Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2615

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
200.200.524/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; beroep op verzwijging; voldoet de vraagstelling naar het strafrechtelijk verleden aan de eisen van art. 7:928 lid 5 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.200.524/02

Rolnummer rechtbank : C/10/447594 / HA ZA 14-336

arrest van 25 september 2018

inzake

ASTARTE B.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: Astarte,

advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk,

tegen

1. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ

N.V.,

gevestigd te Den Haag,

advocaat: mr. A. Youssuf te Den Haag,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

3. ZICHT B.V.,

gevestigd te Den Bosch,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

geïntimeerden,

hierna te noemen: NN, [geïntimeerde 2] en Zicht, en de laatste twee gezamenlijk: [geïntimeerde 2] c.s..

Het geding

Bij dagvaardingen van 15, 18 en 19 juli 2016 is Astarte in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2015 en 20 april 2016. Astarte heeft in haar memorie van grieven (met producties) 10 grieven tegen de vonnissen van de rechtbank aangevoerd, die NN en [geïntimeerde 2] c.s. bij (afzonderlijke) memories van antwoord (met producties) hebben bestreden. Ter terechtzitting van 7 mei 2018 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht, aan de hand van pleitnotities. Van de pleidooizitting is een proces-verbaal opgemaakt. Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 22 april 2015 een aantal feiten vastgesteld, waarvan de juistheid in hoger beroep niet is bestreden. Mede met inachtneming daarvan gaat het hof uit van de volgende feiten:

a. Astarte exploiteert een in- en verkoop- en reparatiebedrijf van auto's, in het

bijzonder auto's die zij aankoopt in de Verenigde Staten en invoert en verkoopt in

Nederland. Astarte exploiteert haar bedrijf vanuit een bedrijfspand te Vierpolders (hierna: het bedrijfspand).

De heer [naam] (hierna: [directeur/bestuurder] ) was statutair directeur/bestuurder van Astarte. Hij is op 17 april 2017 overleden.

b) Tussen Nationale Nederlanden en Astarte was vanaf 11 december 2006 een

garageverzekering van kracht en vanaf 20 december 2007 een ZekerheidsCombinatie Bedrijven-pakketverzekering (hierna: ZCB-pakket), waarin aanvankelijk opgenomen waren een inventaris- en goederenverzekering en bedrijfsschadeverzekering. Per 16 juli 2008 is aan het ZCB-pakket toegevoegd een geldverzekering en per 26 augustus 2008 een milieuschadeverzekering. Het ZCB-pakket is per 1 september 2009 nogmaals uitgebreid met een verzekering van het huurdersbelang.

De betreffende verzekeringen zijn tot stand gekomen na bemiddeling door (de

rechtsvoorganger van) Zicht. Zicht werd daarbij vertegenwoordigd door

assurantietussenpersoon [geïntimeerde 2] .

Op het aanvraagformulier voor de ZCB-pakketverzekering, dat door Zicht bij

Nationale Nederlanden is ingediend op 26 september 2007, is de vraag:

"Is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie ter zake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf"

met "nee" beantwoord. Voorafgaand aan de vraag staat vermeld:

"Bij deze vragen dienen feiten vermeld te worden over de voorgeschiedenis van de aanvragen/het bedrijf/en of andere personen van wie het belang wordt meeverzekerd op deze verzekering, die zijn voorgevallen in de laatste acht jaar; en indien er sprake is van een rechtspersoon tevens van de statutair directeur(en)/bestuurder(s) van de rechtspersoon; de aandeelhouder(s) met een belang van 33,3% of meer en - zo deze zelf een rechtspersoon is (zijn) - de statutair directeur(en)/bestuurders daarvan."


Op het aanvraagformulier van de garageverzekering, dat op 27 februari 2007 door of

namens [directeur/bestuurder] is ondertekend, is eenzelfde vraag, voorafgegaan door eenzelfde toelichting,

eveneens met "nee" beantwoord.

d) In de nacht van 29 op 30 maart 2010 is brand ontstaan in het bedrijfspand,

waardoor het pand met toebehoren en de daarin aanwezige goederen, inventaris en auto's

totaal verloren is gegaan. Tevens zijn een aantal buiten het bedrijfspand (op het terrein van Astarte) staande auto's in meer of mindere mate beschadigd door de brand, rook en/of bluswater.

