Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2696

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
200.224.976/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beëindiging gezamenlijk gezag. Gebruiksvergoeding woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 oktober 2018

Zaaknummers : 200.224.976/01 + 200.224.977/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 16-6612 + FA RK 17-1783

Zaaknummers rechtbank : C/10/507758 + C/10/521896

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Bredius te Gorinchem.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 9 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 juli 2017 van de rechtbank Rotterdam, uitgesproken onder voormelde zaaknummers ( hierna: de bestreden beschikking).

De man heeft op 9 januari 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 16 februari 2018 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 23 november 2017 een brief van 22 november 2017 met bijlagen;

- op 27 november 2017 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 6 december 2017 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 13 augustus 2018 een brief van 10 augustus 2018 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 10 augustus 2018 een brief van 9 augustus 2018 met als bijlage een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 22 augustus 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

Voorafgaand aan de zitting is de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige 1] in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;

- bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: de man wordt in de gelegenheid gesteld contact te hebben met de minderjarigen, waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door de gezinsvoogd van de gecertificeerde instelling;

- bepaald dat de man met ingang van 11 juli 2017 € 218,52 per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaald dat de man € 221,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.11.4 tot en met 2.11.6;

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats 1] [in] 2003.

- uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [de minderjarige 1] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ), [in] 2004 te [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 2] (hierna te noemen: [de minderjarige 2] ), [in] 2010 te [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 3] (hierna te noemen: [de minderjarige 3] ), [in] 2012 te [geboorteplaats] ;

(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen);

- beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit;

- bij beschikking van 11 juli 2017 zijn de minderjarigen voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de verkoop van de echtelijke woning, het gezag over de minderjarigen, de hypotheeklasten en eigenaarslasten van de echtelijke woning, de lening aan de broer van de man, de benoeming van een IT deskundige, de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: de partneralimentatie) en de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderalimentatie), de zorgregeling, de terugvordering zorgtoeslag en de abonnementskosten Ziggo.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, en opnieuw rechtdoende alsnog uitvoerbaar bij voorraad:

- de man te veroordelen mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats 2] via [makelaar] te [plaats 2] door de verkoopovereenkomst te tekenen, medewerking te verlenen aan bezichtigingen, ondertekening van de verkoopovereenkomst en levering van de woning na verkoop op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat hij medewerking weigert;

- de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen;

- het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de hypotheeklasten en eigenaarslasten van de echtelijke woning af te wijzen, althans de man niet-ontvankelijk te verklaren in dit verzoek;

- te bepalen dat de vrouw niet is gehouden tot betaling van enig bedrag aan de broer van de man ter zake een lening;

- de benoeming van een IT-deskundige af te wijzen en opnieuw rechtdoende de man te veroordelen binnen een week na wijzing van de beschikking aan de vrouw het wachtwoord van de in haar bezit zijnde computer af te geven en voorts de vrouw te veroordelen om binnen een maand nadien de computer aan de man af te geven na verwijdering c.q. veiligstelling van haar foto’s en de foto’s van de minderjarigen.

In haar aanvullend hoger beroepschrift verzoekt de vrouw het hof

- de man te veroordelen een gebruiksvergoeding te betalen van € 580,69 per maand vanaf de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, althans vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de datum waarop de woning is verkocht aan een derde dan wel de woning door de man is overgenomen en de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld is ontslagen;

- de man te veroordelen aan de vrouw € 127,71 te betalen ter zake door haar betaalde achterstallige premie zorgverzekering.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar het hoger beroep te ontzeggen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

- het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af te wijzen;

- de bijdrage in de kinderalimentatie vast te stellen op een bijdrage van € 133,- per kind per maand;

- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen inhoudende dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen bij de man verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

- te bepalen dat de vrouw binnen zeven dagen na de in deze af te geven beschikking aan de man voldoet een bedrag van € 370,- ter zake de terugvorderingsbeschikking zorgtoeslag 2013;

