Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2583

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
22-002327-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in de nacht geprobeerd haar toenmalige echtgenoot in brand te steken. De verdachte heeft het bed waarop het slachtoffer lag te slapen besprenkeld met terpentine en vervolgens een brandende zakdoek naar binnen gegooid en de deur op slot gedraaid. Het slachtoffer is gelukkig in staat geweest het vuur te doven, anders was hij mogelijk op een gruwelijke wijze om het leven gekomen. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Daarnaast levert het handelen van de verdachte brandstichting met gevaar voor goederen en voor personen op.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002327-17

Parketnummer: 10-811251-16

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op 17 januari en 19 september 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 (impliciet primair) en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel is een bijzondere voorwaarde verbonden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft ook hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

-terpentine, althans een brandbare stof over/naar die [slachtoffer] en/of het bed waar die [slachtoffer] in/op lag/zat gegooid/gegoten, en/of

-(vervolgens) een brandende doek in de kamer waarin voornoemde [slachtoffer] zich bevond en/of waarin voornoemd bed stond gegooid, en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer] belemmerd die afgesloten kamer met daarin voornoemd bed met daarop een (inmiddels deels) brandend dekbed/kussen, te verlaten door de deur van die kamer op slot te doen/draaien, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.


zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een (slaap)kamer van voornoemde woning, terpentine, in elk geval een brandbare stof in de richting van een bed gegooid en/of (vervolgens) een brandende doek in de richting van voornoemd bed in die kamer gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die terpentine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of een dekbed en/of een kussen welke op voornoemd bed lag(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

-die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

-levensgevaar voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich op onderdelen daarvan niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

Poging moord

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – een en ander zoals verwoord in zijn schriftelijk requisitoir - op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van poging tot moord.

De advocaat-generaal acht daarbij (onder meer) – evenals de rechtbank – de volgende omstandigheden van belang:

 De zoekslagen met betrekking tot brandstichting (van een persoon) die in de telefoon van de verdachte zijn gevonden;

 Onderzoek dat de verdachte voorafgaand aan de feiten zou hebben gedaan naar mogelijke manieren om het slachtoffer om het leven te brengen;

 De voorbereidingen die door de verdachte zouden zijn getroffen om het slachtoffer om het leven te brengen, waaronder het verwijderen van brandwerende kleding uit zijn slaapkamer;

 De grote hoeveelheid terpentine die door de verdachte is gebruikt;

 Handelingen van de verdachte nadat het slachtoffer uit de slaapkamer had weten te ontkomen, waaronder het opruimen van de terpentine(flessen) en het achterhouden van de telefoon van de verdachte.

Dit alles leidt tot de gevolgtrekking dat de verdachte al geruime tijd van plan was haar echtgenoot om het leven te brengen en dat sprake is van voorbedachte raad, aldus de advocaat-generaal.

De verdachte heeft bekend dat zij midden in de nacht van 11 juli 2016, omstreeks 02.00 uur, brand heeft gesticht in de slaapkamer van haar (toenmalige) echtgenoot, de heer [slachtoffer], terwijl deze daar lag te slapen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij door het slachtoffer jarenlang geestelijk en fysiek is mishandeld, die nacht “in een soort van paniek” was en, zoals ze haar gedrag heeft geduid “op de automatische piloot / als een zombie” heeft gehandeld. De verdachte heeft uitdrukkelijk ontkend dat zij de brandstichting heeft voorbereid.

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, en dat er derhalve geen sprake is geweest van voorbedachte raad om het slachtoffer van het leven te beroven.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

Uit het dossier komt naar voren dat tussen de verdachte en het slachtoffer al lange tijd sprake was van grote spanningen in de huwelijksrelatie. De verdachte heeft verklaard dat zij door het slachtoffer veelvuldig zowel fysiek als geestelijk is mishandeld. De verdachte heeft langdurig in een voor haar stressvolle situatie geleefd. Zij was niet in staat om haar relatie met haar partner en haar positie binnen het gezin te veranderen. Het slachtoffer heeft erkend dat hij de verdachte tijdens hun relatie ongeveer tien keer geslagen heeft (proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 11 juli 2016, pagina’s ongenummerd). Ook [getuige 1], de oudste dochter van de verdachte en het slachtoffer, heeft bevestigd dat haar vader de verdachte sloeg (proces-verbaal van verhoor benadeelde partij] d.d. 12 juli 2016, pagina’s ongenummerd). De verdachte was bang voor haar partner (het slachtoffer).

Naast de fysieke mishandelingen voelde de verdachte zich ook mentaal onderdrukt door het slachtoffer. Zo heeft zij verklaard dat ze geen geld mocht uitgeven, veelvuldig werd bedreigd, gekleineerd en buitengesloten. Dochter [getuige 1] heeft in dit verband verklaard dat haar moeder al jaren niets mocht en dat als ze iets wilde kopen, ze dit eerst moest vragen. Daarnaast liet ze al jaren over zich heen lopen, aldus [getuige 1] (proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij] d.d. 12 juli 2016, pagina’s ongenummerd).

De verdachte heeft op 15 september 2016 bij de politie verklaard dat zij eind 2015 hulp heeft gezocht en dat zij via de huisarts is verwezen naar “Veilig Thuis”. Dat zij deze hulp heeft gezocht wordt ondersteund door de praktijkondersteuner van de huisarts (verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 22 maart 2017). De praktijkondersteuner heeft aangegeven dat het bij haar over kwam alsof de verdachte emotioneel werd mishandeld.

