Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2634

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
200.224.218/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst lerares ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhouding.Geen deskundigenoordeel.Hof hecht meer waarde aan advies arbo-arts dan aan adviezen eigen behandelaars.Geen opzegverbod tijdens ziekte.Geen verwijtbaar handelen werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2019/21
AR-Updates.nl 2018-1178
Onderwijs Totaal 2019/933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.224.218/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 5732993 RP VERZ 174-50107

beschikking van 9 oktober 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

Stichting Christelijk Onderwijs Delft en Omstreken,

gevestigd te Delft,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de Stichting,

advocaat: mr. J.W. Janse-Velema te Woerden.

Het geding

Bij beroepsschrift (met producties), ter griffie ingekomen op 29 september 2017, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter Den Haag van 29 juni 2017. De Stichting heeft een verweerschrift (met producties) ingediend dat op 11 december 2017 is ontvangen ter griffie van het hof. Op 15 juni 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen bepleiten, dit aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting zijn aan de kant van [verzoekster] nog de producties 11 tot en met 45 toegezonden en aan de kant van de Stichting de producties 67 tot en met 74. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep


1. De kantonrechter heeft in haar beschikking van 29 juni 2017 onder 2.1 tot en met 2.19 een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Met inachtneming van de feitenvaststelling en in aanvulling daarop kan in dit hoger beroep uitgegaan worden van het volgende.

1.1.

[verzoekster] is per 1 augustus 2011, aanvankelijk voor bepaalde tijd in salarisschaal LB, in dienst getreden van de Stichting, in de functie van docent [vak] aan het van de Stichting uitgaande Christelijk Lyceum Delft. De akte van benoeming d.d. 14 oktober 2013 vermeldt dat [verzoekster] per 1 januari 2013 voor onbepaalde tijd in dienst is getreden, in salarisschaal LC. Op de arbeidsovereenkomst, met een werktijdfactor 0,4800, is de CAO voor het voortgezet onderwijs (CAO VO) van toepassing. Het maandsalaris van [verzoekster] bedraagt € 2.161,92 bruto, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.

1.2.

Naar aanleiding van kritische vragen en opmerkingen van ouders betrekking hebbende op de spreekavond van 22 november 2012, heeft er op 27 november 2012 een gesprek plaats gevonden tussen de Stichting (in de persoon van [betrokkene] en directeur [directeur] ) enerzijds en [verzoekster] anderzijds. Het verslag van dat gesprek vermeldt onder meer het volgende:

De aanleiding voor het gesprek zijn diverse kritische vragen en opmerkingen van ouders nav de spreekavond van 22 november.

Die zijn te interpreteren tegen de achtergrond van de moeilijke verstandhouding tussen [verzoekster] [toelichting hof: [verzoekster] ] en een aantal leerlingen van haar V5 sinds oktober;

(…)

[betrokkene] en [directeur] vinden dat [verzoekster] niet professioneel heeft gehandeld; na enige discussie geeft [verzoekster] dit toe. Als verklaring voert zij aan dat ze privé onder bijzonder grote druk staat, waardoor ze zichzelf niet is; de precieze details wil ze niet vertellen. Ook zegt ze er niet toe in staat te zijn op 28 november ouders te ontvangen op de tafeltjesavond. Dan ontstaan waarschijnlijk vergelijkbare gesprekken en problemen.

(…)’

1.3.

Aan het begin van het schooljaar 2013-2014, op 26 september 2013, ontvangt de school een klacht over [verzoekster] van een vader van een leerling. Op 1 oktober 2013 meldt [verzoekster] zich ziek.

1.4.

Vanaf maart 2014 is tussen partijen een debat ontstaan over de wens van [verzoekster] om in de functie van docent-LD benoemd te worden. De Stichting heeft daarbij onder meer aan [verzoekster] meegedeeld dat de beoordeling nog niet kon plaatsvinden vanwege haar ziekte.

1.5.

In het schooljaar 2014-2015 worden tussen partijen gesprekken gevoerd en per e-mail gecorrespondeerd over de inzetbaarheid van [verzoekster] in V4, V5 of V6, het rooster, de LD-functie, de LFB en (uitbetaling van) Bapo en de entreerechten. Bij brief van 2 september 2014 meldt [verzoekster] aan directeur [directeur] dat haar eerdere mail van 29 augustus 2014 als klacht moet worden opgevat en dat haar advocaat ‘pro forma beroep (heeft) ingesteld bij de Commissie van Beroep tegen het mij indirect onthouden van promotie’.

Bij mail van 26 oktober 2014 deelt [verzoekster] aan [directeur] onder meer het volgende mede:

‘Ik ben blij met jouw bevestiging dat ik dit jaar alleen in de bovenbouwklassen zal worden ingezet, en dat dit -behoudens zwaarwegende, objectieve redenen - ook in de komende jaren het geval zal zijn. Ik vraag echter graag nog je aandacht voor mijn indeling in het V4-team, en mijn verzoek om mij in een ander bovenbouw team te plaatsen (bij voorkeur V6-team). Is dat alles geregeld, dan doe ik afstand van mijn entreerechten. Dat laatste houdt dus in dat ik in komende jaren alleen langs de route van het CLD-beleid in aanmerking kan komen voor een LD-functie. Het pro forma beroep zal ik dan laten intrekken.

Er is voor 18 december 2014 om 10:30 uur een afspraak voor [verzoekster] gemaakt voor een gesprek met de arbeidsdeskundige. [directeur] mailt op 28 november 2014 aan [verzoekster] :

‘Met de arbeidsdeskundige (…) is de volgende afspraak gemaakt voor 18 december

  • -

    10 uur: gesprek met mij.

  • -

    10:30 gesprek met [verzoekster]

  • -

    11:30 gesprek met [verzoekster] en mij en evt [A]

[verzoekster] mailt hierover op 1 december 2014 het volgende aan [directeur] :

‘Vanmorgen heb ik [A] gemaild om te vertellen dat 10.00 voor mij over het algemeen moeilijk te halen is. De files zijn en blijven op de A4 en hoe vroeger ik vertrek des te langer ze zijn. Het schiet dus niet op. Dus mailde ik haar met het verzoek om later te beginnen. 10.30, want dat gaat meestal slechts met een beetje file gepaard. (…) Zij schreef dat hiermee rekening was gehouden en ik zag dat jouw afspraak met mij om tien uur is.

Ik vind het prima, alleen is de kans dat er file is groot. En als ik eerder vertrek nog groter en dus wat vervelend. Om te vermijden dat jij of ik in de stres schieten zou ik je willen vragen of het wellicht anders kan. (…)’

1.6.

Tussen 30 oktober 2014 en 10 december 2014 vindt een emailwisseling plaats tussen de teamleider […] en [verzoekster] , waarbij de teamleider [verzoekster] aanspreekt op het, zonder afmelding, niet aanwezig zijn op een teamvergadering en bij een teamuitje.

1.7.

Bij email van maandag 2 februari 2015 om 03.14 uur aan [directeur] meldt [verzoekster] dat ze de volgende dag niet bereikbaar zal zijn. [directeur] reageert hierop bij mail van 2 februari 21:12 uur onder meer met:

‘(…) Wat je afwezigheid vandaag betreft, ik vind de procedure niet acceptabel. Je kunt dit niet melden met een mail om 3 uur ’s nachts en vervolgend niet bereikbaar zijn.