Nationale Nederlanden heeft vervolgens onderzoeksbureau CED Forensic B.V. (hierna:

CED) ingeschakeld voor het doen van tactisch en technisch onderzoek naar het ontstaan van de brand. Het onderzoek heeft uitgewezen dat er sprake is geweest van brandstichting.

e) Op 19 mei 1998 heeft de Hoge Raad een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 september 1996 bekrachtigd, waarin [directeur/bestuurder] was veroordeeld voor "opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", zulks in de periode van 1 februari 1991 tot en met november 1992, tot een gevangenisstraf van 14 maanden (waarvan 140 dagen voorwaardelijk). [directeur/bestuurder] heeft de gevangenisstraf ter zake deze veroordeling uitgezeten van september 1999 tot april 2000.

Verder is [directeur/bestuurder] vervolgd in verband met verdenking van fiscale fraude met omzetbelasting in de jaren 2000 tot en met 2004. Uit de stukken blijkt ter zake de volgende gang van zaken:

- doorzoekingen op 22 maart 2007

- verhoren in mei 2007

- sluiting p-v O/OPV/01 op 10 september 2007

- sluiting p-v 1/OPV/Ol op 14 september 2007

- dagvaarding voor de MK; 9 maart 2010

f) Bij brief van 29 april 2011 heeft Nationale Nederlanden met een beroep op artikel

7:928, 7:929 lid 2 en 7:930 lid 4 en 5 BW de polissen opgezegd en een uitkering onder de polissen geweigerd. De gegevens van [directeur/bestuurder] en Astarte zijn opgenomen in het incidentenregister van Nationale Nederlanden. Het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV) van het Verbond van Verzekeraars is van deze opname op de hoogte gesteld en de afwijzing is verwerkt in het Centraal Informatiesysteem (hierna: CIS) van de in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen.

2. Astarte vordert in deze procedure, kort en zakelijk weergegeven, dat NN op grond van de door Astarte bij NN gesloten verzekeringen wordt veroordeeld tot betaling van de door haar geleden brandschade tot een bedrag van € 3.070.789,00, en tot het verwijderen van de registratie van Astarte uit de interne en externe incidentenregisters. Voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen op NN worden afgewezen, vordert Astarte dat [geïntimeerde 2] c.s. worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van de brandschade, op grond van een tekortschieten in de zorgplicht bij het (niet) invullen van het strafrechtelijk verleden van [directeur/bestuurder] op de aanvraagformulieren voor de garageverzekering en de ZCB-pakketverzekering.
De rechtbank heeft alle vorderingen van Astarte afgewezen. Astarte is hiervan in hoger beroep gekomen.

De vorderingen van Astarte jegens NN

3. Grief I klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag van NN op het aanvraagformulier: "Is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie ter zake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf" voldoet aan het wettelijk criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ van art. 7:928 lid 5 BW. De grieven II en III sluiten hierop aan, en bevatten de klachten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Astarte rechtens had moeten begrijpen dat NN met deze vraag bedoelde dat zij geïnformeerd wilde worden:
- over een detentie van [directeur/bestuurder] in 1999/2000 voor een veroordeling van het Gerechtshof uit 1996 die in 1998 door de Hoge Raad was bekrachtigd (grief II), en
- over een doorzoeking door de FIOD in maart 2007 en een verhoor van [directeur/bestuurder] in mei 2007 (grief III).
Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

4. Het hof verwerpt de grief dat de vraagstelling op het aanvraagformulier van NN naar het strafrechtelijk verleden niet voldoet aan de eisen van art. 7:928 lid 5 BW, en dat NN zich om die reden niet op verzwijging kan beroepen, en overweegt in dit verband het volgende.

5. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:928 lid 5 BW (Kamerstukken II 1999/2000 nr. 19529, Nota van wijziging, nr. 5) blijkt dat de wetgever algemene en ruim geformuleerde vragen van een verzekeraar naar het strafrechtelijk verleden van een verzekeringnemer, onwenselijk achtte. De reden hiervoor was dat het voor een verzekeringnemer in veel gevallen onduidelijk kan zijn wat onder het strafrechtelijk verleden moet worden verstaan, terwijl een beroep van een verzekeraar op verzwijging ingrijpende gevolgen heeft. Om dit probleem weg te nemen is in artikel 7:928 lid 5 BW tot uitdrukking gebracht dat de verzekeringnemer alleen verplicht is feiten omtrent het strafrechtelijk verleden mee te delen voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen.

