Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2718

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
200.198.162/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verdeling. In geschil of partijen het ten tijde van de feitelijke verdeling van de goederen eens waren over de (alle) financiële consequenties van de verdeling. Vrouw niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat dit het geval is geweest. Er was geen overeenstemming omtrent de financiële afwikkeling. Vervolg op ECLI:NL:GHDHA:2017:2330.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.198.162/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C / 09 / 58408 / HA ZA 96-1892

Arrest van 14 augustus 2018

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal appèl,

geintimeerde in het incidenteel en voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.G.H. Janssen te Leiden,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel en voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.C. de Jong te Leiden.

Het geding

Voor de loop van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep verwijst het hof naar hetgeen het hof daaromtrent in zijn tussenarrest van . 1 augustus 2017 heeft vermeld.

In voormeld tussenarrest is de vrouw toegelaten tot het leveren van bewijs. In dat kader heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden op 8 februari 2018.

Voorafgaand aan het getuigenverhoor is zijdens de vrouw een aantal producties overgelegd.

Na het getuigenverhoor is zijdens de man afgezien van contra-enquête. Beide partijen hebben een memorie na enquête ingediend.

Vervolgens hebben beide partijen nog een antwoord memorie na enquête ingediend.

De man heeft zijn procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Nadere beoordeling van het hoger beroep

In het principale appel:

1. In voormeld tussenarrest (r.o. 20) heeft het hof reeds overwogen met betrekking tot de eerste grief van de vrouw, dat de vrouw haar stelling niet heeft prijsgegeven dat er sprake is van een verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap waarbij partijen eveneens overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de finale financiële afwikkeling van de verdeling. Het hof heeft gewezen op Hoge Raad 8 februari 2013 (ECLI:NL:2013:BY4279) waaruit volgt, dat een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming niet zonder meer impliceert dat partijen het ook eens zijn over de financiële consequenties van de verdeling. Het hof heeft voorts overwogen dat uit de correspondentie tussen de advocaten van partijen ten tijde van de echtscheidingsprocedure niet blijkt van overeenstemming tussen partijen over de financiële afwikkeling van de verdeling. Het hof heeft de vrouw vervolgens toegelaten tot het leveren van bewijs van de stelling dat er tussen partijen wel degelijk overeenstemming is bereikt met betrekking tot de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap inclusief de financiële afwikkeling van deze gemeenschap.

2. De vrouw heeft drie getuigen doen horen, te weten zichzelf (als partijgetuige), [getuige twee] (de broer van de vrouw) en [getuige drie] (de zoon van partijen).

3. Tijdens het getuigenverhoor d.d. 8 februari 2018 heeft de vrouw onder meer verklaard als volgt:

“Destijds heb ik hem [ [de man] ] 15.000 gulden aangeboden, hij mocht houden wat hij had meegenomen. Met deze 15.000 gulden zouden de financiën geregeld zijn en zou daarmee alles opgelost zijn. Hij vond dat te weinig, tenzij ik van de alimentatie af zou zien, maar dat heb ik niet gedaan. Daarna heb ik jaren niets gehoord. Op een gegeven moment is voor mij de boel de boel… In 1995 is [de man] weer begonnen. Ik was van mening dat we alles hadden afgewikkeld…. Eigenlijk is het niet gelukt om alles af te handelen.”

4. Getuige [getuige twee] , heeft onder meer verklaard als volgt:

“Ik weet dat er toentertijd sprake van was …. dat mijn vader het appartement zou kopen…. Ik was er zelf indertijd niet rechtstreeks bij betrokken. Mijn vader en mijn zus hielden mij op de hoogte van de situatie…. Het transport naar mijn vader toe is bij de notaris gepasseerd. Er is daarna nog veel discussie geweest over van alles, waaronder betalingen. Op enig moment, om toen van het gezeur af te zijn, is er 15.000 gulden geboden aan [de man] …. Later heeft [de man] de 15.000 gulden toch geweigerd.”

5. Getuige [getuige drie] , zoon van partijen, heeft onder meer verklaard als volgt:

“Ik heb altijd van mijn moeder begrepen dat zij in de veronderstelling was dat de boel verdeeld was en dat de financiële afwikkeling ook heeft plaatsgevonden.”

