Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2603

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
22-004151-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schiedamse zedenzaak: veroordeling voor seks tegen betaling met een minderjarig meisje in een kelderbox van flatgebouw (248b Sr). Het meisje werd seksueel uitgebuit door een mensenhandelaar (273f Sr). Oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uitgebreide strafmotivering: o.a. eigen verantwoordelijkheid prostituant m.b.t. controle leeftijd prostituee (onderzoeksplicht leeftijd). Tijdsverloop. Toewijzing vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 700,- aan immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004151-15

Parketnummer: 10-751019-15

Datum uitspraak: 4 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 september 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op

19 september en 24 september 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis is vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 mei 2014 te Schiedam, althans in Nederland,

ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [aangeefster] (geboren: [geboortedag]), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt,

welke ontucht bestond uit het:

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [aangeefster].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 mei 2014 te Schiedam, althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [aangeefster] (geboren [geboortedag]), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht bestond uit het:

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [aangeefster].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte – op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnota - dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Verweer inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en [medeverdachte]

De raadsman heeft onder meer betoogd dat de verklaringen van aangeefster en van [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn en daardoor niet gebruikt mogen worden voor het bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft op 26 november 2014 bij de politie verklaard (p. 284 e.v.) dat hij rond 13 mei 2014 naar het adres in Schiedam is gereden om betaalde seks te hebben met een prostituee, maar dat hij geen seks met haar heeft gehad omdat hij de situatie in het portiek niet vertrouwde en is weggegaan.

In het dossier bevindt zich een foto genummerd 18 waarop de verdachte staat afgebeeld.

Aangeefster heeft op 21 februari 2015 (p. 29 e.v.) tegenover de politie verklaard dat de man op foto 18

die klootzak is die commentaar op haar huid had en die zei dat zij daar iets aan moest doen. Voorts heeft zij verklaard dat zij seks met die klant heeft gehad en dat die man bij [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ging klagen omdat hij zijn geld terug wilde hebben nu hij niet was klaargekomen.

Aangeefster is naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de verdediging op 26 februari 2018 gehoord als getuige bij de politie. Met betrekking tot de hierboven beschreven man heeft zij onder meer verklaard dat de afspraak via [medeverdachte] tot stand is gekomen, dat [medeverdachte] en [medeverdachte] hem naar de kelderbox hebben gebracht en dat zij zich waardeloos behandeld voelde door hem. Zij heeft voorts herhaald dat zij seks met de man heeft gehad en dat de man zijn geld terug wilde.

[Medeverdachte] heeft op 10 maart 2015 bij de politie verklaard (p. 362 e.v.) dat [aangeefster] op 12 mei 2014 en in de nacht van 12 op 13 mei 2014 in de kelderbox in de prostitutie gewerkt heeft en dat een (kale) man genaamd [verdachte] (wiens naam hij kende omdat hij beschikte over het dossier en aan de hand van de foto’s de namen van de personen wist) de laatste klant is geweest die seks met aangeefster heeft gehad. Voorts heeft hij verklaard dat het die grappenmaker was die zijn geld terug wilde hebben omdat hij niet was klaar gekomen tijdens de seks met aangeefster.

Bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte] op

27 oktober 2017 verklaard dat hij weet dat [verdachte] seks met aangeefster heeft gehad omdat hij dat van beide partijen had vernomen.

De verklaringen van zowel aangeefster als [medeverdachte] zijn naar het oordeel van het hof voor wat betreft de voor het bewijs gebezigde onderdelen van hun verklaringen voldoende consistent en betrouwbaar om tot het bewijs gebezigd te worden. Daarbij heeft het hof in het bijzonder betrokken dat de genoemde onderdelen van hun respectievelijke verklaringen steun vinden in elkaar en voor wat betreft (het tijdstip van) de aanwezigheid van de verdachte ter plekke daarnaast bevestiging vinden in de verklaring van de verdachte zelf en de historische verkeersgegevens met betrekking tot zijn telefoon.

Het hof verwerpt het verweer.

Verweer inzake het ontbreken van een effectieve mogelijkheid tot ondervraging van aangeefster

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om aangeefster als getuige te ondervragen en dat die verklaring daarom niet voor het bewijs gebezigd mag worden (pleitnota, p. 7, punt 3a).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het dossier bevindt zich een schriftelijke uitwerking van het verhoor van aangeefster in een letterlijke vraag en antwoord weergave. Voorts heeft de raadsheer-commissaris een proces-verbaal van bevindingen opgesteld met betrekking tot haar constateringen ten aanzien van de gang van zaken van dit verhoor van aangeefster.