6. Uit de vraagstelling van NN naar het strafrechtelijk verleden van onder meer de bestuurder(s) van verzekeringnemer, waaronder in dit geval [directeur/bestuurder] , blijkt dat NN op de hoogte wenste te worden gesteld van alle misdrijven, met inbegrip van de verdenking daarvan, waarvoor [directeur/bestuurder] gedurende de laatste acht jaar in aanraking was gekomen met politie of justitie. Het hof is van oordeel dat sprake is van een ruime en algemeen geformuleerde vraagstelling, die bij een verzekeringnemer onder omstandigheden kan leiden tot misverstanden, nu de vraagstelling niet is beperkt tot bepaalde soorten misdrijven en evenmin duidelijk wordt wat wordt bedoeld met de term “aanraking met politie of justitie”, terwijl het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen ook niet voor iedere burger duidelijk zal zijn.

7. Naar het oordeel van het hof brengt lid 5 van artikel 7:928 BW, dat gelezen moet worden in samenhang met lid 1, echter nog niet mee dat een verzekeraar zich in geen enkel geval kan beroepen op verzwijging indien de vraagstelling naar het strafrechtelijk verleden als onvoldoende concreet en specifiek moet worden aangemerkt. Een dergelijke vergaande sanctie is niet in artikel 7:928 BW vermeld. Wel is in een situatie als deze naar het oordeel van het hof een terughoudende toetsing op zijn plaats, in die zin dat beoordeeld moet worden of er bij de verzekeringnemer redelijkerwijs enig misverstand over kon bestaan of hij een bepaald strafbaar feit diende te melden. Grief I wordt daarmee verworpen.

8. Wat betreft de detentie van [directeur/bestuurder] in 1999/2000 is het hof van oordeel dat Astarte (in de persoon van [directeur/bestuurder] ) redelijkerwijs niet behoefde te begrijpen dat NN hierover geïnformeerd wenste te worden. De detentie in 1999/2000 vloeide voort uit een veroordeling in hoger beroep uit 1996 die in 1998 was bekrachtigd door de Hoge Raad, welke laatste twee data vallen buiten de achtjaarstermijn als genoemd in de vraagstelling, en de strafbare feiten waarop de veroordeling betrekking hebben dateren van nog langer geleden. Dat NN onder “aanraking met politie/justitie” ook de uitvoering van een eerder opgelegde gevangenisstraf verstaat, hoefde [directeur/bestuurder] niet te begrijpen. Het hof weegt in dit verband mee dat iemand die strafrechtelijk veroordeeld is tot een gevangenisstraf in zijn algemeenheid weinig of geen invloed kan uitoefenen op het moment waarop de opgelegde straf wordt uitgevoerd. Dit kan leiden tot een onevenredig lange periode waarin deze persoon dit zou moeten melden bij een verzekeraar en daarmee tot rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid.

9. De doorzoeking door de FIOD in maart 2007 en het verhoor van [directeur/bestuurder] in mei 2007 betreffen echter feiten ter zake van de verdenking van het plegen van een misdrijf, waarover bij Astarte (in de persoon van [directeur/bestuurder] ) redelijkerwijs geen misverstand heeft kunnen bestaan dat NN hiervan op de hoogte wenste te worden gesteld. De eerdere strafrechtelijke vervolging van [directeur/bestuurder] voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank en vervolgens het gerechtshof en de Hoge Raad, die heeft geleid tot de detentie van [directeur/bestuurder] in 1999/2000, betrof immers soortgelijke (fiscale) misdrijven als die waarop de doorzoeking door de FIOD en het verhoor van [directeur/bestuurder] in 2007 zagen. [directeur/bestuurder] wist door zijn eerdere strafrechtelijke vervolging en detentie dat fiscale fraude een misdrijf is waarvoor men strafrechtelijk veroordeeld kan worden, en dat onder “politie/justitie” dus ook de FIOD valt. Op het moment van het invullen van de vragenlijst voor de ZCB-pakketverzekering op 26 september 2007 was [directeur/bestuurder] ervan op de hoogte dat hij (opnieuw) werd verdacht van fiscale fraude. De doorzoeking en het verhoor hadden immers nog niet lang daarvoor plaatsgevonden. Astarte heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan [directeur/bestuurder] er in september 2007 van mocht uitgaan dat deze verdenking niet meer bestond. Dat de verdenking volgens [directeur/bestuurder] onterecht was en dat de FIOD “slechts” drie ordners had meegenomen na de doorzoeking, is onvoldoende om te concluderen dat er bij [directeur/bestuurder] bij het invullen van het vragenformulier voor de ZCB-pakketverzekering redelijkerwijs enig misverstand heeft kunnen bestaan over de vraag of hij deze verdenking moest vermelden. Ook de stelling van Astarte dat [directeur/bestuurder] van de misdrijven waarvan hij in 2007 werd verdacht uiteindelijk in hoger beroep grotendeels is vrijgesproken en slechts een voorwaardelijke taakstraf opgelegd heeft gekregen, brengt dit niet mee.