- te bepalen dat de vrouw binnen zeven dagen na betekening van de in deze af te geven beschikking aan de man betaalt de volledige abonnementskosten ter zake Ziggo vanaf 1 mei 2016 tot aan de dag dat de vrouw het abonnement heeft opgezegd;

- voor het overige verzoekt de man het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

4. De vrouw verweert zich tegen het incidenteel hoger beroep van de man en verzoekt het hof de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

Principaal hoger beroep

Verkoop echtelijke woning

5. De vrouw stelt dat de man niet in staat is gebleken de woning over te nemen binnen de gestelde termijn zodat de woning zal moeten worden verkocht. De vrouw verzoekt alsnog de man te veroordelen om mee te werken aan verkoop van de woning aan een derde op straffe van een dwangsom.

6. De man begrijpt niet dat de vrouw stelt dat de man niet in staat zou zijn de voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire lening alsmede opbouwende levensverzekering over te nemen. De man heeft de woning in oktober 2017 laten taxeren maar de rechtbank heeft bepaald dat dit opnieuw moet gebeuren. De vrouw heeft echter nog geen opdracht aan de makelaar gegeven om tot taxatie over te gaan. Zonder vastgestelde waarde kan de man geen gesprek met de bank aangaan. De vrouw heeft belang bij een zo hoog mogelijke taxatie en gezien de stijgende woningmarkt is het dus in het belang van de vrouw de taxatie uit te stellen. Op dit moment is immers sprake van een onderwaarde. De vrouw verzoekt een andere makelaar dan door de rechtbank is bepaald. De man is dan ook van mening dat de vrouw, nu zij geen uitvoering geeft aan de bestreden beschikking, niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat haar verzoek moet worden afgewezen.

7. Het hof is van oordeel dat partijen het door de rechtbank in het kader van de door haar gelaste wijze van verdeling bepaalde traject, welke het hof redelijk voorkomt, dienen te volgen. In de bestreden beschikking is een makelaar benoemd en partijen dienen via hun advocaten in overleg met de makelaar de woning te laten taxeren, zodat de woning ofwel aan de man kan worden geleverd ofwel kan worden verkocht. Partijen hebben ter terechtzitting bij het hof verklaard dat de advocaten van partijen de opdracht voor taxatie van de woning aan de makelaar zullen geven en dat het verdere scenario, zoals blijkt uit de bestreden beschikking, zal worden gevolgd. Ook hebben partijen aangegeven beiden niet bij de taxatie aanwezig te zullen zijn.

Gezag

8. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de vrouw haar met het eenhoofdig gezag te belasten, heeft afgewezen. De vrouw voert hiertoe het volgende aan. De man heeft de vrouw en de minderjarigen in het verleden zowel fysiek als geestelijk mishandeld en vernederd. De vrouw is met de minderjarigen naar een vrouwenopvang gegaan, maar de man is er achter gekomen waar deze zich bevond, waarna de politie en de raad de vrouw hebben geadviseerd naar een andere opvang in Nederland te verhuizen. De vrouw is door de huisarts naar een psycholoog verwezen, omdat zij mogelijk ernstige PTSS zou hebben. Van de vrouw kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij gezagsbeslissingen samen met de man moet nemen. Tussen partijen is geen constructieve communicatie mogelijk. De minderjarigen zijn reeds klem of verloren geraakt tussen partijen, onder meer door de spanningen tussen partijen. De man probeert via de gezinsvoogd achter de verblijfplaats van de vrouw en de minderjarigen te komen. Hij maakt misbruik van zijn gezag door geen toestemming te verlenen voor hulpverlening voor [de minderjarige 1] . De man heeft voorts zonder medeweten van de vrouw [nationaliteit] paspoorten voor de minderjarigen aangevraagd en hij heeft gedreigd de minderjarigen naar [land] te ontvoeren. Het risico dat de man dit ook daadwerkelijk zal doen is volgens de vrouw groter als hij met het ouderlijk gezag is belast. Volgens de raad is reeds jarenlang sprake van een spanningsvolle situatie en relationele problemen tussen de man en de vrouw.

