Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2621

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
200.235.819/01, 200.235.817/01, 200.235.817/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling; persoon van de bewindvoerder; ernstig verstoorde verhouding tussen twee familieleden van de betrokkene; aanvankelijk voorgestelde bewindvoerder tevens 'gewaarborgde hulp' in het kader van PGB, risico van belangenverstrengeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 19 september 2018

Zaaknummers : 200.235.819/01, 200.235.817/01 en 200.235.817/02

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 17-91109

Zaaknummer rechtbank : 6062213

in de zaak met zaaknummer 200.235.819/01:

[appellante] ,

wonende in [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.N. Baldew te Den Haag.

in de zaak met zaaknummers 200.235.817/01 en 200.235.817/02

[geïntimeerde] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: [dochter 1] ,

advocaat mr. H. Devkinandan te Leiden.

Als belanghebbende in beide zaken zijn aangemerkt:

1. [de bewindvoerder] ,

handelend onder de naam [naam bewindvoering] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat mr. M.J. Drost te Leusden;

2. [dochter 2] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: [dochter 2] ,

advocaat mr. S. van der Eijk te Den Haag;

3. [zoon 1] ,

wonende in [woonplaats] ;

4. [zoon 2] ,

wonende in [woonplaats] .

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 21 maart 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 december 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, uitgesproken onder voormeld rekest- en zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking). Dit beroepschrift is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.235.819/01.

[dochter 1] is eveneens op 21 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit beroepschrift is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.235.817/01. Bij dit beroepschrift heeft [dochter 1] tevens verzocht om de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.235.817/02.

Omdat de stukken die bij het beroepschrift onder zaaknummer 200.235.817/01 zijn ingediend nog niet compleet waren, heeft het hof [dochter 1] bij brief van 29 maart 2018 een termijn gegeven om uiterlijk op 12 april 2018 dit verzuim te herstellen.

Het hof heeft op 12 april 2018 een journaalbericht van diezelfde datum van [dochter 1] ontvangen, waarin zij het hof verzoekt om uitstel voor het indienen van de ontbrekende stukken in de zaak onder zaaknummer 200.235.817/01. Dit verzoek is door het hof bij brief van 17 april 2018 gehonoreerd. In die brief is [dochter 1] een nieuwe termijn gegeven om uiterlijk op 1 mei 2018 het verzuim te herstellen.

[dochter 1] heeft op 12 april 2018 de ontbrekende stukken in de zaak onder zaaknummer 200.235.817/01 bij het hof ingediend en zo het verzuim hersteld.

De zaken met zaaknummers 200.235.819/01, 200.235.817/01 en 200.235.817/02 worden verder in deze beschikking vanwege hun inhoudelijke verwevenheid gezamenlijk behandeld.

De bewindvoerder heeft op 5 juni 2018 in de zaken met zaaknummers 200.235.819/01, 200.235.817/01 en 200.235.817/02 één verweerschrift ingediend.

[dochter 2] heeft op 7 juni 2018 in de zaken met zaaknummers 200.235.819/01, 200.235.817/01 en 200.235.817/02 één verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van [dochter 1] :

- op 6 juni 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 14 augustus 2018 twee journaalberichten van 12 augustus 2018 met bijlagen;

- op 28 augustus 2018 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van [dochter 2] :

- op 15 augustus 2018 een faxbericht van 12 augustus 2018, tevens ingekomen per post op 17 augustus 2018, met bijlagen.

Het hof heeft het van de zijde van [dochter 1] bij twee afzonderlijke journaalberichten van 12 augustus 2018 ingediende verweer op de verweerschriften van [dochter 2] en de bewindvoerder buiten beschouwing gelaten, nu het hof [dochter 1] niet in de gelegenheid heeft gesteld een extra reactie in te sturen.

Het hof heeft daarnaast op 21 augustus 2018 een journaalbericht van diezelfde datum ontvangen van de advocaat van de moeder, waarin zij onder meer schrijft niet direct bij de aanvang van de mondelinge behandeling aanwezig te kunnen zijn. Mr. H. Devkinandan, de advocaat van [dochter 1] ( [dochter 1] ), zal bij haar afwezigheid ook het woord voeren namens de moeder.

De zaken zijn op 29 augustus 2018 gezamenlijk mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, het laatste deel van de zitting bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [dochter 1] , bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [dochter 2] , bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bewindvoerder, bijgestaan door haar advocaat.

[zoon 1] en [zoon 2] , zonen van de moeder, zijn, hoewel hiertoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De advocaten van [dochter 1] , [dochter 2] en de bewindvoerder hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. In die beschikking heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van [dochter 1] , om haar moeder onder curatele te stellen met benoeming van [dochter 1] tot curator, afgewezen. De kantonrechter heeft een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. Hierbij is tot bewindvoerder benoemd: [de bewindvoerder] , handelend onder de naam [naam bewindvoering] , kamer van koophandel-nummer [nr.] , [adres] in [plaats] . De beslissing over het mentorschap en de verzochte proceskostenveroordeling is hierbij door de rechtbank aangehouden.