Wat het rooster betreft:

Je bent beschikbaar zoals we hadden afgesproken op

  • -

    maandag

  • -

    woensdag

  • -

    donderdag

De roostermaker heeft zich daar keurig aan gehouden. Dat is in de hele periode niet anders geweest. Om de een of andere reden heb je waarschijnlijk bij oude roosters zitten kijken.

Ik snap dus helemaal niets van al die brieven.

Vooralsnog trek ik de conclusie dat je een verlofdag opgenomen hebt voor je verhuizing. Maar dan moet er een andere verlofdag teruggegeven worden.’

1.8.

Bij email van 3 februari 2015 aan [directeur] doet [verzoekster] haar beklag over het rooster en verzoekt zij [directeur] de klacht door te geleiden naar de klachtencommissie. Op 4 februari 2015 antwoordt [directeur] hierop dat [verzoekster] zelf haar klacht kan indienen conform de klachtenprocedure. Op 7 februari 2015 is [verzoekster] niet aanwezig op de open dag.

1.9.

Op 2 maart 2015 vindt op verzoek van [verzoekster] een bespreking met [directeur] plaats, in het bijzijn van haar toenmalige advocaat mr. Keijser. Bij brief van 3 maart 2015 schrijft [directeur] aan [verzoekster] (en mr. Keijser) het volgende:

‘Ons gesprek in bijzijn van Dhr. Keijser van 2 maart heeft bij mij een zeer vervelende nasmaak achtergelaten. Ik zal het één en ander op een rijtje zetten.

  • -

    Je voelt je, zoals Dhr Keijser verwoordde, door mij “in een hoek gedreven”. en dat zou niet goed zijn voor je gezondheid. Hiertegenover stel ik dan: ik heb begrip getoond voor de stress die jij ervaart rond je verhuizing, en heb dat ook 2 maart nogmaals expliciet gemaakt. Hierbij, zij het ten overvloede, dan nogmaals.

  • -

    Van mijn kant ervaar ik het als een chotspe dat je mij er de schuld van geeft dat meer druk ervaart dan nodig is, en stelt dat mijn benadering slecht zou zijn voor jouw gezondheid. Mijn stelling, en die heb ik maandag voldoende onderbouwd, is dat jij bij herhaling hinderlijke vergissingen maakt (te laat inleveren cijfers op 2 februari), incorrecte aannames doet (wegblijven op de Open Dag), en je niet houdt aan je eigen toezeggingen (langskomen om een onduidelijkheid te bespreken); in een enkel geval heb je zelfs een duidelijke aanwijzing van mij genegeerd (over jouw aanwezigheid op 2 februari, zie mijn mail van 30 januari).

  • -

    Over communicatie en overleg gesproken.

o Op 13 januari stuurde je mij een op een afgescheurd repetitieblaadje geschreven briefje met een vraag over het toen gepubliceerde conceptrooster voor tijdvak 2; (….) Ik heb je toen daarom geadviseerd naar […] te gaan om te praten over het rooster (hij gaat er namelijk over); je bent niet bij hem geweest.

o Daarna heb jij een ongedateerde brief op mijn bureau gelegd, waarin stond dat jij je “oude” rooster weer had gekregen (…) op 22 januari zouden wij het daarover hebben. Jij hebt de afspraak toen gecancelled, met de mededeling dat je nog bij me langs zou komen. (….).

o Je bent in weerwil van je toezegging (zie vorige punt) nooit langs geweest, totdat je mij op vrijdagmiddag 30 januari 17:40 een uitgebreide mail deed toekomen. Ik heb daar toen klip en klaar op geantwoord dat ik de volgende week inhoudelijk zou reageren, en dat je het voorlopig moest doen met het rooster zoals het voorlag.

o Zondagnacht 2 februari om 03:00 uur mailde je mij dat je maandag 2 februari niet zou komen en dat je overdag slecht bereikbaar zou zijn, maar ‘s avonds wel. Naar mijn maatstaven is dat geen fatsoenlijk overleg maar een overval met de kennelijke bedoeling mij voor een fait accompli te stellen. (…)

o Ten slotte: je hebt een aan mij persoonlijk gerichte brief verstuurd op 3 februari, met aan het eind het verzoek of ik deze wilde doorgeleiden naar de interne klachtencommissie. Die brief was overduidelijk onontvankelijk geweest. Ik heb je verteld hoe je het wel moest doen; een klacht is nooit ontvangen door de interne klachtencommissie.

o Op 7 maart was jij zonder overleg met je leidinggevende afwezig op de Open Dag. Je deed dat op basis van ongecontroleerde en onjuiste beeldvorming.

Gezien deze feiten allereerst drie overwegingen:

  • -

    De feiten geven voldoende aanleiding tot een disciplinaire actie, zoals bedoeld in de cao, (…). Dit te meer omdat ik van het bestuur niet de ruimte heb om een afwezigheid als op 30 januari en de communicatie daarover onopgemerkt te laten passeren.

  • -

    Redelijk overleg tussen ons blijkt mogelijk, gezien eerdere afspraken zoals bijvoorbeeld gemaakt op 15 december 2014.

  • -

    Ik heb begrip voor de stress die een life-event als een verhuizing voor iemand in jouw situatie met zich meebrengt. Begrip betekent echter niet dat ik me onterechte beschuldigingen van jouw kant zo maar kan en wil laten aanleunen.

Mijn conclusie:

Ik zal genoegen nemen met zwart op wit excuses jouwerzijds binnen een week na dagtekening. Krijg ik die niet, dan rest mij geen andere gevolgtrekking dan dat jij je willens en wetens aan plichtsverzuim hebt schuldig gemaakt.’

De advocaat van [verzoekster] meldt daarop aan [directeur] dat [verzoekster] meer tijd nodig heeft. Bij brief van 15 maart 2015 biedt [verzoekster] haar excuses aan.

1.10.

Op vrijdag 29 mei 2015 mailt [directeur] [verzoekster] in verband met een klacht van een tweede corrector over haar, in verband met het laat aanleveren van het examenwerk en het maken jegens hem van een ongepaste suggestieve opmerking over de kwaliteit van zijn werk als tweede corrector. [verzoekster] reageert hierop bij mail van maandag 1 juni 2015.

1.11.

In november 2015, in het schooljaar 2015-2016, heeft de teamleider havo bovenbouw aan [verzoekster] diverse meldingen van leerlingen uit havo-4 mondeling voorgelegd met betrekking tot te laat komen, het niet goed berekenen van de cijfers en het veel over haar privéleven vertellen in de klas. [verzoekster] reageert hierop bij email van 30 november 2015, door onder meer te stellen dat zij alleen te laat komt als er sprake is van files, dat ze de leerlingen een plezier doet door persoonlijke ervaringen te delen en dat zij inderdaad een verkeerde berekening van de cijfers had gemaakt.

