankelijk wanneer hij zijn eis in hoger beroep vermeerdert. Voor de gebruiksvergoeding ex art. 3: 169 BW geldt, dat een deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht kan worden om de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143, NJ 2001, 59). Deze vergoeding wordt toegekend met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid (MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 587).

13. Het hof volgt de vrouw niet in haar beroep op de zogenoemde overwaarde methode. Eigenaarslasten zoals hypothecaire lasten en verzekeringspremies die gekoppeld zijn aan een hypotheek of anderszins verband houden met de eigendom zijn zakelijke lasten die gedragen moeten gedragen in evenredigheid van gerechtigheid van de eigenaren tot de eigendom. Die lasten staan dus los van de al dan niet verschuldigde gebruiksvergoeding.

14. Voor het berekenen van de gebruiksvergoeding gaat het hof uit van het redelijkerwijs te behalen rendement op het in de woning geïnvesteerde vermogen. Daarbij sluit het hof aan bij het uitgangspunt van de wetgever dat vier procent (na lasten maar vóór inkomstenbelasting) redelijkerwijs haalbaar is waarbij ingeval van onroerende zaken het geïnvesteerde vermogen gelijk wordt geacht aan de WOZ waarde. In het onderhavige geval acht het hof het redelijk om uit te gaan van de (lagere) waarde ad EUR 248.000 nu het hoogst ontvangen bod daaraan gelijk was. De gebruiksvergoeding is dan voor de relevante periode gelijk aan de helft van 4% van EUR 248.000 oftewel EUR 4.960 per jaar. Nu de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad gedurende 86 maanden (zeven jaar plus twee maanden) is zij in beginsel een gebruiksvergoeding verschuldigd aan de man ad EUR 35.547.

15. De eerste grief slaagt derhalve, althans voor wat het voorwaardelijke onderdeel betreft. Nu de man zijn vordering heeft beperkt tot een bedrag van EUR 17.922,39, zal het hof zijn vordering toewijzen tot dat bedrag.

16. De tweede grief klaagt dat de kantonrechter oorzakelijk verband had moeten vaststellen tussen de weigering van de vrouw mee te werken aan de verkoop van de woning en de lagere opbrengst van de woning.

17. De vrouw stelt dat de man ook in hoger beroep zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

18. Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de woning is verkocht voor een lagere prijs (EUR 5.000 minder dan het eerste bod). Nadat een bod was uitgebracht ad EUR 248.000, waarbij de door partijen ingeschakelde makelaar had geadviseerd om het te aanvaarden, heeft de vrouw haar noodzakelijke medewerking aan de verkoop geweigerd. In het kader van een door de man geëntameerd kort geding heeft de vrouw aangegeven dat zij nog 2,5 jaar in de woning wil blijven wonen en dat ervan kan worden uitgegaan dat de woning bij een aantrekkende woningmarkt dan meer zal opleveren. De kantonrechter heeft daarop de vrouw veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning, onder oplegging van een dwangsom. Bij conclusie van antwoord in de bodemprocedure heeft de vrouw gesteld dat zij medewerking aan de verkoop had geweigerd vanwege de restschuld, nu het bod van EUR 248.000 lager was dan de hypotheekschuld ad EUR 305.000. Bovendien zou het bod pas per 1 mei of 1 april 2015 gelden terwijl de beslissing van de kort gedingrechter dateert van 19 februari 2015, waarmee de vrouw kennelijk stelt dat het hogere bod na het kort gedingvonnis nog open stond voor aanvaarding.