10. Het voorgaande betekent dat de grieven I en III worden verworpen, en dat grief II slaagt. Voor zover het beroep van NN op verzwijging ziet op de garageverzekering, waarvoor het aanvraagformulier in februari 2007 is ingevuld, wordt dit beroep dus verworpen. Wat betreft de ZCB-pakketverzekering echter is het hof van oordeel dat Astarte (in de persoon van [directeur/bestuurder] ) op het aanvraagformulier ten onrechte niet heeft vermeld dat hij werd verdacht van het plegen van een fiscaal misdrijf, waarvoor in maart 2007 een doorzoeking door de FIOD had plaatsgevonden en [directeur/bestuurder] in mei 2007 was verhoord.

11. Grief IV klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte het verweer van Astarte niet heeft gevolgd, inhoudende dat NN de ZCB-verzekering is aangegaan zonder een daartoe door Astarte gedateerd en (bevoegdelijk) ondertekend aanvraagformulier, op grond waarvan NN geen beroep op schending van de mededelingsplicht toekomt. Ook deze grief wordt verworpen. De stelling dat een aanvraagformulier moet zijn gedateerd voor een beroep van de verzekeraar op schending van de mededelingsplicht, vindt geen steun in het recht. Ook het verweer dat het aanvraagformulier is ondertekend door de secretaresse/ administratief medewerkster [A] , die slechts haar handtekening heeft gezet op de plaats die bestemd is voor de machtiging voor automatische afschrijving van de premie, en die bovendien niet bevoegd was om namens Astarte een verzekeringsovereenkomst aan te vragen, kan niet slagen. Vast staat dat NN op basis van het aanvraagformulier de verzekeringsaanvraag van Astarte heeft geaccepteerd. NN mocht er daarbij redelijkerwijs van uit gaan dat [A] haar handtekening, vergezeld van het bedrijfsstempel van Astarte, per ongeluk op de verkeerde plaats (namelijk: niet op de plaats die bestemd was voor de ondertekening maar vlak daaronder, op de plaats bestemd voor het afgeven van een machtiging voor automatische incasso) op het formulier had gezet. Van een daadwerkelijke machtiging voor automatische afschrijving van de premie was immers geen sprake, de premie werd geïncasseerd via de tussenpersoon en op het formulier zijn geen nadere gegevens ingevuld die nodig zijn voor het verlenen van een machtiging, zoals het bankrekeningnummer en de tenaamstelling. [A] heeft in haar getuigenverklaring ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor ook verklaard dat zij de verzekering heeft aangevraagd, en de assurantietussenpersoon [geïntimeerde 2] , met wie zij het formulier heeft ingevuld, heeft haar handtekening kennelijk eveneens in die zin opgevat. In het midden kan blijven of het niet vermelden van de informatie over het strafrechtelijk verleden van [directeur/bestuurder] op het aanvraagformulier is gebeurd door [A] of door [geïntimeerde 2] , omdat deze informatie moet worden toegerekend aan de verzekeringnemer namens wie de verzekering wordt aangevraagd. Wat betreft de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] overweegt het hof dat NN er terecht op wijst dat Astarte de rechtsgeldige totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst voor het ZCB-pakket niet betwist, en in deze procedure zelfs nakoming daarvan vordert. De stelling van Astarte dat [A] niet bevoegd was om namens haar een verzekering aan te vragen, is daarmee onverenigbaar.