[directeur] ontvangt vervolgens van twintig leerlingen uit vwo-5 een lijst met opmerkingen over de lessen van [verzoekster] . Een verslag van de besprekingen hierover op 9 en 15 december 2015 met [verzoekster] vermeldt onder meer het volgende:

‘(…) Volgens de verhalen heeft [verzoekster] de leerlingen gevraagd een lijst maken met positieve en negatieve punten. Daarbij zou ze gevraag hebben om vooral positieve punten op te schrijven voor “de klootzakken.” [verzoekster] ontkent dat ze dit soort termen gebruikt. (…) Na herhaald vragen van [directeur] geeft ze toe dat ze de leerlingen dingen heeft laten opschrijven.

[…] geeft [verzoekster] het advies niet meer met de leerlingen te spreken over haar contacten met de schoolleiding. [verzoekster] zegt dat ze voldoende professioneel is om dit niet te doen.

(…)

(De lijst met opmerkingen van de leerlingen betreft de volgende punten:)

  1. Ze geeft nooit duidelijk afspraken zoals data voor de toets.

  2. Ze vertelt groot deel van de [vak] les over haar privéleven.

  3. Als je een vraag wilt stellen overstemt ze je gelijk en komt ze gelijk met argumenten terwijl je gewoon iets wilt vragen, omdat je het niet snapt.

  4. Ze legt dingen vrijwel nooit uit. Als ze dit wel doet leest ze gewoon het grammaticablokje voor en geeft ze geen duidelijke voorbeelden of schrijf ze de aantekeningen op het bord. (Veel van ons hebben de aantekeningen van leerlingen uit andere klassen overgenomen, om te kunnen leren voor de toets.)

  5. Ze gebruikte de ELO nooit, ze wil dit ook niet gebruiken.

  6. Mailtjes worden pas 2 weken later beantwoord.

  7. Als je iets niet snapt, wilt ze niet zeggen hoe het moet, omdat ze de antwoorden niet wilt voorzeggen. Dus snap je het nog steeds niet.

  8. Ze zegt vaak dat ze heel goed is en dat van haar oud-leerlingen mogen bellen om het te vragen, alleen zien wij daar niets van.

  9. Fouten die zij in de toets maakt moeten wij ook aankaarten.

  10. Ze stopt grammaticaonderdelen in een woordjestoets met als gevolg dat niemand dat woordje goed had.

  11. Als je vraagt waarom het fout is zegt ze gelijk: “O, jij bent zeker zo iemand die altijd punten wil sprokkelen?”

  12. De planner voor vorige periode kregen wij twee weken voor het einde van die periode.

  13. Tijdens een toets gaat zij gewoon praten.

  14. Zij geeft soms opeens straf aan iemand die ze niet mag.

  15. Ze voelt zich verheven boven anderen.

  16. Dit is ondertekend door bijna 20 leerlingen (bekend bij de schoolleiding). Eeen paar durfden niet uit angst voor represailles.

Vervolg 15 december;

(…) [directeur] begint met [verzoekster] te vragen of ze zich herkent in de punten die de leerlingen naar voren gebracht hebben. [verzoekster] antwoord dat Keij [advocaat mr. J. Keijser, toevoeging hof] het woord zal voeren namens haar.

(…)

Dhr Keij loopt de 16 punten langs. En geeft een eerste reactie.

  1. SO’s zijn altijd onaangekondigd. Even doorvragen over toets data levert op de laatste woordentoets 6 weken van tevoren aangekondigd was.

  2. [verzoekster] zal zich er rekenschap van geven; ze ervaart het als een luchtig ontspannend moment in de les.

  3. Herkent [verzoekster] niet. (…)

  4. Zie 3

  5. ELO is een bekend punt; [verzoekster] werkt eraan

  6. Mail in een enkel geval inderdaad laat beantwoord

  7. zie punt 3 en 4; de cijfers zijn al jaren uitstekend

  8. Dat is het woord van de leerlingen t.o dat van [verzoekster]

  9. onduidelijk wat wordt bedoeld door de leerlingen

  10. ook onduidelijk waar dit over gaat

  11. dit is gewoon een cynische opmerking, die ook als humor kan worden opgevat

  12. klopt dat vorige planner te laat was

  13. klopt; soms moet er gewoon een noodzakelijke mededeling worden gedaan over huiswerk

  14. [verzoekster] laat zich niet leiden door sympathien of antipathie

  15. [verzoekster] is doordrongen van haar onderwijskundige kwaliteiten

  16. Het is triest en zorgwekkend dat zoveel leerlingen niet bij name genoemd willen worden.

(…)

[directeur] betreurt dat [verzoekster] het juridische pad op is gegaan. Immers, hij had een goed professioneel gesprek willen voeren. [verzoekster] een spiegel voorhouden zodat ze zo nodig aan gedragsverandering kan gaan werken. Want hoewel het niet om “bewezen” feiten gaat herkent [directeur] wel een patroon; het is ook niet de eerste keer dat vergelijkbare opmerkingen langskomen. [directeur] stelt dat hij wel onderzoek kan laten doen om een aantal opmerkingen van leerlingen te verifieren, maar [directeur] schat in dat dit niet in het belang van [verzoekster] is. Key beaamt dit. [directeur] benadrukt dat hij tot nog toe het woord “klacht” niet gebezigd heeft. (…)’

Bij mail van 10 januari 2016 geeft [verzoekster] aan [directeur] een uitgebreide reactie op de kritiek van de leerlingen.

Op 11 januari 2016 geeft [directeur] aan [verzoekster] een bericht van de teamleider havo-4 door. In dit bericht meldt de teamleider dat hij is aangesproken door een surveillerende moeder die hem vertelde over [verzoekster] die heel erg ontevreden was over de schoolleiding. ‘ [verzoekster] had haar uitgebreid en blijkbaar nogal vervelend verteld hoe slecht alles hier op school wel niet was’.

Op 12 januari 2016 meldt [verzoekster] zich ziek.

1.12.

Op 21 januari 2016 heeft directeur [directeur] met [verzoekster] een gesprek gehad. Het verslag van dat gesprek vermeldt onder meer het volgende:

‘Ik heb jou vanmiddag een denkvraag gesteld: wil je op het CLD blijven werken?

Dit tegen de volgende achtergrond: we hebben net een traject vol kritiek van leerlingen afgesloten, met een voornemen jouwerzijds om goed te reflecteren en zo nodig je gedrag aan te passen.

Sinds de start na de kerstvakantie heb ik al weer vier gebeurtenissen die de nodige vragen oproepen.

  • -

    Je heb bij een surveillant-ouder uitvoerig gemopperd op de school en de leiding. (Ik heb uitleg gevraagd in een mail van 10 januari; je hebt vanmiddag bevestigd dat je dit niet had moeten doen; je had het alleen nog niet gemaild).

  • -

    Van je psycholoog krijg je het dringende advies niet naar een sectiebijeenkomst (19 januari) te gaan, omdat er gesproken zal worden over onderlinge communicatie. Je volgt het advies niet op, maar je komt te laat op de bijeenkomst, en je gaat eerder weg. Daarna drop je zonder uitleg of toelichting de verklaring van je psycholoog in mijn postvak.

  • -

    Je komt om onduidelijke redenen veel te laat op een rapportvergadering h4 (20 januari); je licht dit verder niet toe; ook niet als ik het voorval noem.