9. De man stelt dat er geen gronden zijn op grond waarvan wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen zou zijn. De aangifte die de vrouw tegen de man heeft gedaan wegens mishandeling is door de officier van justitie geseponeerd. De man betwist dat hij de vrouw en de minderjarigen mishandeld heeft. De man is nog altijd van mening dat de vrouw op grond van oneigenlijke redenen naar een safehouse is gegaan. De vrouw heeft zeer lange tijd het contact tussen de minderjarigen en de man tegengehouden. De man heeft nu enkel contact met [de minderjarige 3] . De man heeft nimmer onterecht het telefoonnummer van een medewerker van Juzt verkregen. Hij vindt het niet meer dan logisch dat hij weet waar de minderjarigen op school zitten, zodat hij contact en overleg kan hebben met de school. De man is geen bedreiging voor de minderjarigen of voor de vrouw. Ook heeft hij nimmer gedreigd de minderjarigen naar [land] te ontvoeren. De man heeft er geen belang bij om zijn leven naar [land] te verplaatsen, nu hij in Nederland woont en werkt en hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Het uitgangspunt in de wet is dat minderjarigen twee gezaghebbende ouders hebben en dat slechts in uitzonderingsgevallen overgegaan dient te worden tot eenhoofdig gezag. Communicatieproblemen zijn geen grond op zichzelf om tot een wijziging van het gezag te komen. Niet is aangetoond dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders noch dat het anderszins in hun belang noodzakelijk zou zijn om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten.

10. De raad heeft ten aanzien van het gezag ter terechtzitting als volgt verklaard. In eerste aanleg was de raad van mening dat het gezamenlijk gezag in stand zou moeten blijven, nu er de maatregel van ondertoezichtstelling was. De gezinsvoogd heeft geprobeerd om de ouders op constructieve wijze met elkaar te laten communiceren. Dit is echter niet gelukt. De ondertoezichtstelling heeft geen verbetering in de onderlinge verhouding van de ouders gebracht. Een andere maatregel dan de ondertoezichtstelling kan niet worden ingesteld. Het is nu aan de rechter om hierin een knoop door te hakken. De ouders hebben geen alternatieven voor de inrichting van het gezamenlijk gezag, zodat de raad van mening is dat het gezamenlijk gezag moet worden beëindigd. Alle mogelijkheden zijn reeds geprobeerd, maar hebben tot niets geleid. De minderjarigen zitten klem of verloren tussen de ouders.

11. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood het gezamenlijk gezag beëindigen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

12. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

13. Het hof is – gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting – van oordeel dat het op grond van artikel 1:251a, eerste lid, BW in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat de vrouw met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het hof neemt hierbij het volgende in overweging. Gebleken is dat de verstandhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat er thans geen enkele basis (meer) is om het gezag gezamenlijk uit te oefenen. In de afgelopen periode is hierin, ondanks de maatregel van ondertoezichtstelling en de geboden begeleiding, ook geen verbetering gekomen. Ook is het hof gebleken dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om op enigerlei wijze met elkaar te communiceren. Dit wordt door zowel de vrouw als de man erkend. De vrouw heeft ter terechtzitting duidelijk en herhaaldelijk verklaard dat zij geen contact met de man wenst, waardoor het er niet naar uitziet dat de communicatie tussen partijen de komende tijd zal worden hervat. De standpunten en percepties van partijen lopen sterk uiteen en partijen hebben geen enkel vertrouwen (meer) in elkaar. Zij verliezen hierbij het belang van de minderjarigen uit het oog, hetgeen het hof zorgelijk acht. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat gebleken is dat partijen ook met hulp (van de jeugdbeschermer) niet tot overeenstemming kunnen komen over belangrijke beslissingen aangaande de minderjarigen. Het hof is met de raad van oordeel dat ook in dergelijke situaties een aanvaardbare termijn geldt, waarbinnen de ouders ervoor moeten zorgen dat zij tot verbetering van hun verstandhouding komen zodat de minderjarigen zonder ontwikkelingsbedreiging kunnen opgroeien. Voorts acht het hof het zorgelijk dat [de minderjarige 1] een ouderrol op zich lijkt te nemen en haar jongere zusjes wil beschermen tegen hun vader. Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat er geen enkele basis is om het gezamenlijk gezag nog langer te laten voortduren. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om te kunnen beslissen op het verzoek in hoger beroep en ziet daarom geen aanleiding om een NIFP onderzoek te gelasten, zoals de vrouw ter terechtzitting heeft geopperd. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.