6. Bij memorie zijdens de vrouw is gewezen op de producties die voorafgaand aan het getuigenverhoor aan het hof zijn voorgelegd. De vrouw concludeert dat partijen korte tijd nadat zij uiteen zijn gegaan feitelijk tot een boedelverdeling zijn gekomen, en dat de man erkend heeft dat het de bedoeling was dat de woning aan de vrouw zou toekomen. De verdeling was gelijkwaardig voor zover op dat moment bekend en de voorwaarde van de man indertijd om mee te werken aan het op naam van de vrouw zetten van het appartement, te weten dat er geen alimentatie zou worden gevraagd, was onrechtmatig nu partijen over en weer de verdeling als juist hebben erkend.

7. Zijdens de man is geconcludeerd dat de vrouw niet is geslaagd in het bewijs. Daarbij benadrukt de man de verklaring van de vrouw “Eigenlijk is het niet gelukt om alles af te handelen.”

8. Het hof oordeelt als volgt.

9. Uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat partijen het op enig moment eens zijn geworden over de financiële consequenties die de feitelijke verdeling van de goederen voor eenieder van hen heeft. Uit de verklaring van de vrouw kan worden afgeleid dat zij in de periode na het verbreken van de huwelijkse samenleving een aanbod heeft gedaan aan de man voor de financiële afwikkeling van de verdeling, en dat hij het aanbod niet heeft aanvaard. Van een latere overeenstemming over de financiële afwikkeling is niet gebleken. In zoverre als de vrouw er op heeft vertrouwd dat de financiën waren afgewikkeld omdat er tot 1995 geen nadere actie door de man was ondernomen, geldt dat er geen omstandigheden zijn aangetoond waaruit kan worden geconcludeerd dat dit vertrouwen dan gerechtvaardigd was. De stelling dat de feitelijke verdeling financieel gelijkwaardig was mist grondslag in de overgelegde producties en getuigenverklaringen.

10. Ter nadere invulling van de bewijsopdracht is gewezen op de vorenbedoelde producties van de vrouw, overgelegd vóór het getuigenverhoor. Het hof voegt deze toe aan het procesdossier, ondanks het feit dat die niet aan de orde zijn gesteld tijdens het getuigenverhoor, nu daarop een beroep is gedaan bij memorie na enquête. Uit deze producties volgt echter niet dat er tussen partijen op enig moment overeenstemming was bereikt met betrekking tot de financiële afwikkeling van de verdeling.

11. Uit het voorgaande – waarbij alle omstandigheden in onderling verband en onderlinge samenhang zijn beschouwd - volgt dat de vrouw niet is geslaagd in het bewijs dat er tussen partijen overeenstemming is bereikt met betrekking tot de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap inclusief de financiële afwikkeling daarvan . De eerste grief slaagt derhalve niet.

12. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis na de eerste en behoeft geen nadere bespreking.

13. Het hof zal de vorderingen van de vrouw in het principale appel derhalve afwijzen.

In het incidenteel en voorwaardelijk incidenteel appel:

14. De man heeft gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld in de proceskosten. Hij voert daartoe aan dat de strijd inhoudelijk meer wordt gevoerd tussen hem en de broer van de vrouw, dat partijen sedert 1978 gescheiden zijn en behoudens de procedures geen contact meer hebben, en hijzelf vele advocaat- en proceskosten moet dragen teneinde 40 jaar later alsnog tot verdeling te komen terwijl de vrouw op toevoeging procedeert. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.

15. Het hof passeert de incidentele vordering van de man. In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat het verzanden van de procedures mede het gevolg is van de proceshouding van de man. Als de vrouw vertrouwt op de adviezen van haar broer en als zij een relatief economisch voordeel heeft omdat zij op toevoeging procedeert dan leveren dat geen rechtens relevante omstandigheden op voor een kostenveroordeling. Voor het overige geldt hetgeen het hof hierna in r.o. 17 overweegt.

16. Nu de voorwaarde van het voorwaardelijk incidenteel appel niet is vervuld, te weten dat de grieven 1 en/of 2 van de vrouw zouden slagen, komt het hof niet meer toe aan het voorwaardelijk incidenteel appel.

In het principaal, het incidenteel en het voorwaardelijk incidenteel appel:

17. De vrouw heeft haar vordering om de man te veroordelen in de proceskosten ingetrokken. Aan de orde is derhalve alleen nog de spiegelbeeldige vordering van de man.

18. Aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn ziet het hof aanleiding om de proceskosten in hoger beroep te compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

In principaal appel:

Wijst de vorderingen van de vrouw in hoger beroep af.

In het incidenteel appel:

Wijst de vordering van de man af.

In het incidenteel en voorwaardelijk incidenteel appel:

Compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.