  • -

    Ik heb je in de les zien zitten, onderuitgezakt achter je bureau, met je jas aan (21 januari), terwijl je een leerling te woord stond. Ik vind dit slecht voorbeeldgedrag. Het enige wat je erover zegt is dat je je jas altijd aan hebt.

Ik heb je gezegd dat ik dit de wrange oogst vind van een paar weken werken sinds de kerst. De grenzen zijn voor mij als leidinggevende bereikt, of zelfs overschreden. Als dit gedrag zo doorgaat, ben ik bang dat dit kan leiden tot een arbeidsconflict en/of dat ik moet ik constateren dat er sprake is van disfunctioneren. Daarnaast heb ik gezegd dat ik me (gegeven je gedrag) nauwelijks kan voorstellen dat je er gelukkig bij bent. Vandaar de denkvraag.

Op 4 februari (…) spreken we hierover verder.’

1.13.

Op 3 februari 2016 meldt [verzoekster] zich ziek. Op 12 februari 2016 mailt [directeur] haar met het verzoek om de cijfers van de leerlingen van V6 aan te leveren, de herkansingstoets in te leveren en vragen te beantwoorden over het mondeling examen van V6. Verder vraagt [directeur] aan [verzoekster] om hem te melden wanneer zij voldoende hersteld is om naar de bedrijfsarts te kunnen. Op 29 februari 2016 (tijdens haar arbeidsongeschiktheid) plaatst [verzoekster] een bericht aan de leerlingen in het systeem ‘itslearning’. Zij vermeldt daarin onder meer het volgende:

‘Hallo VWO 6,

Op deze manier laat ik jullie weten dat ik na een zware griep hersteld ben gelukkig, maar kennelijk de klassen onder anderen verdeeld zijn. Het is me een raadsel. Ik zie allemaal veranderde zaken op de ELO. Lijkt me voor jullie ook heel vreemd. (…)

Tot mijn verrassing zag ik dat er van alles is veranderd en jullie opeens andere zaken moeten doen. Lijkt me voor jullie vooral erg onduidelijk. Ik begrijp het zelf ook niet. Ik hoop dat het jullie niet zal schaden! (…)’

[directeur] mailt op 2 maart 2016 aan [verzoekster] :

‘(…) Intussen heb ik een mail gezien die jij via de ELO aan leerlingen gestuurd hebt (…). Ik vind dit niet kunnen. (…)

Bij deze draag ik je op alle teksten die jij de afgelopen dagen op de ELO gezet hebt te verwijderen. Bovendien verbied ik je contact op te nemen met leerlingen zolang wij niet overeengekomen zijn dat jij weer aan het werk gaat. (…)’

1.14.

Een advies van de bedrijfsarts van 31 maart 2016 vermeldt dat de beperkingen van [verzoekster] mede in stand worden gehouden door het conflict op school. De bedrijfsarts adviseert een traject op te starten om tot een oplossing te komen, onder begeleiding van een mediator. De bedrijfsarts acht [verzoekster] in staat om dit traject te volgen. Aan [verzoekster] is meegedeeld dat zij een deskundigenoordeel kan aanvragen bij het UWV.

Bij brief van 13 april 2016 verzoekt [directeur] aan [verzoekster] om mee te werken aan de mediation en hem voor 18 april 2016 namen en gegevens van mediators door te geven. Bij mail van 15 april 2016 reageert [verzoekster] en stelt zij dat volgens haar behandelaars het in deze fase starten van een mediationtraject geen positieve bijdrage aan haar re-integratie zal hebben en dat zij een deskundigenoordeel zal aanvragen. Op voorhand geeft zij namen en gegevens door van door haar voorgedragen mediators. Tevens zegt zij toe al het leerlingenwerk dat zij nog onder zich heeft op te sturen.

1.15.

Bij email van 17 april 2016 schrijft professor [B] aan [directeur] onder meer het volgende:

‘Door omstandigheden ben ik vanouds op de hoogte van de specifieke inhoud van het Christelijke karakter van uw Lyceum. Evenzeer ben ik bekend met de hoofdlijnen van het personeelsbeleid van uw school. Tegen deze achtergrond benader ik u vanwege uw handelwijze jegens mevrouw Drs. [verzoekster] , jaren gevierd en deskundig docente [vak] en in die hoedanigheid werkzaam op uw school sinds 2011, na een jarenlange verbintenis met een Lyceum in Amstelveen.

Deze handelwijze is niet in overeenstemming te brengen met de morele uitgangspunten, waarop uw instelling zich beroept. Van het hanteren van Christelijke normen en waarden is geen sprake. In het algemeen geven uw acties in deze, alsmede de verwoording daarvan blijk van inhumaan beleid. Het verdient daarom overweging terstond de steven te wenden en een humaan pad te bewandelen.

U berokkent nu grote schade aan de naam van uw school, uw docenten, het bestuur van de school onder leiding van de heer […] , de leden van de Raad van Toezicht (…) en bovenal aan de leerlingen en hun ouders. Aan deze destructie dient onmiddellijk een einde te komen.

Hoewel het mogelijk is concreet aan te geven welke stappen u jegens mevrouw [verzoekster] dient te zetten, kan daarvan af worden gezien omdat het op uw weg ligt deze ter hand te nemen door te stoppen met intimidatie en bedreiging en constructief in overleg te treden met mevrouw [verzoekster] . Uw brief van 13 april wordt daartoe als niet geschreven beschouwd en dient te worden vervangen door een brief met een andere toonzetting en inhoud, gericht op een menselijke oplossing van het door uw toedoen gerezen conflict. Tot die oplossing behoort het aanwijzen door mevrouw [verzoekster] van een vertrouwenspersoon, die haar belangen behartigt. (…)’

Bij brief van 19 april 2016 schrijft [directeur] aan [verzoekster] (met kopie aan haar advocaat) onder meer het volgende:

‘In aansluiting op mijn brief van 13 april jl. heb ik van uw zijde drie schriftelijke reacties ontvangen. Ik ga in deze brief op deze reacties in.

  1. (…) Ik heb in mijn brief d.d. 12 april jl. geschreven over uw re-integratieverplichting en hetgeen ik u heb geschreven is onverkort van kracht. (…) Een huisarts noch een psycholoog is bevoegd een uitspraak te doen over uw mogelijkheden in het kader van uw re-integratie. Het is namelijk de bedrijfsarts die hiervoor wordt ingeschakeld en hierover adviseert. De bedrijfsarts acht u in staat deel te nemen aan mediationgesprekken.

  2. (…) U schrijft in deze brief [een e-mail van 16 april 2016 van [verzoekster] aan [directeur] ] in strijd met de werkelijke gang van zaken, dat ik er bij uw advocaat op zou hebben aangedrongen “de eer aan u zelf te houden” door met vroegpensioen te gaan. Dit is apert onjuist. Het is uw advocaat geweest die in een verkenning met mij de term “vroegpensioen” heeft laten vallen. (…) De uitbetaling van uw salaris zal worden opgeschort indien u geen medewerking verleent aan het eerst mogelijke gesprek met de mediator, tenzij het deskundigenoordeel van het UWV mij op een eerder moment aanleiding zou geven anders te besluiten. (…)

  3. Een e-mailbericht van [B] (…) Uit dit bericht blijkt, dat u mijn brief van 13 april jl. aan [B] hebt laten lezen, waarna deze zich vervolgens op een grievende, grensoverschrijdende wijze jegens mij uit en daarbij de bestuurder en de Raad van Toezicht betrekt. (…) Ik acht dit onacceptabel en ik wijs alle verwijten, die mij worden gemaakt, van de hand, onder verwijzing naar alle verslagen van gesprekken die ik met u hebt gevoerd en e-mailberichten die ik naar u moest verzenden en die in uw bezit zijn. Het ligt op uw weg om afstand te nemen van al hetgeen [B] heeft geschreven.

