Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2666

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
BK-18/00405 en BK-18/00513
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:728, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank de beroepen van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-10-2018
V-N Vandaag 2018/2255
FutD 2018-2794
V-N 2019/4.28.15
NTFR 2019/804
NLF 2018/2314 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-18/00405 en BK-18/00513

Uitspraak van 21 september 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 11 januari 2018, nummers SGR 16/7154 en SGR 17/3763.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot een beslissing van de Inspecteur geen dwangsom te zijn verschuldigd - bij beschikking van 6 februari 2017 is alsnog een dwangsom van € 1.260 toegekend - en tegen de beslissingen die de Inspecteur bij brieven van 20 en 25 april 2017 heeft genomen beroep bij de Rechtbank ingesteld. In de zaak SGR 16/7154 is geen griffierecht en in de zaak SGR 17/3763 is een griffierecht van € 168 geheven.

1.2.

De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 253 is geheven.

1.4.

De Inspecteur heeft twee verweerschriften ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van 14 september 2018. Partijen zijn verschenen.

1.6.

Na de sluiting van het onderzoek heeft het Hof van belanghebbende op 17 september 2018 een brief ontvangen. De inhoud van de brief geeft het Hof geen aanleiding, ook al omdat het Hof ter zitting het verzoek nog een cijfermatig overzicht te mogen indienen uitdrukkelijk heeft afgewezen, het onderzoek te heropenen.

Feiten

2.1.

Na de eerste zitting bij de Rechtbank (28 maart 2017) heeft belanghebbende bij schriftelijke verzoeken van 10 april 2017 de Inspecteur gevraagd teruggaaf te verlenen van € 15.534 aan omzetbelasting (tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009) en van € 6.000 aan omzetbelasting (tijdvak 2006).

2.2.

Bij brieven van 20 en 25 april 2017 heeft de Inspecteur uitgelegd waarom en beslist dat niet aan de teruggaafverzoeken wordt voldaan.

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

"Procesverloop

Bij beschikking van 21 april 2016 heeft [de Inspecteur] beslist dat geen dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb verschuldigd is. [De Inspecteur] heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2016 het tegen de beschikking gerichte bezwaar afgewezen. [Belanghebbende] heeft daartegen beroep ingesteld. Daaraan is het zaaknummer SGR 16/7154 toegekend. (…) Bij beschikking van 6 februari 2017 heeft [de Inspecteur] alsnog vastgesteld dat een dwangsom verschuldigd is. De toegekende dwangsom bedraagt € 1.260. (…) Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017 te Den Haag. (…) Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst teneinde een mediationprocedure in gang te zetten. Bij brief van 30 mei 2017 heeft [belanghebbende] beroep ingesteld tegen in de brieven van [de Inspecteur] van 20 april 2017 en 25 april 2017 vermelde beslissingen (de beslissingen). Aan dit beroep is het zaaknummer SGR 17/3763 toegekend. (…) Nadat is gebleken dat is afgezien van mediation heeft op 23 november 2017 een nadere zitting plaatsgevonden, waarop beide beroepen zijn behandeld. (…)

Overwegingen

Beoordeling van het geschil

SGR 16/7154

1. Al hetgeen [belanghebbende] in de stukken en ter zittingen naar voren heeft gebracht laat onverlet dat [de Inspecteur] bij beschikking op 6 februari 2017 alsnog een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260. Daarmee is [de Inspecteur] aan de bezwaren van [belanghebbende] tegemoetgekomen.

2. Gezien het voorgaande heeft [belanghebbende] geen belang meer bij zijn beroep omdat dit hem niet in een betere positie kan brengen. Daarom zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

SGR 17/3763

3. In de brieven van 20 april 2017 en 25 april 2017 heeft [de Inspecteur] vermeld dat niet wordt voldaan aan de verzoeken van [belanghebbende] om suppleties omzetbelasting te verlenen over de tijdvakken 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 en 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de beslissingen schriftelijke weigeringen zijn om een besluit te nemen en op grond van het bepaalde in artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld dienen te worden wordt met besluiten waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. [Belanghebbende] verzoekt de rechtbank om het beroep in behandeling te nemen.

4. Nog daargelaten of [belanghebbende] kan worden ontvangen in het beroep op grond van het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb overweegt de rechtbank het volgende.

Teruggave tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006

5. De rechtbank stelt vast dat tot de stukken geen teruggaafverzoek inzake bovenvermeld tijdvak behoort. [De Inspecteur] heeft gesteld, niet dan wel onvoldoende weersproken door [belanghebbende], dat aan [belanghebbende] bij brief van 14 juni 2012 is bericht dat een teruggaafverzoek betreffende bovenvermeld tijdvak niet bekend was en dat [belanghebbende] niet heeft gereageerd op het in die brief vermelde verzoek aan hem om een duplicaat daarvan te overleggen. Gelet op het vorenstaande en het ontbreken van een uitspraak op bezwaar verklaart de rechtbank het beroep voor zover het betrekking heeft op bovenvermeld tijdvak niet-ontvankelijk.

Teruggave tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009

6. De rechtbank stelt vast dat inzake het betreffende tijdvak deze rechtbank bij uitspraak van 12 december 2016 met zaaknummer 16/5918, ECLI:NL:RBDHA:2016:15741 heeft beslist dat [de Inspecteur] het verzoek om teruggaaf terecht heeft afgewezen en dat de rechtbank het beroep van [belanghebbende] ongegrond heeft verklaard. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij uitspraak van 21 april 2017, met zaaknummer BK-16/00601, ECLI:NL:GHDHA:2017:3338 de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daartegen heeft [belanghebbende] cassatie ingesteld. Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank het beroep voor zover het betrekking heeft op bovenvermeld tijdvak niet-ontvankelijk.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8. [ De Inspecteur] heeft, in verband met het feit dat gedurende de loop van de procedure alsnog is overgegaan tot het verbeuren van de dwangsom, verklaard bereid te zijn aan [belanghebbende] het griffierecht te vergoeden in het beroep met het zaaknummer SGR 16/7154. Daaromtrent stelt de rechtbank vast dat uit de stukken blijkt dat is beslist dat [belanghebbende] wegens betalingsonmacht geen griffierecht verschuldigd is.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

4.1.

In geschil is of de Rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling

5.1.

Gelet op de beschikbare gegevens heeft de Rechtbank naar 's Hofs oordeel met juistheid geoordeeld dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd of ingebracht dat een andere conclusie rechtvaardigt.

5.2.

Met betrekking tot de beslissingen van de Inspecteur bij de brieven van 20 en 25 april 2017 neemt het Hof in aanmerking, de overwegingen van de Rechtbank overnemend en gelet ook op de overtuigende uiteenzetting in het verweerschrift in hoger beroep van 22 mei 2018, dat in het fiscale procesrecht elke rechtsingang ontbreekt.

5.3.

Het hoger beroep is ongegrond, ook omdat belanghebbende, mede gelet op de onweersproken stelling in het verweerschrift in hoger beroep van 16 mei 2018 dat niet is gebleken dat belanghebbende enige schade heeft geleden, rechtens niet aanmerking komt voor een vergoeding van (immateriële) schade.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 21 september 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.