Het hof stelt op grond van het voorgaande het volgende vast.

Hetgeen door de verdachte wordt betwist, te weten dat hij seks heeft gehad met aangeefster, is aan de orde geweest tijdens het verhoor en de vragen die daarmee verband hielden zijn door de aangeefster beantwoord. Zij heeft voorts onder meer vragen beantwoord over de aanloop naar het hebben van seks en over hetgeen daarna is voorgevallen, alsmede een groot aantal vragen met betrekking tot andere onderdelen van haar eerdere verklaringen.

Weliswaar heeft de raadsheer-commissaris opgemerkt dat het verhoor van aangeefster ‘enigszins gemankeerd’ is verlopen, zij stelt echter vast dat uiteindelijk alle op voorhand aan de politie toegezonden vragen zijn gesteld, terwijl voorts tweemaal een regiemoment is ingelast teneinde de raadsheer-commissaris, de raadslieden en het openbaar ministerie de gelegenheid te geven om enkele verduidelijkende en aanvullende vragen te formuleren, die vervolgens ook aan aangeefster zijn gesteld.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2018 – onweersproken door de raadsman - medegedeeld dat zij op 26 februari 2018 bij het verhoor van aangeefster aanwezig is geweest en dat de raadsman aan het einde van dat verhoor heeft aangegeven geen vragen meer te hebben.

Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de verdediging een effectieve mogelijkheid heeft gehad om aangeefster als getuige te ondervragen.

Voor bewijsuitsluiting zoals bepleit door de verdediging ziet het hof dan ook geen reden.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Verweer inzake de betrouwbaarheid van de fotoconfrontatie

De raadsman heeft betoogd dat de herkenning van de verdachte door aangeefster middel de enkelvoudige fotoconfrontatie onbetrouwbaar is, en daarom niet voor het bewijs gebruikt kan worden (pleitnota, p. 5).

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Geen rechtsregel staat eraan in de weg om - met de daarbij gepaste behoedzaamheid - gebruik te maken voor het bewijs van de verklaring van een getuige die de dader van een strafbaar feit zegt te herkennen op een deze bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto. Anders dan de raadsman is het hof derhalve van oordeel dat de omstandigheid dat aangeefster de verdachte heeft herkend aan de hand van een door de politie getoonde foto van de verdachte in beginsel geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar herkenning. De stellige herkenning van de verdachte door aangeefster vindt bovendien steun in de verklaring van (en herkenning door) [medeverdachte]. De aanwezigheid van de verdachte bij de kelderbox vindt voorts bevestiging in zowel de eigen verklaring van de verdachte als in de historische gegevens van zijn telefoon.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat in het geheel van de bewijsvoering wel degelijk betekenis kan worden toegekend aan de herkenning door aangeefster van de verdachte als één van de mannen met wie zij in de kelderbox seks heeft gehad.

Het hof stelt op grond van de verklaringen van aangeefster, de verklaringen van [medeverdachte], de verklaring van de verdachte en de historische telefoongegevens van de verdachte – in onderling verband en samenhang beschouwd - vast dat de verdachte niet alleen is afgereisd naar Schiedam om daar seks te hebben met aangeefster, maar ook daadwerkelijk seks heeft gehad met aangeefster.

Het hof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij geen seks met aangeefster heeft gehad, omdat hij de situatie in het portiek niet vertrouwde en daarom rechtsomkeert heeft gemaakt, geen geloof. Daarbij verdient opmerking dat de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte passen bij het door aangeefster en [medeverdachte] geschetste scenario, waarin voor de verdachte sprake was van onbevredigende seks. Uit de genoemde verkeersgegevens kan worden afgeleid dat de verdachte maar kort in Schiedam is geweest, maar ze sluiten niet uit dat er in dat tijdsbestek sprake is geweest van seks en een daaropvolgende (korte) discussie over de betaling daarvoor.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks tegen betaling met een minderjarig kind (16 jaar), zoals strafbaar is gesteld in artikel 248b Sr.