Hypotheek- en eigenaarslasten en gebruiksvergoeding

14. De vrouw kan zich niet verenigen met hetgeen door de rechtbank is bepaald ten aanzien van de hypotheeklasten en de eigenaarslasten. De man heeft vanaf de beschikking voorlopige voorzieningen van 28 oktober 2016 het uitsluitend gebruiksrecht van de woning. De man betaalt al die tijd geen gebruiksvergoeding aan de vrouw en werkt niet mee aan overname noch aan verkoop van de woning. Het is volgens de vrouw in strijd met de redelijkheid dat zij met haar bijstandsuitkering haar huur moet betalen en daarnaast ook nog de helft van de hypotheekrente en de eigenaarslasten. Bij de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie is bij de man rekening gehouden met een woonlast van € 948,- en bij de draagkracht voor partneralimentatie met de volledige hypothecaire rentelast, de premie levensverzekering en de overige eigenaarslasten. De vrouw verzoekt het hof primair dan ook te bepalen dat de man de volledige hypotheeklast betaalt en subsidiair dat er alsnog een gebruiksvergoeding wordt bepaald van

€ 580,69,- per maand, althans een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag, vanaf het moment dat de man de woning uitsluitend gebruikt. De rechtsgrond hiervoor is artikel 1:165 BW en een gelijkluidende bepaling is opgenomen in artikel 3:169 BW. Deze bepalingen hebben ten doel de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik van het genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (zie hiervoor ECLI:NL:HR:2000:AA9143).

15. De man stelt dat partijen nog altijd gezamenlijk eigenaar van de woning zijn. Zoals bekend, wordt er bij het berekenen van kinderalimentatie rekening gehouden met forfaitaire bedragen. Dit is dan ook geen reden om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt dat ieder der partijen de helft van de eigenaarslasten voor wat betreft de gezamenlijke woning voldoet. Bij de bepaling van de partneralimentatie dient rekening te worden gehouden met alle daadwerkelijke kosten. De vrouw betaalt op dit moment niet mee aan de hypothecaire rentelast. De rechtsgrond voor het verzoek van de vrouw om een redelijke verbruiksvergoeding wordt niet genoemd. Bovendien wordt niet onderbouwd hoe de vrouw tot dit bedrag is gekomen.

16. Het hof overweegt als volgt. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, ieder van hen gehouden is de helft van de hypotheeklasten en overige eigenaarslasten voor zijn/haar rekening te nemen. De vrouw heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andersluidend oordeel moet leiden.