Er zijn in eerste aanleg door de rechtbank geen feiten vastgesteld.

BEOORDELING VAN DE HOGER BEROEPEN

1. In geschil is de persoon van de bewindvoerder.

2. De moeder verzoekt (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder te vernietigen en te bepalen dat [dochter 1] tot bewindvoerder wordt benoemd.

3. [dochter 1] verzoekt het hof, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:
- dat de werking van de bestreden beschikking voorlopig wordt geschorst totdat een nieuwe beslissing is gegeven;

- de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de bewindvoerder van de moeder te ontslaan en te bepalen dat [dochter 1] als bewindvoerder en mentor wordt aangesteld, subsidiair dat [beoogde bewindvoerder] als bewindvoerder en mentor wordt aangesteld.

4. [dochter 2] verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- het hoger beroep van zowel de moeder als [dochter 1] , gericht tegen de bestreden beschikking, af te wijzen;

- de bestreden beschikking te bekrachtigen;

- het verzoek om de werking van de bestreden beschikking voorlopig te schorsen, totdat een nieuwe beslissing is gegeven door het hof, af te wijzen.

5. De bewindvoerder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6. De moeder is het niet eens met het feit dat een voor haar onbekende persoon is benoemd tot haar bewindvoerder. Zij voert aan dat de nu aangestelde bewindvoerder onvoldoende in staat is om haar belangen te behartigen op de manier zoals zij dit wil. De moeder heeft behoefte aan iemand die haar begrijpt, die begrip heeft voor haar Hindoestaanse cultuur en die Hindoestaans spreekt. Volgens de moeder doet de bewindvoerder dit niet. De moeder wil zo lang mogelijk nog thuis kunnen wonen. Haar huidige situatie is daarom nu goed geregeld met zorg aan huis die vanuit een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) wordt gefinancierd. Volgens de moeder is [dochter 1] bereid om haar (financiële) zaken te behartigen. Dit wordt door [dochter 2] belemmerd. De moeder begrijpt niet wat de reden hiervan is. Verder voert de moeder aan dat ten onrechte in het proces-verbaal is opgenomen dat zij geen bezwaar heeft tegen een derde als bewindvoerder. De tolk die zij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg had, sprak allereerst geen Sarnami (Hindoestaans) maar Hindi. De talen lijken op elkaar, maar zijn niet gelijk. De moeder heeft bovendien het gevoel dat de kantonrechter haar woorden in de mond heeft gelegd. Ter zitting van het hof geeft de moeder verder aan moe te zijn en een snelle beslissing van het hof te wensen. Hoewel de moeder dit weliswaar in haar beroepschrift heeft verzocht, geeft de moeder ter zitting meerdere malen aan dat zij niet wil dat één van haar dochters, dus ook [dochter 1] niet, als haar bewindvoerder wordt benoemd.

7. Volgens [dochter 1] zou de zaak bij de kantonrechter opnieuw ter zitting worden behandeld, maar is voordat een nieuwe zitting plaatsvond al een bewindvoerder door de kantonrechter benoemd. Verder zou de moeder de mogelijkheid krijgen om voordat de bewindvoerder zou worden benoemd kennis te maken met de bewindvoerder en te beoordelen of zij in die persoon vertrouwen had. Ook dat is niet gebeurd. De moeder heeft daarom het kennismakingsgesprek met de bewindvoerder afgezegd. De moeder weigert de bewindvoerder in haar woning te ontvangen vanwege een gebrek aan vertrouwen. Bovendien krijgt de moeder weinig leefgeld en wordt haar zelfstandigheid aangetast. Ook wordt volgens [dochter 1] geen goede invulling aan het bewind gegeven. Zij meent dat dit gronden zijn die een belang van haar en de moeder rechtvaardigen bij de schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Verder voert [dochter 1] in de bodemzaak het volgende aan. Zij meent dat de moeder uit beleefdheid bij de kantonrechter heeft aangegeven dat het goed is wanneer een voor haar onbekende persoon tot bewindvoerder wordt benoemd. [dochter 1] voert daartoe aan dat de moeder de vragen van de kantonrechter niet goed heeft begrepen. Na afloop van de zitting heeft de moeder haar bezwaren tegen de benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder kenbaar gemaakt. [dochter 1] stelt zich al jaren intensief bezig te houden met de organisatie van de zorg rondom de moeder. Veilig Thuis heeft weliswaar geadviseerd een onafhankelijke bewindvoerder te benoemen, maar dit advies is volgens [dochter 1] niet zorgvuldig en is bovendien uitvoerig weerlegd. Volgens [dochter 1] is de onenigheid tussen [dochter 2] en haarzelf verder ook niet schadelijk voor de belangen van de moeder.