12. Grief V betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het niet mededelen van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden nimmer relevant is voor de vraag of sprake is van opzet in de zin van (bijvoorbeeld) de artikelen 7:928 lid 6 jo. 7:930 lid 5 BW. Deze artikelleden missen, aldus de grief, toepassing indien het gaat om feiten omtrent het strafrechtelijk verleden. Grief VI sluit hierop aan en betoogt dat, voor zover grief V niet zou slagen, de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Astarte het strafrechtelijk verleden bewust niet op de aanvraagformulieren heeft vermeld en dat er sprake is van opzet (artikel 7:930 lid 5 BW).

13. Het hof overweegt dat er sprake is van opzet tot misleiding indien een verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (ECLI:NL:HR:2016:507). De stelling dat van opzet tot misleiding geen sprake kan zijn als het gaat om feiten omtrent het strafrechtelijk verleden, vindt geen steun in het recht. Grief V wordt daarmee verworpen. Anders dan de rechtbank is het hof echter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er bij het niet meedelen van de relevante strafrechtelijke gegevens in het aanvraagformulier van de ZCB-verzekering sprake is geweest van opzet tot misleiding. Uit de stellingen van NN kan niet worden afgeleid dat [A] , die betrokken is geweest bij het invullen van het aanvraagformulier voor het ZCB-pakket, bij het niet melden van het strafrechtelijk verleden van [directeur/bestuurder] heeft gehandeld met de bedoeling NN ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Hiervoor is immers niet alleen nodig dat zij er zich van bewust was dat de inval van de FIOD en het verhoor van [directeur/bestuurder] gemeld moesten worden, én dat het vermelden van die feiten mogelijk zou leiden tot het niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, accepteren door NN van de verzekeringsaanvraag, maar ook dat zij deze strafrechtelijke feiten opzettelijk niet heeft gemeld met de bedoeling om NN te bewegen om toch een verzekeringsovereenkomst aan te gaan, althans één op de gebruikelijke voorwaarden. De aanwezigheid van een dergelijk bewustzijn en een dergelijke bedoeling bij [A] is niet gesteld en ook niet gebleken. Wat betreft [directeur/bestuurder] overweegt het hof dat er geen aanwijzingen zijn dat hij actief bij de aanvraag van de ZCB-verzekering betrokken is geweest, zodat hem reeds daarom geen opzet tot misleiding ten aanzien van deze verzekering verweten kan worden. De omstandigheden dat [directeur/bestuurder] op eerdere (wel door hem ondertekende) aanvraagformulieren voor andere verzekeringen zijn strafrechtelijk verleden evenmin heeft vermeld, en ook op een vraag van het onderzoeksbureau CED Forensic (CvA NN, prod. 9) heeft verklaard dat hij in de 10 jaar voorafgaande aan de ingangsdatum van de ZCB-verzekering niet met politie en/of justitie in aanraking was geweest ter zake van een vermogens- of gewelds- of verkeersmisdrijf, zijn onvoldoende om opzet tot misleiding van [directeur/bestuurder] met betrekking tot de ZCB-verzekering aan te nemen. Onbekend is hoe de wel door [directeur/bestuurder] ondertekende aanvraagformulieren voor de andere verzekeringen tot stand zijn gekomen, en wat er door de assurantietussenpersoon bij het invullen van deze formulieren met [directeur/bestuurder] is besproken met betrekking tot de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden. Dat [directeur/bestuurder] de strafrechtelijke feiten opzettelijk niet heeft ingevuld in het bewustzijn dat het wel vermelden zou leiden tot een afwijzing althans aangepaste acceptatie door NN van de verzekering, en met de bedoeling om NN te bewegen om toch een verzekering op de gebruikelijke voorwaarden te sluiten, is niet komen vast te staan. Grief VI slaagt.

14. Uit het slagen van grief VI volgt dat artikel 7:930 lid 5 BW toepassing mist. Gelet op de stellingen die partijen in deze procedure hebben ingenomen, betekent dit dat beoordeeld moet worden of is voldaan aan artikel 7:930 leden 2 en/of 4 BW. Hierop zien de grieven VII en VIII. Het hof overweegt hierover het volgende.