Het hof overweegt ten aanzien van de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding als volgt. Op grond van artikel 1:165 BW kan een gebruiksvergoeding verschuldigd zijn, wanneer een van de echtgenoten ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de woning bewoont, die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort. Dit betreft een periode van zes maanden na inschrijving echtscheiding. Ingevolge artikel 3:169 BW kan een dergelijke vergoeding ook na deze termijn verschuldigd zijn. De echtscheiding is op 20 november 2017 ingeschreven. Het hof acht het redelijk aan de vrouw ten laste van de man een gebruiksvergoeding toe te kennen en neemt daarbij het volgende in aanmerking. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 28 oktober 2016 is op verzoek van de man bepaald dat hij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning. De man is in de echtelijke woning gebleven, terwijl de vrouw, nadat zij met de minderjarige in een safe-house heeft verbleven, een woning is gaan huren. De man houdt de vrouw aan haar draagplicht voor de lasten van de echtelijke woning, terwijl zij sinds 28 oktober 2016 daarvan niet meer het genot heeft. Op grond van deze omstandigheden acht het hof het redelijk dat de man een vergoeding betaalt die de vrouw schadeloos stelt voor de door haar te dragen lasten van de woning. De vrouw heeft de door haar te betalen netto woonlast berekend op € 580,69. Nu dit bedrag niet door de man is betwist, zal het hof de vergoeding op dit bedrag vaststellen, door de man te betalen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding, te weten 20 november 2017.

Lening broer van de man

17. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een ieder der partijen gehouden is de helft van het restant van de lening voor zijn rekening te nemen. De vrouw betwist dat partijen een bedrag van € 15.000,- van de broer van de man hebben geleend, teneinde de verbouwing te financieren. De lening zou zijn aangegaan op 1 februari 2015 en hierop diende volgens de door de man overgelegde productie 10 maandelijks vanaf 2 maart 2015 een bedrag van € 456,- te

worden afgelost. Indien er volgens afspraak zou zijn afbetaald zou er in november 2016 reeds

€ 9.576,- zijn afgelost en er zou dan nog slechts een bedrag van € 6.840,- open staan. De vrouw stelt dat het een frauduleuze overeenkomst is die kennelijk louter is opgesteld teneinde belastingaftrek te verkrijgen. De man heeft op geen enkele wijze aangetoond dat er daadwerkelijk een bedrag van € 15.000,- door de broer van de man aan partijen ter beschikking is gesteld. De vrouw is dan ook niet bereid om een bedrag aan de broer van de man te betalen.

18. De man stelt dat beide partijen voor de helft van de lening van de broer draagplichtig zijn. Dat er een lening is wordt door de vrouw erkend en dat het een zakelijke lening zou zijn is door de vrouw niet aangetoond. Dat het bedrag contant aan de broer zou zijn teruggegeven is eveneens niet aangetoond. De lening is verstrekt voor onder meer de verbouwing en isolatie door middel van dubbel glas. Dit is ook in de leenovereenkomst opgenomen. De man is gezien zijn onderhoudsplicht niet in staat om meer af te lossen dan hij heeft gedaan. Het aflossen van de lening zal dan ook meer tijd in beslag nemen.

19. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vrouw in de interne verhouding met de man draagplichtig is voor de schulden van de gemeenschap. Het hof neemt geen beslissing over het al dan niet bestaan van de lening. Indien de broer van de man de vrouw aanspreekt, kan zij verweer tegen hem voeren.. Dit verandert echter niets aan de interne verhouding tussen partijen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat beide partijen hierin draagplichtig zijn.

IT deskundige

20. De vrouw stelt dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door te bepalen dat partijen een deskundige moeten aanzoeken, zodat deze deskundige een inventarisatielijst kan opmaken van de mappen op de computer, en de kosten van de deskundige bij helfte moeten verdelen. De vrouw is niet in staat om een deskundige te betalen en zij zal hieraan haar medewerking niet verlenen. De vrouw is van mening dat de man haar het wachtwoord van de computer dient te verschaffen, zodat zij de foto’s van de minderjarigen en haar bevallingsfoto’s kan verwijderen, waarna zij de computer aan de man zal teruggeven.