(…)’

1.16.

Op 15 juni 2016 is [verzoekster] zonder berichtgeving niet verschenen op de spreekuurafspraak met de bedrijfsarts.

1.17.

Er heeft tussen partijen mediation plaatsgevonden, die op 4 november 2016 formeel is geëindigd.

1.18.

Een advies van de door de Stichting ingeschakelde arbo-arts [arts] (hierna: [arts] ) van 13 februari 2017 vermeldt onder meer het volgende:

‘(…)

Re-integratie advies:

Mevrouw [verzoekster] is ziek gemeld sinds 12-01-2016 waardoor zij het eigen werk niet volledig kan uitvoeren. Om tot een goed oordeel te kunnen komen over de mate van de arbeidsongeschiktheid heeft er een onafhankelijk specialistisch onderzoek plaatsgevonden.

De conclusie van dit onderzoek is dat er geen beperkingen voor arbeid zijn. Gezien het bestaande arbeidsconflict wordt tevens geadviseerd de STECR-richtlijn arbeidsconflicten te hanteren. Het advies is de ziektewet te beëindigen.

Mevrouw [verzoekster] kan zich niet vinden in bovenstaand advies. Ik heb betrokkene geadviseerd een deskundigenoordeel werknemer bij het UWV aan te vragen. (…)’

1.19.

Bij brief van 6 april 2017 heeft de Stichting aan [verzoekster] meegedeeld dat zij met toepassing van artikel 10.a.7 lid 2 sub e CAO VO per 6 april 2017 is geschorst bij wijze van ordemaatregel voor de duur van de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] heeft tegen dit besluit beroep aangetekend.

De procedure in eerste aanleg en hoger beroep

2.1.

In de onderhavige procedure heeft de Stichting in eerste aanleg, samengevat, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 onder g BW), zonder acht te slaan op de wettelijke opzegtermijn en zonder toekenning van een transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door [verzoekster] dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid. [verzoekster] heeft verweer gevoerd en, samengevat, primair geconcludeerd dat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen en subsidiair verzocht aan haar een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen alsmede te verklaren voor recht dat [verzoekster] sinds haar indiensttreding bij de Stichting recht heeft op een salaris dat behoort bij een LD-functie en betaling van dit salaris vanaf die datum.

2.2.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 29 juni 2017 de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 augustus 2017 en de Stichting veroordeeld tot betaling aan [verzoekster] van een transitievergoeding van € 4.033,--. De overige (tegen)verzoeken zijn daarbij afgewezen en [verzoekster] is veroordeeld in de kosten van het verzoek en het tegenverzoek.

2.3.

In hoger beroep verzoekt [verzoekster] vernietiging van de beschikking van 29 juni 2017 en het ontbindingsverzoek in eerste aanleg van de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en/of het tegenverzoek in eerste aanleg van [verzoekster] toe te wijzen, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten in beide instanties. De Stichting heeft in hoger beroep verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

Beoordeling van het verzoek in hoger beroep

3.1.

[verzoekster] heeft zes grieven tegen de bestreden beschikking geformuleerd die beogen de beoordeling van het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven 1 en 2 betogen dat de kantonrechter ten onrechte is afgegaan op het advies van de bedrijfsarts en geen acht heeft geslagen op de door [verzoekster] overgelegde verklaringen van deskundigen over haar ziekte en ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een opzegverbod. Grief 3 richt zich tegen het oordeel dat er sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding en dat de oorzaak hiervan met name gelegen is in het gedrag en de houding van [verzoekster] . De grieven 4 en 5 richten zich tegen respectievelijk de afwijzing van de verzochte billijke vergoeding en de proceskostenveroordeling. Grief 6 richt zich tegen het dictum van de bestreden beschikking en betreft een restgrief die geen zelfstandige betekenis heeft. Het hof zal de grieven per onderwerp behandelen.

Opzegverbod

3.2

Ingevolge artikel 7:671b lid 2 BW in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW kan de rechter, kort gezegd, een ontbindingsverzoek alleen toewijzen als er sprake is van een redelijke grond voor opzegging, herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt, en er geen opzegverbod van toepassing is. [verzoekster] beroept zich op de aanwezigheid van het opzegverbod tijdens ziekte als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW.