Ernst van het feit

De ratio van voornoemde strafbaarstelling is een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming van 16- en 17-jarigen kinderen tegen het zelf verrichten van prostitutiewerkzaamheden en voorts ook de bestrijding van seksuele exploitatie van kinderen.1 Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Het zich prostitueren op deze leeftijd heeft in beginsel veelal grote (psychische) gevolgen voor de minderjarige op de langere termijn en gezien de jeugdige leeftijd kan niet worden verwacht dat de minderjarige de gevolgen ervan altijd tijdig kan overzien. De prostituant die zich schuldig maakt aan seks tegen betaling met een minderjarige in voornoemde leeftijdscategorie maakt zich daarom schuldig aan een ernstig zedendelict.

In de onderhavige zaak is een meisje van 16 jaar slachtoffer geworden van mensenhandel. De dader van dit delict is hiervoor onherroepelijk veroordeeld.

Deze minderjarige heeft op 12 mei 2014 met een aantal mannen in een kelderbox van een flatgebouw tegen betaling seks gehad. Ook de verdachte heeft in de nacht van 12 op 13 mei 2014 tegen betaling gebruik gemaakt van de diensten van het minderjarige slachtoffer. De verdachte is daartoe via een advertentie op de website sexjobs.nl, waarin ten onrechte was vermeld dat de prostituee (net) de meerderjarige leeftijd had bereikt, telefonisch in contact gekomen met haar mannelijke mensenhandelaar en heeft daarop een afspraak gemaakt met deze man. Deze man gaf een straatnaam door aan de verdachte in Schiedam, waar de verdachte de in de advertentie genoemde prostituee zou ontmoeten. Ter plaatse bevond het slachtoffer zich in een vieze kelderbox, onderin een flatgebouw, waar een matras op de grond lag ten behoeve van de te verrichten seksuele diensten.

Het slachtoffer had bovendien een gezwollen onderlip, hetgeen door de verdachte is opgemerkt. Vooraf diende de verdachte de man met wie hij de afspraak had gemaakt te betalen. Dit heeft de verdachte gedaan. De verdachte heeft vervolgens in de kelderbox seks gehad met het minderjarige slachtoffer.

Door onder deze omstandigheden seks te hebben met het jonge slachtoffer heeft hij inbreuk gemaakt op de seksuele lichamelijke integriteit van het slachtoffer, en aldus bijgedragen aan het in stand houden van prostitutie met minderjarigen. Dit moet hem ernstig worden aangerekend.

Onderzoeksplicht met betrekking tot de leeftijd

Prostitutie door meerderjarigen is onder strikte voorwaarden in Nederland legaal. Het valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de prostituant zich ervan te vergewissen dat de prostituee meerderjarig is. Dat klemt te meer wanneer sprake is – zoals in de onderhavige zaak – van bijzondere (situationele) omstandigheden.

Het enkele bevestigende antwoord op de vraag aan een jonge prostituee of hij of zij meerderjarig is, is niet afdoende.

Niet is gebleken dat de verdachte in de onderhavige zaak op enig moment de leeftijd van het slachtoffer daadwerkelijk heeft gecontroleerd. Hij heeft daarmee de in casu op hem rustende onderzoeksplicht verzaakt.

Hij heeft vertrouwd op de juistheid van de op de website vermelde leeftijd. Door echter na te laten de leeftijd van het slachtoffer te controleren, door bijvoorbeeld haar identiteitsbewijs te controleren, heeft de verdachte het risico genomen dat het slachtoffer minderjarig was.

Hij was te meer tot zodanige controle gehouden, omdat hij te maken had met een jong persoon op een voor de prostitutiebranche ongebruikelijke locatie en onder ongebruikelijke en tot de nodige behoedzaamheid nopende omstandigheden.

Persoon van het slachtoffer

Met betrekking tot het slachtoffer stelt het hof vast dat het om een kwetsbaar meisje ging. Blijkens de door het slachtoffer afgelegde slachtofferverklaringen heeft zij als gevolg van hetgeen haar is overkomen te kampen met ernstige, psychische problematiek. Uit haar recente in hoger beroep overgelegde schriftelijke slachtoffer-verklaring blijkt dat zij tot op heden begeleid wordt door een psycholoog van Het Dok. Hoewel het traject bij het Jeugd Interventie Team inmiddels is afgesloten, neemt zij wanneer zij het moeilijk heeft nog steeds contact op met haar voormalige trajectbegeleidster. Het slachtoffer kan zich tot op heden slecht concentreren en heeft ook nog steeds last van slapeloosheid. Zij heeft daarnaast regelmatig last van depressieve gevoelens en leeft met een grote angst voor alle mannen die bij de onderhavige zaak zijn betrokken. Ook haar algehele wantrouwen naar mannen is groot.