21. De man stelt dat de wijze waarop de rechtbank de netwerkapparatuur heeft verdeeld de meest zuivere wijze is, nu op deze harde schijf gegevens van de man staan waarover de vrouw niet dient te beschikken. Partijen worden op deze wijze allebei niet geschaad, zodat deze wijze van verdeling redelijk en billijk is. De rechtbank is niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, nu de man in eerste aanleg heeft verzocht de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen. De man is bereid om de foto’s van de minderjarigen die de vrouw toegescheiden wil hebben aan haar te overhandigen, mits zij al de netwerkapparatuur onbeschadigd en met volledige datagegevens aan de man teruggeeft.

22. Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank door in het kader van de aan haar voorgelegde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op dit onderdeel deze wijze van verdeling te gelasten niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Partijen hebben, zoals door de rechtbank beslist, nog altijd geen IT deskundige aangezocht. Het hof is van oordeel dat partijen in staat moeten zijn hierover op constructieve wijze met elkaar te overleggen. Ter terechtzitting heeft het hof partijen in overweging gegeven samen de bestanden door te nemen en de data die aan de vrouw toebehoren aan haar te verschaffen en de data die aan de man toebehoren aan hem te verschaffen. Het hof is van oordeel dat partijen hierin hun verantwoordelijkheid dienen te nemen en dit, al dan niet met behulp van de advocaten, onderling moeten bewerkstelligen.

23. De vrouw heeft, bij monde van haar advocaat, haar verzoek ten aanzien van de premie zorgverzekering van € 255,42 ingetrokken. Ook dit verzoek behoeft derhalve geen verdere bespreking.

Incidenteel hoger beroep

Partneralimentatie

24. Ter terechtzitting bij het hof heeft de vrouw, bij monde van haar advocaat, het inleidend verzoek in eerste aanleg tot vaststelling van partneralimentatie, waartegen door de man was gegriefd, ingetrokken. Dit brengt met zich dat deze grief derhalve geen verdere bespreking behoeft. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie dan ook vernietigen en het inleidend verzoek alsnog afwijzen.

Kinderalimentatie

25. Ter terechtzitting bij het hof hebben partijen overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. Deze overeenstemming houdt in dat de ingangsdatum van de bij beschikking vast te stellen kinderalimentatie zal worden bepaald op 12 februari 2018. Voorts hebben partijen overeenstemming bereikt over de hoogte van de kinderalimentatie, in die zin dat deze (met ingang van 12 februari 2018) wordt bepaald op € 133,- per maand, per kind. Wat betreft de periode van 11 juli 2017 tot 12 februari 2018 blijft de kinderalimentatie € 218,52 per maand, per kind, zoals bij de bestreden beschikking door de rechtbank is vastgesteld.

Zorgregeling

26. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man ter zake van de zorgregeling in de gelegenheid wordt gesteld contact met de minderjarigen te hebben, waarbij de duur, de frequentie en de inhoud van de contacten door de gezinsvoogd wordt bepaald. Sinds de echtscheiding wordt de man ieder contact met de minderjarigen onthouden. De vrouw is zonder bewezen reden naar een safehouse gegaan en heeft daarmee gezorgd voor het teniet gaan van de goede band die de man met de minderjarigen had. De man heeft nu enkel beperkt contact met [de minderjarige 3] . Door het geheim adres waarop de minderjarigen en de vrouw wonen, kan de man geen contact onderhouden met onder meer de school van de minderjarigen en alle overige activiteiten als sport en muziek. [de minderjarige 2] lijkt contact met de man te willen, echter geeft de vrouw hiervoor niet de benodigde emotionele toestemming. Ondanks de ondertoezichtstelling ziet de man weinig verbetering. Dit zal bij de minderjarigen hechtingsproblemen meebrengen. De vrouw projecteert haar angst, die overigens onnodig is, op de minderjarigen. Dit brengt [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in een loyaliteitsconflict. De man stelt dat de vrouw dient mee te werken aan een zorgregeling, welke uiteindelijk zal resulteren in een regeling van een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties en feestdagen.