8. [dochter 2] voert het volgende aan. Er ontbreekt een spoedeisend belang om de werking van de bestreden beschikking te schorsen. Schorsing is niet in het belang van de moeder. [dochter 2] stelt verder dat de moeder heeft aangegeven akkoord te gaan met een professionele bewindvoerder vanwege de aanhoudende onenigheid tussen haar twee dochters. Het is volgens [dochter 2] waarschijnlijk dat [dochter 1] na de zitting bij de kantonrechter met de moeder heeft gesproken waardoor de moeder nu een andersluidend standpunt inneemt. Verder moet bij de voorkeur van de moeder voor een bewindvoerder ook worden gekeken of de beoogde bewindvoerder de functie daadwerkelijk kan vervullen en dit niet leidt tot een onwenselijke situatie met betrekking tot de (overige) belanghebbenden. De benoeming van [dochter 1] als bewindvoerder brengt een onwenselijke situatie met zich mee. Het is niet geloofwaardig dat [dochter 1] geen wrok zou koesteren richting [dochter 2] . [dochter 1] is weliswaar de afgelopen jaren veelvuldig bezig geweest met het wel en wee van de moeder, maar dit is niet altijd naar behoren gegaan. Er zijn door hulpverleners zorgen geuit over de moeder en daarnaast is de financiële situatie ondoorzichtig geweest. Het enkele feit dat een derde fungeert als bewindvoerder maakt niet dat [dochter 1] geen enkele rol meer kan spelen in het leven van de moeder. [dochter 1] kan de moeder nog altijd ondersteuning bieden als vertrouwd familielid. Verder dient aan het advies van Veilig Thuis om een onafhankelijk bewindvoerder te benoemen groot gewicht te worden toegekend. Niet is gebleken dat dit advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Van het huidige, professionele bewind wordt ten onrechte een schrikbarend beeld geschetst. Het instellen van het bewind, waartoe [dochter 1] zelf heeft verzocht, brengt nu eenmaal als logisch gevolg met zich mee dat de moeder beperkingen zal ondervinden.

9. Volgens de bewindvoerder bestaan er gegronde redenen om niet [dochter 1] maar een professionele bewindvoerder dus een onafhankelijke derde, te benoemen. De aanhoudende ruzie tussen de twee dochters betreft nadrukkelijk (ook) de belangenbehartiging van hun moeder. Dit maakt het onwenselijk dat één van de dochters de financiële belangen van de moeder behartigt. Bovendien werkt [dochter 1] de bewindvoerder bewust tegen. Verder speelt mee dat [dochter 1] gemachtigd is als “gewaarborgde hulp”. Zij dient vanuit deze rol de zorg voor de moeder te regelen en voor de verantwoording van het PGB te zorgen. [dochter 1] treedt zelf op als zorgverlener, net als twee dochters van [dochter 1] . Zij worden vanuit het PGB betaald. Als [dochter 1] naast deze rollen ook nog wordt benoemd tot bewindvoerder, brengt dit een risico op belangenverstrengeling met zich mee. Daarbij vindt de bewindvoerder het zorgelijk dat [dochter 1] tweemaal binnen een maand de overeenkomst met een zorgverlener heeft opgezegd. De voorkeur van de moeder voor een bewindvoerder van Hindoestaanse afkomst is begrijpelijk, maar volgens de bewindvoerder niet noodzakelijk om de vermogensrechtelijke belangen te kunnen behartigen. Het (inhoudelijke) contact zal namelijk via de inmiddels benoemde (Hindoestaanse) mentor verlopen. De bewindvoerder wil graag een vertrouwensrelatie opbouwen met de moeder, maar krijgt daartoe geen enkele kans. De bewindvoerder heeft hierdoor bijvoorbeeld niet direct een passend weekbudget kunnen vaststellen, omdat de moeder en [dochter 1] doelbewust ieder overleg uit de weg zijn gegaan.

10. Het hof overweegt allereerst dat de moeder ter zitting van het hof niet werd bijgestaan door een tolk in de Hindoestaanse taal (‘Sarnami’). Ook was de advocaat van de moeder de eerste helft van de zitting (met bericht) niet bij de mondelinge behandeling aanwezig. Het hof heeft om die reden de moeder voorafgaand aan de inhoudelijke mondelinge behandeling alleen gehoord, om zo een inschatting te kunnen maken of de moeder de mondelinge behandeling zelfstandig zou kunnen begrijpen. De moeder heeft het hof tijdens dit gesprek te kennen gegeven zelf in staat te zijn de mondelinge behandeling bij te wonen. Ook heeft zij duidelijk haar wens ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder kenbaar gemaakt en heeft zij meerdere malen benadrukt dat de inhoudelijke mondelinge behandeling, ondanks de afwezigheid van een tolk in de Hindoestaanse taal, doorgang moest hebben.