Overwegingen betreffende de strafmodaliteit en strafmaat

De strafbaarstelling van deze vorm van jeugdprostitutie in artikel 248b Sr wordt bedreigd met een maximale gevangenisstraf van vier jaar of een geldboete van de vierde categorie dan wel een combinatie van deze straffen.

Voor een aantal type delicten worden binnen de rechtspraak oriëntatiepunten gehanteerd, die een vertrekpunt van denken over de in een concreet geval op te leggen strafmodaliteit en hoogte van de straf bieden. Deze LOVS Oriëntatiepunten voor de straftoemeting zijn met betrekking tot artikel 248b Sr (nog) niet voorhanden. Het Openbaar Ministerie heeft wel Richtlijnen voor strafvordering inzake art. 248b Sr. Deze zijn in werking getreden op een moment gelegen na de bewezenverklaring in de onderhavige strafzaak.2

In aanmerking genomen de ernst van het feit van prostitutie door 16- en 17-jarige kinderen, de kwetsbaarheid van deze slachtoffers juist door hun leeftijd en de negatieve, vaak psychische, gevolgen die een feit als het onderhavige in het algemeen voor het slachtoffer met zich brengen, is het hof van oordeel dat bij een veroordeling wegens overtreding van het bepaalde in artikel 248b Sr bij de bepaling van de straf als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden dient te worden genomen en dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere, lichtere, strafmodaliteit.

In strafverzwarende zin neemt het hof in dit geval in aanmerking de volgende omstandigheden.

Er was sprake van een jong meisje. Het slachtoffer was immers pas 16 jaar. Het lag op de weg van de verdachte – zoals hiervoor uiteengezet - om onderzoek naar de leeftijd van het slachtoffer te doen. Het slachtoffer had bovendien zichtbaar letsel in de vorm van een gezwollen onderlip. Voorts was de locatie van dien aard – een kelderbox van een flatgebouw, een matras op de grond - dat de verdachte onder die omstandigheden zonder meer had moeten afzien van enig seksueel contact met het slachtoffer. Tot slot moest de verdachte niet aan het slachtoffer zelf betalen maar aan een destijds 19-jarige jongen met wie hij het telefonisch contact had gehad; een omstandigheid geheel tegen de gebruikelijke gang van zaken in de legale Nederlandse prostitutiebranche, waarbij aan de prostituee zelf wordt betaald.

De verdachte had hierbij - ook gelet op de overige omstandigheden - grote vraagtekens moeten zetten en niet zijn eigen gerief zwaarder moeten laten wegen.

Het hof neemt het de verdachte bovendien kwalijk dat hij zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

3 september 2018.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden een passende en geboden reactie vormt, zowel uit een oogpunt van vergelding als uit het oogpunt van speciale preventie en generale preventie.

Het hof constateert echter met de advocaat-generaal en de verdediging dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De onderhavige strafzaak heeft enige tijd stilgelegen doordat getuigen in de strafzaken tegen medeverdachten, bij gebreke van een daartoe aangewezen zaaksadvocaat-generaal, niet konden worden gehoord, waardoor er op het moment van de uitspraak in hoger beroep sinds het instellen van het hoger beroep meer dan drie jaren zijn verstreken.

Het hof ziet aanleiding deze overschrijding te verdisconteren in de strafmaat, met dien verstande dat het hof in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, zal opleggen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 700,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 700,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het [aangeefster]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 700,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het [aangeefster].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 248b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [aangeefster] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het [aangeefster], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 oktober 2018.

Mr. S.A.J. van ‘t Hul is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Zie reeds ook: HR 20-01-1959, ECLI:NL:HR:1959:135 en NJ 1959/102 en 103 en Handelingen II 1998/1999, 25 437, nr 45, p. 3114.

2 (2015R054), Staatscourant 2015, 14043, datum van inwerkingtreding: 1 juni 2015.