27. De vrouw stelt dat zij de minderjarigen het contact met de man niet onthoudt. De man heeft regelmatig contact met [de minderjarige 3] . [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben beide duidelijk aangegeven geen contact met de man te willen, gezien het geweld dat zij van zijn zijde hebben ervaren. De man heeft recentelijk nog aangegeven dat hij [nationaliteit] paspoorten voor de minderjarigen wil laten maken. De man heeft de computer van de vrouw gehackt en op allerlei manieren getracht haar verblijfplaats te achterhalen. De man ontbeert de benodigde opvoedingsvaardigheden en het zelfinzicht om zijn eigen rol bij het ontstaan van de angst van de vrouw en de minderjarigen te kunnen inzien. Ook de gezinsvoogd is het met de vrouw eens dat de man de benodigde opvoedingsvaardigheden ontbeert, zodat zij geen voorstander is van onbegeleid contact. De vrouw acht het wenselijk dat zowel de man, de vrouw als de minderjarigen door het NIFP worden onderzocht, teneinde duidelijkheid te krijgen over de (on)mogelijkheden voor contact tussen de minderjarigen en de man. De zorgregeling zoals door de man verzocht is niet in het belang van de minderjarigen.

28. De raad heeft ter terechtzitting als volgt verklaard. Door middel van de ondertoezichtstelling is geprobeerd de omgang tussen de minderjarigen en de man tot stand te brengen. Dit heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid. De ouders diskwalificeren elkaar en komen er ook met de hulp van de ingezette hulpverlening niet uit. De ouders kunnen niet met elkaar in overleg om een aantal barrières te beslechten. De aanzet om elkaar te begrijpen ontbreekt bij de ouders. Dit is niet in het belang van de minderjarigen. Zij groeien op in een omgeving die wordt verscheurd door verwijten over en weer. De minderjarigen kunnen enkel omgang met de man hebben als zij daar de goedkeuring van zowel de vrouw als de man voor hebben. De omgang is in de eerste plaats juist voor de minderjarigen bedoeld. De raad ziet dan ook geen mogelijkheden meer voor omgang tussen de man en de minderjarigen, vooral nu alle denkbare middelen hiertoe reeds zijn ingezet.

29. Het hof stelt het volgende voorop. Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b.de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

30. Het hof overweegt als volgt. Nu de vrouw thans met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen wordt belast, kan de door de rechtbank vastgestelde regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken niet in stand blijven. Het hof begrijpt het verzoek van de man als een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen. De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat er thans geen draagvlak is bij de minderjarigen om omgang met de man te hebben. De raad heeft getracht door middel van de maatregel van de ondertoezichtstelling te bewerkstelligen dat de omgang tussen de man en de minderjarigen tot stand kwam. De maatregel van de ondertoezichtstelling heeft echter, al dan niet door toedoen van de ouders, niet tot het gewenste resultaat geleid. [de minderjarige 1] staat op dit moment niet open voor omgang met de man. Het verplichten van [de minderjarige 1] tot omgang met de man zal, mede gelet op haar leeftijd, enkel averechts werken. Tijdens het kindgesprek dat [de minderjarige 1] voorafgaand aan de zitting bij het hof heeft gehad, is gebleken dat zij ernstige bezwaren tegen de omgang met de man heeft. Het hof is dan ook van oordeel dat ten aanzien van [de minderjarige 1] sprake is van de ontzeggingsgrond in de zin van artikel 1:377a, lid 3 onder c BW. Ten aanzien van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] is het hof van oordeel dat onbelaste omgang met de man thans niet mogelijk is en dat derhalve sprake is van de ontzeggingsgrond in de zin van artikel 1:377a, lid 3 onder d BW. In het kader van de ondertoezichtstelling is alles in het werk gesteld om de omgang op gang te brengen. De ouders houden echter dusdanig vast aan het (negatieve) beeld van de ander, dat onbelaste omgang met geen enkele mogelijkheid te realiseren is. Het hof acht het thans niet in het belang van de minderjarigen om wederom een hulpverleningstraject op te starten om alsnog contactherstel tussen de minderjarigen en de man te bewerkstelligen. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de minderjarigen, op het moment dat zij daar zelf aan toe zijn, contact kunnen zoeken met de man. Het hof geeft de man in overweging dat het respecteren van het feit dat thans geen omgang wordt vastgesteld, de kans vergroot dat de minderjarigen op enig moment in de toekomst zelf op zoek gaan naar contact met de man. Nu het hof het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling zal afwijzen, heeft de vrouw geen belang meer bij bespreking van haar verzoek tot het doen uitvoeren van een NIFP onderzoek in het kader van de omgang, zodat het hof voorbij zal gaan aan dit verzoek. Gelet op vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt dan ook vernietigen en het verzoek van de man afwijzen.