3.3

Het hof is van oordeel dat het advies van arbo-arts [arts] van 13 februari 2017, inhoudende dat er voor [verzoekster] geen beperkingen zijn voor de arbeid, voldoende gemotiveerd wordt door middel van het in hoger beroep overgelegde onderzoeksverslag van 11 januari 2017 (productie 8 bij verzoekschrift in hoger beroep) opgemaakt door drs. [psychiater] , psychiater/ neuropsycholoog NIP (hierna: [psychiater] ) dat voorzien is van “Bijlage 1: Verzekeringsgeneeskundig belastbaarheidsonderzoek” opgemaakt door [medisch adviseur] (hierna: [medisch adviseur] ), medisch adviseur, verzekeringsarts en bedrijfsarts. Uit de aanvraag van de expertise door [arts] (productie 37 beroepschrift) blijkt allereerst dat aan [psychiater] melding is gedaan van de bevindingen van de behandelaars van [verzoekster] , kort gezegd dat haar behandelend psycholoog spreekt van een zware depressie en de psychosociaal therapeut van een zware burn-out met 1,5 tot 2 jaar hersteltijd. Uit het onderzoeksverslag blijkt verder dat een psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden waar [verzoekster] aan heeft meegewerkt, dat geconstateerd wordt dat er klachten zijn, dat deze klachten voor een deel begrepen kunnen worden als een normale en invoelbare rectie op de stresserende werkomstandigheden maar dat de ernst van de klachten (inmiddels) daarmee niet meer in verhouding lijkt te staan. [psychiater] concludeert dat de disproportionaliteit daarvan in dit geval maakt dat een psychische stoornis aanwezig is, in de zin van een aanpassingsstoornis (DSM 5 classificatie). Als onderhoudend voor de klachten wordt genoemd het arbeidsconflict en de obsessief-compulsieve persoonlijkheidskenmerken van [verzoekster] . Op de vraag of er aanwijzingen zijn voor functionele beperkingen voortkomend uit ziekte of gebrek, schrijft [psychiater] : “In het hierna volgende is de definitie van het begrip ‘beperking’ gebaseerd op de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren in termen van de FML [functionele mogelijkhedenlijst; toevoeging hof]. Aanwijzingen voor beperkingen binnen de rubrieken worden niet gevonden binnen de items vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, handelingstempo, emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten, omgaan met conflicten, samenwerken, vervoer en overige”. In bijlage 1 bij het verslag zijn de bevindingen van de psychiatrische expertise vertaald naar een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de belastbaarheid van [verzoekster] . De vraag om eventuele beperkingen weer te geven in een kritische FML (rubriek 1, 2 en 6) wordt door [medisch adviseur] beantwoord met de opmerking dat er geen aanleiding is tot het aannemen van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren op een functionele mogelijkhedenlijst en dat er ook geen indicatie is voor het aannemen van een urenbeperking op een functionele mogelijkhedenlijst. De conclusie van [arts] in zijn advies van 13 februari 2017 dat er geen beperkingen zijn voor de arbeid wordt daarom in voldoende mate onderbouwd door het onderzoeksverslag van de psychiater en de verzekeringsarts/bedrijfsarts. Dat [psychiater] in zijn rapportage [verzoekster] adviseert haar therapie te continueren, om eventuele verergering van de klachten en het ontwikkelen van een stemmingsstoornis te voorkomen, maakt dat niet anders. [verzoekster] ervaart immers klachten. Deze worden blijkens de rapportage echter niet gekwalificeerd als een beperking voor de arbeid. [verzoekster] stelt dat de vraag of een werknemer arbeidsongeschikt is van meer feiten en omstandigheden afhangt dan de rubrieken waar het rapport van 11 januari 2017 zich toe beperkt, maar zij laat na deze feiten en omstandigheden te benoemen, terwijl evenmin is gesteld of gebleken naar welke andere rubrieken het psychiatrisch onderzoek zich nog meer had moeten uitstrekken, laat staan dat dit tot een andere uitkomst zouden hebben geleid. De overige rubrieken van de FML (zoals zijdens [verzoekster] is overgelegd als productie 16 hoger beroep) te weten, III. Aanpassing aan fysieke omgevingseisen, IV. Dynamische handelingen, en V. Statische houdingen, zien niet op psychische klachten en niet is gesteld of gebleken dat [verzoekster] beperkingen heeft die in deze rubrieken genoemd worden. Het hof verwerpt dan ook de stelling dat aan een te beperkt aantal rubrieken is getoetst. Dat het rapport pas op 23 januari 2017 aan [verzoekster] is toegezonden (derhalve binnen veertien dagen na de totstandkoming) doet naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de inhoud van de rapportage. De rapportage heeft [psychiater] niet ondertekend maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat het om een concept of een voorlopig oordeel zou gaan; uit de bewoordingen van het rapport blijkt op geen enkele wijze dat daarvan sprake zou zijn. Het hof verwerpt het verweer dat het advies ondeugdelijk is omdat [verzoekster] “zich niet aan de indruk heeft kunnen onttrekken dat de bedrijfsarts niet geheel onpartijdig was”. Het advies van [arts] van 13 februari 2017 wordt immers reeds in voldoende mate ondersteund door het verslag van de externe psychiater en de verzekeringsarts/bedrijfsarts, van wie de onafhankelijkheid en deskundigheid niet zijn betwist. Bovendien heeft [arts] [verzoekster] er op gewezen - omdat zij het niet met zijn advies eens was - dat zij een (onafhankelijk) deskundigenoordeel bij UWV kon aan vragen. [verzoekster] heeft dat nagelaten. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft [verzoekster] aangevoerd dat [arts] geen bedrijfsarts is maar arbo-arts en hem daarom niet de bevoegdheid toekwam om een deskundige rapportage aan te vragen dan wel nader te adviseren. Dit verweer is te laat gedaan en wordt reeds op die grond verworpen.

3.4

Ten slotte verwijt [verzoekster] [arts] dat zijn advies ondeugdelijk is omdat hij heeft nagelaten te beoordelen of er sprake is van een arbeidsconflict, door haar aangeduid als stap 3 ingevolge de STECR richtlijn, en niets in zijn rapportage gericht was op het oplossen van het arbeidsconflict. Uit de door de Stichting overgelegde probleemanalyse van 3 maart 2015 en het - mede door [verzoekster] getekende - plan van aanpak van 15 maart 2016 (door de Stichting in hoger beroep overgelegd als productie 70 en 71) blijkt dat al in een vroeg stadium is geconstateerd dat sprake was van een arbeidsconflict. Eveneens is er al snel overgegaan tot het voorstellen van mediation en is bezien of [verzoekster] medisch in staat was daar aan deel te nemen. Die mediation heeft plaatsgevonden in de periode mei- november 2016 en was dus - zonder succes - afgerond voordat de bedrijfsarts de psychiatrische expertise aanvroeg. Dit alles rechtvaardigt niet de conclusie dat het advies van [arts] ondeugdelijk is. De verwijten van [verzoekster] dat de Stichting méér had moeten doen om het arbeidsconflict te verhelpen en haar te laten re-integreren en dat de Stichting [verzoekster] heeft weggewerkt, komen hierna onder 3.7 tot en met 3.11 aan de orde.

3.5

Tegenover het advies van [arts] en ter motivering van haar stelling dat zij arbeidsongeschikt is wegens ziekte, heeft [verzoekster] verschillende verklaringen overgelegd van haar behandelaars. Huisarts […] schrijft op 14 maart 2017 dat [verzoekster] sinds 2011 aan een depressie lijdt en zij een aanpassingsstoornis heeft (productie 5 verweerschrift eerste aanleg). Voorts schrijft hij: “Naar mijn idee is ze sinds jaren zo ziek dat van haar geen normale arbeidsprestatie te verwachten is”. Psychosociaal therapeut […] schrijft in haar brieven van 10 oktober 2016 en 20 januari 2017 (productie 23 en 24 beroepschrift) dat [verzoekster] alle kenmerken van een zware burn-out heeft en zij zeker anderhalf à twee jaar nodig heeft om weer volledig arbeidsgeschikt te zijn. Mevrouw […] , GZ-psycholoog, schrijft in haar brief van 23 mei 2016 (productie 21 beroepschrift) dat [verzoekster] zich heeft gemeld met ernstige stressklachten en dat haar draagkracht momenteel erg zwak is. Mevrouw […] , de hoofdbehandelaar, voegt hieraan toe dat een langduriger herstelproces en stabilisatie geadviseerd wordt (productie 22 beroepschrift). Het hof kent aan de adviezen van deze behandelaars van [verzoekster] minder gewicht toe dan aan het gemotiveerde advies van [arts] . Het hof weegt daarbij mee dat de huisarts, noch de GZ-psycholoog, noch de psychosociaal therapeut, deskundig zijn in het geven van een medisch oordeel over de arbeids(on)geschiktheid van [verzoekster] . Een bedrijfsarts en een verzekeringsarts zijn dat wel. Bovendien kan een behandelaar, juist gelet op de behandelrelatie met de patiënt, bezwaarlijk als onafhankelijk worden aangemerkt. Het hof wijst erop dat ook volgens de gedragsregels van de KNMG een behandelend arts geen (waarde)oordeel mag geven over de arbeidsongeschiktheid van een patiënt die onder behandeling van deze arts staat of stond. Dergelijke verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke, deskundige arts. De verklaring van internist dr. […] van 19 juni 2014 over ijzergebrek (bij ernstige buikklachten) bij [verzoekster] acht het hof, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet relevant voor de beoordeling van haar medische situatie op 15 februari 2017. Dat geldt ook voor de verklaring van psycholoog drs. […] over de behandeling van [verzoekster] vanaf medio 2017 en de brieven van het UWV vanaf augustus 2017 over toekenning van een Ziektewetuitkering. Deze zien immers op een latere periode dan het tijdstip van indiening dan het verzoekschrift. Ingevolge artikel 7:671b lid 7 BW geldt het opzegverbod immers niet indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het verzoek om ontbinding door de kantonrechter is ontvangen. Indien [verzoekster] wel arbeidsongeschikt wegens ziekte zou zijn geweest ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek, dan moet worden geoordeeld dat het opzegverbod ingevolge artikel 7:671b lid 6 onder a BW niet van toepassing is nu het ontbindingsverzoek geen dan wel onvoldoende verband houdt met de dan veronderstellenderwijs aan te nemen ziekte van [verzoekster] . De arbeidsverhouding is bovendien verstoord geraakt voordat er discussie is ontstaan over de vraag of [verzoekster] wel of niet arbeidsongeschikt is wegens ziekte terwijl de aard van het arbeidsconflict niet gelegen is in de door [verzoekster] gestelde ziekte.