19. De datum van 1 mei of 1 juli 2015 (de datum van 1 april wordt op 26 januari niet genoemd) zijn kennelijk de aan het bod d.d. 26 januari 2015 klevende mogelijke leveringsdata. Die dateren dus van vóór de datum van het kort gedingvonnis. Het verweer van de vrouw op dit punt gaat dus niet op. Tussen partijen stond vast dat de woning verkocht moest worden. Blijkens door de man overgelegde correspondentie (productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg) wilde de vrouw een minimum prijs van EUR 260.000 om aan de verkoop en levering mee te werken, ondanks het feit dat de verkoopmakelaar gemotiveerd heeft aangegeven waarom het bod d.d. 26 januari 2015 van EUR 248.000 “zelfs goed te noemen” valt. De inschatting van de vrouw dat de markt op termijn zal aantrekken levert geen rechtens te respecteren belang op voor de vrouw om medewerking te weigeren nu dergelijke inschattingen naar hun aard subjectief en speculatief zijn. Bovendien dient dit belang te worden afgezet tegen het belang van de man om niet langer in de gemeenschap van eigendom van de woning te blijven. Tussen partijen staat vast dat het bod na het kort geding vonnis niet meer gold en dat partijen genoegen hebben moeten nemen met een lager bod. De vrouw valt terzake een verwijt te maken en is gehouden de deswege door de man geleden schade te vergoeden. Dat betreft de helft van de minderopbrengst (EUR 5.000) plus de extra woonlasten in de periode mei tot en met september 2015, waarover hierna meer. De grief slaagt derhalve.

20. De derde, vierde en vijfde grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De man klaagt dat de kantonrechter onvoldoende inzichtelijk achtte dat de betalingsachterstanden onderdeel uitmaken van de restschuld of het verplichte krediet, en dat de kantonrechter geen acht heeft geslagen op de mondelinge vermindering van eis van de vrouw ter zitting aangaande de belastingteruggaaf van de hypothecaire lasten van de vrouw. Bovendien klaagt de man dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van de vrouw heeft toegewezen aangaande de premie beleggingsverzekering van EUR 710,12.

21. De man motiveert zijn klachten met verwijzing naar de lagere verkoopopbrengst en de netto woonlasten over de periode mei 2015 tot en met september 2015 en stelt dat hij, in de betreffende 86 maanden dat de woning hem voor de helft toebehoorde, hij meer dan de helft van de verzekeringspremie heeft betaald.

22. De vrouw wijst er op, kort samengevat, dat de man ook in hoger beroep nalaat zijn vordering te onderbouwen. Zij erkent dat de belastingteruggave terzake de door haar betaalde woonlasten in mindering dient te strekken op haar vordering op de man. Ten aanzien van de vordering ad EUR 710,12 stelt zij dat de man heeft nagelaten zijn stelling met bewijsstukken te onderbouwen.

23. Het hof ziet aanleiding om het geschil terzake de over en weer betaalde eigenaarslasten in volle omvang te beoordelen.

24. Tussen partijen staat als niet of onvoldoende weersproken het volgende vast. In hun onderlinge verhouding dient te worden uitgegaan van netto woonlasten. Onder netto woonlasten wordt verstaan de hypotheeklasten en de premie beleggingsverzekering.

25. De bruto woonlasten over de periode augustus 2008 tot en met september 2015 (86 maanden) bedroegen EUR 1.194,99 hypotheekrente plus EUR 202,89 premie beleggingsverzekering, derhalve in totaal EUR 1.397,88 per maand. Dat is gemeten over 86 maanden EUR 120.217,68.

Van dit bedrag heeft de man over de periode augustus 2008 tot en met september 2015 (86 maanden) netto een bedrag van EUR 4.531,65 (hypotheeklasten) plus EUR 13.390,74 (beleggingsverzekering) bijgedragen, tezamen EUR 17.922,39.

De vrouw heeft dus voor haar rekening genomen een bedrag van EUR 120.217,68 minus EUR 17.922,39 oftewel EUR 102.295,29 bruto. De vrouw heeft erkend geprofiteerd te hebben van belastingaftrek. Zij berekent die genoten aftrek over de periode van januari 2010 tot en met september 2015 op een bedrag van EUR 32.754,46. De periode augustus 2008 tot januari 2010 heeft zij niet meegenomen, weshalve het hof ex aequo et bono berekent op EUR 5.677,80 (aftrek 2010) / 12 = EUR 473,15 * 17 = EUR 8.043,55. De totale aftrek komt aldus neer op EUR 32.754,46 + EUR 8.043,55 = EUR 40.798,01. Hieruit volgt dat de vrouw netto voor haar rekening heeft genomen een bedrag van EUR 102.295,29 -/- EUR 40.798,01 = EUR 61.497,28

26. Aangezien de hypotheekrente en de aan de woning verbonden beleggingsverzekering eigenaarslasten zijn, dient elk van partijen daarvan de helft te dragen, omdat elk van hen voor de helft deelgenoot is in de eigendom van de woning. Het debat tussen partijen beperkt zich tot de hypotheeklasten en de beleggingsverzekering.