Terugvorderingsbeschikking zorgtoeslag 2013 en Ziggo abonnement

31. De man stelt dat de vrouw de helft van de terugvorderingsbeschikking zorgtoeslag 2013 van € 740,- moet voldoen. De man is met deze beschikking, welke in de huwelijksgemeenschap valt, geconfronteerd. De man heeft deze inmiddels betaald en de vrouw dient hiervan de helft aan de man te voldoen. De vrouw dient voorts de abonnementskosten van het Ziggo pakket vanaf 1 mei 2016 tot datum opzegging op zich te nemen. De vrouw blijkt een Ziggo abonnement op het adres van de man te hebben afgesloten, waarvoor de man de kosten betaalt, doch waarvan de man geen gebruik maakt, nu hij zijn eigen aansluiting heeft. De man kan dit abonnement van € 67,- per maand niet opzeggen. Inmiddels bedraagt de vordering € 1.340,-.

32. De vrouw stelt dat zij geen abonnement bij Ziggo heeft afgesloten en dat de man de vrouw nimmer heeft verzocht dit abonnement op te zeggen. De man heeft een computerbedrijf en weet als geen ander hoe dit soort abonnementen moeten worden opgezegd. De man heeft sinds 4 juli 2016 altijd gebruik gemaakt van het abonnement. De vrouw is dan ook van mening dat zij niets aan de man is verschuldigd wat betreft het abonnement bij Ziggo.

33. Het hof overweegt als volgt. De terugvorderingsbeschikking, welke de man inmiddels heeft betaald, betreft de periode voor de peildatum van 6 augustus 2016. Dit betreft een gemeenschappelijke schuld en naar het oordeel van het hof is een ieder gehouden de helft van deze schuld voor zijn/haar rekening te nemen. Vast staat dat ook het abonnement dat bij Ziggo is afgesloten voor de peildatum is ingegaan. De man heeft het abonnement voor zijn rekening genomen en betaalt hiervan de maandelijkse kosten. Ook deze last dient bij helfte door ieder van partijen te worden gedragen. De advocaat van de vrouw heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat de advocaten een gezamenlijke brief zullen opstellen om het abonnement te beëindigen.

Proceskosten

34. De man verzoekt het hof de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

35. Het is te doen gebruikelijk in familierechtelijke aangelegenheden dat de kosten tussen partijen worden gecompenseerd. De man voert geen enkele reden aan waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

36. Gelet op de familierechterlijke aard van de procedure zal het hof zoals gebruikelijk de proceskosten in beide instanties compenseren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot eenhoofdig gezag, de zorgregeling, de partneralimentatie en de kinderalimentatie voor zover die de periode met ingang van 12 februari 2018 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt uitvoerbaar bij voorraad dat het gezag over de minderjarigen voortaan alleen aan de vrouw toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Den Haag;

wijst het inleidende verzoek van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie alsnog af;

bepaalt uitvoerbaar bij voorraad de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 12 februari 2018 op € 133,- per maand, per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt uitvoerbaar bij voorraad dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw een vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning dient te betalen van € 580,69;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, J.A. van Kempen en K. van Barneveld-Peters bijgestaan door mr. N. Metalsi als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2018.