Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2710

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
200.186.757/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Testament. In geschil is de wilsbekwaamheid van erflaatster op het moment van testeren. Bewijslevering door getuigen. Testament niet nietig en dus geldig. Zaak aangehouden voor overlegging saldi bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2018/405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.186.757/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/436363 / HA ZA 13-131

arrest van 11 september 2018

inzake

[broer een] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [broer een] ,

advocaat: mr. S.E. van der Meer te Amsterdam,

tegen

[broer twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [broer twee] ,

advocaat: mr. P.G. Knoppers te Amsterdam.

Het geding

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 19 december 2017.

Het hof heeft in dit arrest [broer een] toegelaten om door alle middelen rechtens, waaronder het laten horen van getuigen, te bewijzen dat de moeder op het moment van het opstellen en verlijden van het testament van 12 december 2007 leed aan een geestelijke stoornis als gevolg waarvan zij niet in staat was om haar wil te bepalen.

[broer een] heeft ter zitting van 27 maart 2018 getuigen doen horen.

[broer twee] heeft medegedeeld af te zien van een contra-enquête.

[broer een] heeft een memorie na enquête ingediend en [broer twee] vervolgens eveneens.

Vervolgens hebben partijen hun aanvullend procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Ter zitting van 27 maart 2018 heeft [broer een] ten overstaan van de raadsheer-commissaris, mr. A.H.N. Stollenwerck, de volgende getuigen doen horen:

  • -

    [getuige een] , neuroloog;

  • -

    [getuige twee] , buurman van de moeder, tevens huisarts;

  • -

    [getuige drie] , buurvrouw van de moeder.

2. Het hof is van oordeel dat [broer een] niet is geslaagd in het leveren van bewijs dat de moeder op het moment van het opstellen en verlijden van het testament van 12 december 2007 leed aan een geestelijke stoornis als gevolg waarvan zij niet in staat was om haar wil te bepalen. Hiertoe overweegt het hof het volgende.

3. De getuige [getuige een] heeft verklaard in het dossier geen objectieve gegevens te hebben aangetroffen om te beoordelen of er sprake was van wilsonbekwaamheid bij de moeder in december 2007. Hij heeft de erflaatster nooit gezien. Het zou kunnen dat op basis van de constatering in 2009 al sprake was van dementie maar getuige [getuige een] benadrukt dat daar in het dossier geen objectieve gegevens voor zijn.

4. De getuige [getuige twee] heeft van 1979 tot voorjaar 2009 naast de moeder gewoond en zegt niet veel over de bewijsopdracht te kunnen verklaren. Over de periode rond de datum waar het over gaat heeft hij haar nooit onderzocht of langer gesproken. Hij verklaart wel de indruk te hebben dat de moeder langzaam achteruitging, maar hij kan geen knooppunt aangeven waarop zij haar wil minder goed had kunnen verklaren, gesteld dat dat punt ooit al zou zijn bereikt. Op de vraag of de moeder ook geestelijk achteruitging, kan de getuige niet veel zeggen. Hij had telkens korte gesprekjes met haar. De getuige verklaart dat [broer twee] zich nooit heeft uitgelaten (tegenover hem) over de geestelijke gezondheid van de moeder.

5. De getuige [getuige drie] is een buurvrouw van de moeder. Zij heeft de moeder, voordat zij in de zomer van 2009 in het buurhuis kwam wonen, niet gekend. Zij heeft de moeder in de periode dat zij daar woonde, niet gesproken. Over de geestelijke gezondheid van de moeder kan zij niets zeggen en [broer twee] heeft nooit over de geestelijke toestand van zijn moeder met haar gesproken.

6. Uit de verklaringen, ook niet bezien in samenhang met de stukken die [broer een] eerder heeft overgelegd met betrekking tot zijn stelling over de wilsbekwaamheid van de moeder op het moment van testeren, is geen aanknopingspunt te vinden dat wijst op het ontbreken van wilsbekwaamheid op of rond het moment dat zij haar testament maakte. Derhalve moet als vaststaand worden aangenomen dat het testament niet nietig is en dus gelding heeft.

7. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 19 december 2017 eindbeslissingen genomen over de grieven in het principaal en in het incidenteel appel, met uitzondering van de kwestie betreffende de vraag of de moeder ten tijde van het maken van het testament in staat was haar wil te verklaren, over welk geschilpunt het hof nu heeft geoordeeld en met uitzondering van de grief ter zake van de wettelijke rente. Enkele grieven zijn geslaagd. Dit heeft gevolgen heeft voor de berekening van de tot het overlijden van de moeder niet opeisbare vorderingen op de nalatenschap van de moeder wegens de erfdelen van [broer een] en [broer twee] in de nalatenschap van de vader en voor de berekening van de legitieme portie van [broer een] .

8. Het hof heeft bij arrest van 19 december 2017 [broer twee] veroordeeld om aan [broer een] bewijsstukken over te leggen waaruit de saldi van de bankrekening bij [naam bank] in Luxemburg onder nummer [volgt nummer] per 28 april 2005 en per 30 mei 2012 volgen.

9. Het hof heeft geen inzage gehad in deze bewijsstukken en is aldus niet bekend met de exacte saldi per datum van overlijden van respectievelijk de vader en de moeder. Het hof zal bepalen dat [broer twee] in de gelegenheid wordt gesteld een akte te nemen waarbij hij aan het hof de bewijsstukken, meer in het bijzonder de bankafschriften, zal overleggen waaruit de saldi per genoemde data van de genoemde bankrekening blijken. Het hof zal hiertoe de zaak verwijzen naar de rol.

10. [broer een] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om op de door [broer twee] over te leggen bescheiden te reageren.

11. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

verwijst de zaak naar de rol van 9 oktober 2018 voor het door [broer twee] bij akte overleggen van bewijsstukken, waaruit de saldi van de bankrekening met nummer [volgt nummer] bij de [naam bank] ( [naam bank] te Luxemburg) per 28 april 2005 en per 30 mei 2012 blijken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.H.N. Stollenwerck en I. Obbink-Reijngoud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.