3.6

Zoals hiervoor is overwogen kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan het advies van [arts] van 13 februari 2013, dat gebaseerd is op een onafhankelijk deskundig onderzoek en dat inhoudt dat er geen (medische) beperkingen bij [verzoekster] waren ten aanzien van de arbeid. Er is daarom - zoals de kantonrechter in eerste aanleg ook heeft geconcludeerd - geen sprake van een opzegverbod tijdens ziekte ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg op 15 februari 2017, dat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Evenmin staat arbeidsongeschiktheid ingetreden op een later moment dan dat van indiening aan ontbinding in de weg. Het hof concludeert verder dat gelet op het onderliggende feitencomplex, de kantonrechter met betrekking tot de ziekte en arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] , niet van onvolledige en/of onjuiste feiten is uitgegaan, noch dat de vaststelling van de feiten onvolledig is geweest. De grieven 1 en 2 falen dan ook.

Verstoorde arbeidsverhouding

3.7

Grief 3 van [verzoekster] ziet op de vraag of er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen [verzoekster] en de Stichting, zodanig dat van de Stichting in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voorduren. [verzoekster] betwist dat deze grond aanwezig is en bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat de oorzaak hiervan met name gelegen is in het gedrag en de houding van [verzoekster] . Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 16 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:206) heeft geoordeeld dat voor toepassing van de ontbindingsgrond “verstoorde arbeidsverhouding” niet vereist is dat sprake is van enige verwijtbaarheid. De mate van verwijtbaarheid kan wel gewicht in de schaal leggen bij de beantwoording van de vraag of het voorduren van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid kan worden gevergd. [verzoekster] verwijt de Stichting dat zij is weggepest en dat de Stichting onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar te laten re-integreren, onder andere door de

STECR-richtlijn arbeidsconflicten niet te hanteren.

3.8

Ook het hof is van oordeel dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van de Stichting niet gevergd kan worden die te laten voortbestaan. Uit de feitenweergave (onder 1.1 tot en met 1.19 hierboven) blijkt dat de Stichting sinds het schooljaar 2010-2013 telkens serieus met de wensen en klachten van [verzoekster] is omgegaan, de Stichting zeer veel gesprekken met haar (en haar advocaat) heeft gevoerd en de Stichting telkens in correcte bewoordingen gereageerd heeft op de uitvoerige correspondentie door [verzoekster] over de vele onderwerpen die zij aan de orde bleef stellen, onder andere over haar inroostering - die zij slechts op twee dagen per week wilde, pas vanaf het derde lesuur en alleen de niet moeilijke klassen in de bovenbouw -, haar aanspraak op een LD-functie, het opnemen van bapo-verlof of lfb-uren en het deel gaan uitmaken van het (niet bestaande) V6-team. De Stichting is niet aan alle wensen van [verzoekster] tegemoet gekomen (onder andere het slechts op twee dagen in de week ingeroosterd worden) maar wel heeft de Stichting aan [verzoekster] bevestigd dat zij alleen nog in de bovenbouw zou worden ingezet en heeft zij [verzoekster] conform haar verzoek in verband met files, zoveel mogelijk eerst vanaf het derde lesuur ingeroosterd. Daarbij is zij erop gewezen dat dit, mede in verband met clustering van uren, tot mogelijke tussenuren zou kunnen leiden terwijl niet kon worden gerealiseerd dat zij alle lesuren op 2 dagen zou kunnen geven. [verzoekster] is op niet meer dan 3 dagen per week ingeroosterd. Dit waren de bij aanvang van de arbeidsovereenkomst met haar afgesproken dagen en dit was ook het aantal dagen dat zij ingevolge de CAO VO verplicht beschikbaar moest zijn. Dat het rooster van [verzoekster] vlak voor haar ziekmelding van 2 februari 2016 mogelijk te zwaar voor haar was, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat zij gepest werd door de Stichting. Dat geldt ook voor de stelling dat een collega [vak] een gunstiger rooster had (productie 25) en hieruit zou blijken dat [verzoekster] ten aanzien van de inroostering werd gepest. Uit het rooster waar [verzoekster] naar verwijst moet worden opgemaakt dat deze collega een aanstelling had voor meer uren dan [verzoekster] en op 4 dagen werkzaam was in plaats van 3 dagen zoals [verzoekster] , zodat de vergelijking met de inroostering van deze collega niet opgaat. Indien [verzoekster] meende dat haar rooster om medische redenen, al dan niet tijdens de periode van re-integratie, te zwaar was, had het op haar weg gelegen dit aan de bedrijfsarts voor te leggen. Als zij het met zijn oordeel niet eens was, had zij hierover vervolgens eventueel een deskundigenoordeel van het UWV kunnen vragen. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor haar rekening.