11. Het hof overweegt ten aanzien van de persoon van de bewindvoerder als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting, is het aan het hof duidelijk geworden dat er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen [dochter 1] en [dochter 2] . De moeder heeft aan het hof aangegeven daarvan veel last te hebben en het moeilijk te vinden om tussen haar dochters in te staan. De beide dochters zijn verder betrokken bij hun moeder. [dochter 1] vervult bovendien meerdere rollen in en rond de zorg voor de moeder. Als “gewaarborgde hulp” bij het PGB neemt zij namens de moeder beslissingen over de inzet van zorg en het voeren van de PGB-administratie en daarnaast treedt zij zelf op als één van de zorgverleners. De kosten die zij hiervoor maakt, evenals de kosten van andere zorgverleners (waaronder twee kleindochters van de moeder; dochters van [dochter 1] ) worden uit het PGB betaald. Naar het oordeel van het hof verdient het de aanbeveling om, gelet op de aard van de zaak en de veelomvattendheid van de taken van [dochter 1] als (gewaarborgde) hulp voor haar moeder, de zorg te scheiden van het te voeren bewind. Door een derde tot bewindvoerder te benoemen, kan een mogelijke belangenverstrengeling immers worden voorkomen. Naar het oordeel van het hof is het in dit kader bovendien belangrijk dat [dochter 1] , nu zij verantwoordelijk is voor de wijze waarop met het PGB-budget wordt omgegaan en welke hulp er voor de moeder wordt ingezet, samenwerkt met de bewindvoerder en de bewindvoerder inzage geeft in de door haar gemaakte zorgkeuzes. De bewindvoerder houdt immers toezicht op de inkomsten en uitgaven van de moeder en is in die zin ook verantwoordelijk voor de besteding van het PGB-budget. Ter zitting is gebleken dat deze samenwerking nog altijd moeizaam verloopt.

12. Het hof overweegt verder dat de bezwaren van de moeder ten aanzien van de huidige bewindvoerder, zo die al als gehandhaafd moeten worden beschouwd, met name lijken gestoeld op het feit dat de bewindvoerder in de brievenbus van de moeder heeft gekeken en de post van de moeder heeft geopend. Het hof heeft de moeder ter zitting uitgelegd dat de bewindvoerder, om haar taken goed uit te kunnen voeren, een beeld moest hebben van de financiële situatie van de moeder en daarom bepaalde brieven heeft geopend. Het gebruikmaken van een verhuisservice om de voor de bewindvoering noodzakelijke post te kunnen bekijken, was in de onderhavige situatie noodzakelijk nu de moeder en [dochter 1] niet met de bewindvoerder wilden meewerken en ieder contact afhielden. Alleen wanneer de moeder en de beide dochters bereid zijn om de samenwerking met de bewindvoerder aan te gaan, kunnen er voor alle partijen realistische en haalbare afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld met betrekking tot een voor de moeder vast te stellen weekbudget.

13. Nu de moeder nadrukkelijk heeft uitgesproken dat zij niet wenst dat één van haar dochters tot bewindvoerder wordt benoemd en het hof [dochter 1] vanwege haar positie als gewaarborgde hulp bovendien niet geschikt acht als bewindvoerder, [dochter 2] bezwaar heeft gemaakt tegen de benoeming van de mentor tot bewindvoerder en niemand anders zich verder als bewindvoerder bereid heeft verklaard, ligt enkel de benoeming van de huidige bewindvoerder voor. Het hof merkt hierbij op dat de huidige bewindvoerder ook de kans verdient om de zaak op te kunnen pakken en dat niet is gebleken dat zij hiertoe niet in staat is. Bovendien heeft de huidige bewindvoerder ter zitting aangegeven bereid te zijn het bewind voort te zetten. Het hof zal om die reden de bestreden beschikking bekrachtigen.

14. Ten aanzien van het verzoek van [dochter 1] tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking, overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat [dochter 1] bij dit verzoek geen belang meer heeft, omdat het hof in de onderhavige beschikking een inhoudelijke beslissing geeft op het hoger beroep in de zaken met zaaknummers 200.235.819/01 en 200.235.817/01. Het hof zal dit verzoek daarom afwijzen.

15. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof, in de zaken met zaaknummers 200.235.819/01, 200.235.817/01 en 200.235.817/02:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het verzoek van [dochter 1] tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, I. Obbink-Reijngoud en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. R.R. Warmerdam als griffier, en is op 19 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.