15. Het hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de strafbare feiten van [directeur/bestuurder] waar het in deze procedure om gaat (kort gezegd: verdenking van belastingfraude) van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico, zoals dit zich heeft verwezenlijkt (het brandrisico). Het plegen van belastingfraude zegt iets over de moraliteit van [directeur/bestuurder] . Bij brandverzekeringen kunnen verzekeraars worden geconfronteerd met brandschades die aanleiding geven tot twijfel over de juiste hoogte ervan dan wel over de oorzaak van het ontstaan van de brand en de rol van de verzekeringnemer daarbij. De moraliteit van een aspirant-verzekeringnemer is daarom voor een brandverzekeraar van belang voor de beoordeling van het risico. Het beroep van Astarte op artikel 7:930 lid 2 BW wordt daarmee verworpen.

16. NN heeft zich beroepen op artikel 7:930 lid 4 BW, en heeft aangevoerd dat zij, als zij op de hoogte was geweest van de FIOD-inval in maart 2007 en het verhoor van [directeur/bestuurder] in mei 2007, als redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet zou hebben gesloten. Daarbij heeft zij gewezen op haar eigen beleidsregels. Astarte heeft dit gemotiveerd betwist, en heeft gesteld dat zij na de brand een nieuwe verzekering heeft aangevraagd bij Delta Lloyd, waarbij zij alle gegevens over het strafrechtelijke verleden van [directeur/bestuurder] heeft vermeld, waarna Delta Lloyd haar vervolgens zonder problemen heeft geaccepteerd. Het hof overweegt hierover het volgende.

17. NN heeft aangevoerd dat uit haar eigen beleidsregels volgt dat zij Astarte niet als verzekeringnemer zou hebben geaccepteerd als zij op de hoogte was geweest van het strafrechtelijk verleden van [directeur/bestuurder] . Daarbij heeft NN opgemerkt dat deze beleidsregels in overeenstemming zijn met het beleid van een redelijk handelend verzekeraar. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Astarte op dit punt, en op het feit dat gesteld noch gebleken is dat Astarte op de hoogte was van de beleidsregels van NN, zal het hof NN toelaten te bewijzen dat zij, als redelijk handelend verzekeraar, de verzekering niet zou hebben gesloten als zij op de hoogte was geweest van de verdenking jegens [directeur/bestuurder] van het plegen van belastingfraude en de daarmee samenhangende FIOD-inval in maart 2007 en het verhoor van [directeur/bestuurder] in mei 2007. De beslissing in de zaak tegen NN wordt, in afwachting van de bewijslevering, aangehouden.


De vorderingen van Astarte jegens [geïntimeerde 2] c.s.

18. De grieven IX en X richten zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van Astarte jegens [geïntimeerde 2] c.s. De grieven klagen er gezamenlijk over dat de rechtbank ten onrechte Astarte heeft belast met het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde 2] jegens haar is tekortgeschoten met betrekking tot zijn zorgplicht ten aanzien van het juist en volledig invullen van het vragenformulier, en dat de rechtbank vervolgens ten onrechte heeft geoordeeld dat Astarte niet in dat bewijs was geslaagd.

19. Het hof overweegt dat de rechtbank Astarte terecht heeft belast met het bewijs van de door haar gestelde zorgplichtschending door [geïntimeerde 2] . Indien en voor zover NN slaagt in het door haar te leveren bewijs, en de vorderingen van Astarte jegens NN worden afgewezen, komt het hof toe aan de verdere beoordeling van de vorderingen van Astarte op [geïntimeerde 2] c.s. In afwachting van de eindbeslissing in de zaak tegen NN wordt elke verdere beslissing in de zaak tegen [geïntimeerde 2] c.s. aangehouden.

Beslissing

Het hof:

In de zaak tegen NN:

  • -

    laat NN toe te bewijzen dat zij, als redelijk handelend verzekeraar, de ZCB-pakketverzekering niet zou hebben gesloten als zij op de hoogte was geweest van de verdenking jegens [directeur/bestuurder] van het plegen van belastingfraude en de daarmee samenhangende FIOD-inval in maart 2007 en het verhoor van [directeur/bestuurder] in mei 2007;

  • -

    bepaalt dat, indien NN getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op vrijdag 11 januari 2019 om 9.00 uur;

  • -

    bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden januari tot en met februari 2019, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

In de zaak tegen NN en tegen [geïntimeerde 2] c.s.:

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, D. Wachter en W.H. van Boom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.