3.9

[verzoekster] heeft langdurig en veelvuldig bij de Stichting aangekaart dat zij ten onrechte niet in een LD-functie was benoemd. Echter, niet bestreden is de met stukken ondersteunde stelling van de Stichting dat [verzoekster] sinds 1 augustus 2006 niet meer gewerkt had in een LD-functie en dat zij laatstelijk voor haar indiensttreding werkzaam was in een LB-functie. De Stichting heeft [verzoekster] bij haar indiensttreding conform de CAO VO correct in een LB-functie benoemd en haar een jaar later na een voldoende beoordeling gepromoveerd naar een LC-functie. Maar omdat [verzoekster] nadien ziek was geworden, kon (nog) niet worden beoordeeld of zij in aanmerking kwam voor een LD-functie. Ook hier ziet het hof geen enkele aanwijzing dat [verzoekster] gepest zou zijn. Integendeel: zoals blijkt uit de grote hoeveelheid correspondentie tussen partijen, heeft de Stichting veel moeite gedaan en veel geduld betracht om de telkens door [verzoekster] opgebrachte vraagpunten te beantwoorden, uit te leggen of toe te lichten. De kantonrechter heeft dit klaarblijkelijk in haar beschikking omschreven als inspanningen om met [verzoekster] ‘on speaking terms te blijven’. De Stichting heeft dit gedaan tegen de achtergrond van veel verschillende incidenten zoals dat [verzoekster] , zonder afmelding, niet aanwezig is op een teamvergadering en bij een teamuitje (1.6), te laat de cijfers inlevert op 2 februari 2015 (1.9), wegblijft op een open dag op basis van een onjuiste aanname (1.9), zich afmeldt midden in de nacht voor de volgende dag met de melding dat zij niet bereikbaar is (1.7), er verschillende klachten van leerlingen uit havo-4 binnen komen en een (door haar zelf gevraagde) weinig positieve lijst met opmerkingen van leerlingen uit vwo-5 wordt opgesteld (1.11), een surveillant-moeder meldt dat [verzoekster] zich negatief over de schoolleiding heeft uitgelaten (1.11 en 1.12), [verzoekster] zonder bericht te laat verschijnt op een sectievergadering en een rapportvergadering (1.12) en een zeer ongelukkig bericht op de Elektronische Leeromgeving voor de leerlingen plaatst (1.13) waarin zij haar ongenoegen kenbaar maakt over de verdeling van de VWO 6-klassen tijdens haar afwezigheid (“Tot mijn verbazing zag ik dat er van alles is veranderd en jullie opeens andere zaken moeten doen. Lijkt me voor jullie vooral erg onduidelijk. Ik begrijp het zelf ook niet. ik hoop dat het jullie niet zal schaden”). Ook het feit dat [verzoekster] desgevraagd geen afstand heeft willen nemen van de niet op verzoenende toon gestelde brief van professor [B] , heeft naar het oordeel van het hof geen positieve bijdrage geleverd aan een goede verstandhouding tussen [verzoekster] en de Stichting. [verzoekster] heeft ten slotte nog aangevoerd dat het pestgedrag van de Stichting zou blijken uit het feit dat bijles werd gegeven tijdens de lessen [vak] van [verzoekster] . Dit lijkt echter een kwestie uit november 2012 te zijn (productie 4 verzoekschrift eerste aanleg) waarbij uit het gespreksverslag van 27 november 2012 blijkt dat het een hulples betrof die de leerlingen “onder valse voorwendselen” hadden geregeld en waar geen voorzetting van lijkt te hebben plaatsgevonden en welke kwestie ook niet door [verzoekster] in de correspondentie opnieuw is opgebracht. Ook dit acht het hof onvoldoende, ook in samenhang met de andere door haar opgebrachte voorbeelden, om tot de conclusie te komen dat zij zou zijn weggepest.

3.10

Uit de door [verzoekster] overgelegde producties in hoger beroep (41 tot en met 43) maar ook overigens, kan het hof niet opmaken dat zij tijdens haar ziekte door de Stichting onnodig of bovenmatig is lastig gevallen. De Stichting heeft na de opmerking van [verzoekster] ten tijde van de ziekmelding “Ik trek het niet meer” daarover met haar willen praten en heeft daar een e-mail over gestuurd en heeft de voortgang voor de VWO6 (eindexamen) leerlingen zo veel mogelijk willen verzekeren (producties 42 en 43). Na de ziekmelding van [verzoekster] op 3 februari 2016 is geconstateerd dat sprake is van een arbeidsconflict (zie de probleemanalyse en het door [verzoekster] getekend plan van aanpak; producties 70 en 71) en heeft de Stichting ingezet op mediation, conform de STECR-richtlijnen. Deze mediation, met een door [verzoekster] gekozen mediator heeft vanaf mei 2016 plaatsgevonden en is op 4 november 2016 formeel, zonder positieve afsluiting, geëindigd. Ten tijde van het advies van [arts] op 13 februari 2017 had de Stichting wat betreft de mediation aan de STECR richtlijn voldaan, alsook de door [verzoekster] in haar beroepschrift genoemde stappen (ziekmelding onderzoeken, vaststellen arbeidsconflict, beoordeling of er nog arbeid kan worden verricht) gezet. Dat verder nog een ‘plan van interventie’ zou moeten worden opgesteld heeft [verzoekster] weliswaar gesteld, maar niet is gebleken wat hiermee wordt bedoeld en dat hiertoe een wettelijke verplichting bestaat. Ook voor het benoemen van een vertrouwenspersoon voor [verzoekster] , het houden van herstelevaluaties of functioneringsgesprekken bestaat een dergelijke verplichting niet, terwijl bovendien noch gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] hierom heeft gevraagd. Dat de Stichting overigens verplichtingen met betrekking tot de STECR-richtlijn zou hebben geschonden dan wel onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht (omdat zij ‘meer’ had moeten doen, zoals het benoemen van een vertrouwenspersoon) is onvoldoende aannemelijk geworden en heeft [verzoekster] ook niet gemotiveerd met behulp van een daartoe aangewezen deskundigenoordeel van het UWV als bedoeld in artikel 7:658b BW. Het verwijt dat de Stichting [verzoekster] op een andere locatie had moeten laten re-integreren, wordt verworpen. Ter zitting in hoger beroep heeft de Stichting ten aanzien van een mogelijke herplaatsing onweersproken gesteld dat op de andere locaties geen [vak] of alleen [vak] op vmbo of mavo niveau wordt gegeven en [verzoekster] alleen op VWO niveau wilde lesgeven. Dat de Stichting kort na het schriftelijk advies van [arts] van 13 februari 2017 tot indiening van het verzoek tot ontbinding is overgegaan, kan de Stichting gelet op het tijdverloop na het niet slagen van de mediation begin november 2016 en de aanwezigheid van een arbeidsconflict sinds januari 2016, niet verweten worden. Het rechtvaardigt niet de conclusie dat het doel van de Stichting was om [verzoekster] ‘weg te werken’ in plaats van het conflict op te lossen, laat staan dat de Stichting een verstoring van de verhoudingen heeft gecreëerd met het uitsluitend doel een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te forceren op de g-grond. De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, dan ook tot het oordeel kunnen komen dat er sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding zodanig dat van de Stichting niet gevergd kan worden die te laten voortbestaan en dat herplaatsing niet in de rede ligt. Immers, zelfs al zou [verzoekster] op een ander niveau [vak] gaan geven dan nog zou [directeur] haar leidinggevende blijven. Het hof merkt op dat [verzoekster] ook ter zitting in hoger beroep de verstoorde verhouding heeft bevestigd. Zij heeft gezegd dat zij de aanwezigheid van [directeur] en Stichting niet goed kon verdragen en heeft daarom op enig moment, op aangeven van de voorzitter, de zaal verlaten. Grief 3 van [verzoekster] wordt gezien het voorgaande verworpen.

3.11

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er geen sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Stichting ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Aan [verzoekster] komt daarom geen billijke vergoeding toe. Grief 4 treft geen doel.

3.12

De grieven 1 t/m 4 worden verworpen evenals de grieven 5 en 6 nu het hof de beschikking van de kantonrechter Den Haag van 29 juni 2017 zal bekrachtigen en [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure zal worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter Den Haag van 29 juni 2017;

  • -

    veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op € 318,-- aan verschotten en € 4.148,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, S.R. Mellema en G.J.J. Heerma van Voss en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.