De totale netto woonlasten bedroegen kennelijk EUR 120.217,68 -/- EUR 40.798,01 = EUR 79.419,67. De netto meerbetaling en daarmee de vordering van de vrouw op de man is dan EUR 61.497,28 minus EUR 39.709,83 (de helft van de totale netto eigenaarslasten) oftewel EUR 21.787,45.

27. De kwestie van de lagere verkoopopbrengst kan in dit kader onbesproken blijven. De man heeft terzake zijn vordering beperkt tot EUR 2.500 en dat bedrag wordt al toegewezen elders in dit arrest. Dan resteren de netto woonlasten in de periode mei-september 2015, als hiervoor aangegeven in r.o. 19. De man berekent zijn netto bijdrage op EUR 302,11 per maand, hetgeen over de betreffende maanden een bedrag oplevert van EUR 1.510,55. Dit bedrag ligt voor toewijzing gereed.

28. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis niet in stand kan worden gelaten. De grieven slagen in zoverre.

29. Grief 6 tenslotte klaagt dat de kantonrechter de vordering van de vrouw terzake de (helft van de) opstartkosten van de makelaar van EUR 420,48 heeft toegewezen.

30. De man stelt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, dat de vrouw kosten van de makelaar onbetaald heeft gelaten en dat opstartkosten voor rekening van de vrouw dienen te blijven nu die het gevolg zijn van onrechtmatig handelen van de vrouw, te weten haar initiële weigering om mee te werken aan de verkoop van de woning toen het hogere bod was uitgebracht van EUR 248.000.

31. Volgens de vrouw heeft de man haar vordering in eerste aanleg onbestreden gelaten.

32. Het hof wijst grief 6 af. Blijkens de factuur (prod. 6 bij conclusie van eis in reconventie) dateert de factuur van vóór 2015 en betreft die factuur kennelijk algemene kosten van de makelaar, die geen verband houden met de weigering van de vrouw in aanvang 2015 om het bod van EUR 248.000 te betalen. Kosten van de verkoop van de woning zijn eigenaarslasten die door partijen in evenredigheid tot hun eigendomsrechten, in dit geval dus elk voor de helft, betaald moeten worden. Het hof passeert de opmerking van de man dat de vrouw nota’s van de makelaar onbetaald heeft gelaten, nu de man ook na betwisting door de vrouw heeft nagelaten daarvan bewijs te presenteren.

33. De in conventie in eerste aanleg gevorderde en toegewezen som van EUR 10.750 is in hoger beroep wel aan de orde geweest maar geen inzet van de materiële rechtsstrijd. Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof het bestreden vonnis partieel vernietigen, te weten alleen voor hetgeen in reconventie is beslist, en de over en weer verschuldigde bedragen opnieuw vaststellen. Aan de zijde van de man bedraagt zijn vordering EUR 17.922,39 + EUR 2.500 + EUR 1.510,55= EUR 21.932,94. Aan de zijde van de vrouw bedraagt haar vordering EUR 21.787,45 + EUR 420,48 = EUR 22.207,93.

Proceskosten

34. Gezien het feit dat het een procedure betreft voortvloeiende uit een affectieve relatie, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen voor zover het betreft hetgeen in reconventie is beslist en toegewezen, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van EUR 21.932,94, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in hoger beroep tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van EUR 22.207,93, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in hoger beroep tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij in hoger beroep de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.I.M. Ydema, J.M. van Baardewijk en W. Burgerhart, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.