Over de feiten heeft de verdachte verklaard dat zij die bewuste avond (10 juli 2016) schoolboeken voor de kinderen had besteld en dat ze er toen achter kwam dat zij voor de oudste dochter extra kosten moest maken in verband met een excursie. Zij wist dat zij hier problemen over zou krijgen met haar man.

Nadat zij naar bed was gegaan en de slaap niet kon vatten, hoorde de verdachte buiten op straat een man en vrouw ruzie maken en is zij bij de voordeur naar hen gaan kijken. Zij zag de boosheid van een man en een huilende vrouw, een zware mannenstem die tegen een licht stemmetje inging. Dit tafereel was herkenbaar, aldus de verdachte, zij kon zich goed inleven. De verdachte heeft verklaard dat zij zeker vijf minuten naar het ruziënde stel heeft staan kijken en dat er een hoop ellende van de afgelopen weken en maanden bij haar naar boven kwam. Ook zag zij de gezinsauto staan waar zij (van het slachtoffer) niet in mocht rijden. Op dat moment ging er bij de verdachte een knop om, zo heeft zij verklaard. Ze heeft een fles terpentine uit de bijkeuken gepakt en is naar de slaapkamer van het slachtoffer gelopen. Eerst heeft de verdachte van een bankje in de gang een stapeltje wasgoed gepakt en in de slaapkamer van het slachtoffer in de richting van het bed gegooid. Vervolgens heeft de verdachte terpentine over het bed gegooid. Toen zij merkte dat de verdachte wakker werd is zij naar de gang gegaan en heeft de slaapkamerdeur op slot gedraaid. Dit deed zij omdat ze bang was voor de reactie van het slachtoffer, aldus de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daarover verklaard dat bij haar de paniek toesloeg. Vervolgens heeft de verdachte met een aansteker, die in de meterkast tegenover de slaapkamer van het slachtoffer lag, een zakdoek die zij met terpentine had besprenkeld, aangestoken en deze brandende zakdoek de slaapkamer ingegooid en de deur weer op slot gedraaid. Ook uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat hij wakker was (geworden) en het brandje dat door de brandende zakdoek was veroorzaakt met een kussen heeft kunnen doven. Het slachtoffer is toen tegen de slaapkamerdeur gaan trappen en de verdachte heeft de deur van het slot gedraaid, waardoor het slachtoffer de slaapkamer kon verlaten.

Het hof overweegt dat kan worden vastgesteld dat hetgeen zich in de nacht van 11 juli 2016 in de woning van de verdachte en het slachtoffer heeft voorgedaan, plaatsvond binnen een kort tijdsbestek van hooguit enkele minuten.

Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat voor de verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, zoals ook door de advocaat-generaal naar voren gebracht. Het hof is echter van oordeel dat daarvoor ook contra-indicaties aanwezig zijn.

Het hof acht het niet onaannemelijk dat de verdachte zich voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten jarenlang gekleineerd en vernederd heeft gevoeld. Het dossier biedt daar, zoals hiervoor overwogen, aanknopingspunten voor. De gang van zaken vlak voor het tenlastegelegde, te weten het ruziënde stel op straat, het feit dat de verdachte diezelfde avond/nacht uitgaven had gedaan waarvan zij wist dat ze er problemen mee ging krijgen met haar man en het zien van de auto waar zij niet in mocht rijden, kunnen naar het oordeel van het hof bij de verdachte hebben gezorgd voor hevige emoties.

Op grond hiervan overweegt het hof dat, mede gelet op het korte tijdsbestek, niet valt uit te sluiten dat op het moment dat de verdachte naar de slaapkamer van het slachtoffer ging, sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij de verdachte. Het hof acht derhalve contra-indicaties aanwezig voor kalm beraad en rustig overleg.

De door de advocaat-generaal in zijn requisitoir genoemde omstandigheden zijn door de verdachte en haar raadsman weersproken. De zoekslagen die in de telefoon en tablet van de verdachte zijn gevonden, wijzen volgens de advocaat-generaal op een vooropgezet plan om het slachtoffer van het leven te beroven. Deze telefoon was beveiligd met een wachtwoord, het tablet was vrij toegankelijk. Nog daargelaten dat de zoekslagen geen concreet bewijs bieden voor het plan om het slachtoffer in de bewuste nacht om het leven te willen brengen, staat vast dat de verdachte in de nacht van 11 juli 2016 door de politie is meegenomen, haar telefoon pas op 14 juli 2016 bij de politie is afgegeven en in de tussentijd door anderen dan de verdachte is ‘gekraakt’ (proces-verbaal verhoor van [slachtoffer] d.d. 4 augustus 2016, dossier pagina 97). Ook de tablet is pas later, op 22 juli 2016, door de politie onderzocht.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat anderen dan de verdachte, voordat de telefoon werd onderzocht, toegang tot de telefoon en de tablet hebben gehad, en ook zoekslagen kunnen hebben gemaakt. De verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij zoekslagen heeft gemaakt die verband houden met brandstichting, maar zij heeft ook verklaard dat zij deze zoekslagen in een breder verband en in een ander kader heeft gedaan, namelijk omdat zij bang was dat de verdachte haar iets aan wilde doen.

De verklaringen van het slachtoffer en de dochters van het slachtoffer dat de verdachte al langer zocht naar manieren om het slachtoffer om het leven te brengen en daarvoor bijvoorbeeld een boekje over giftige stoffen in huis had, moeten – nog daargelaten dat daarvoor geen ondersteunend objectief bewijs in het dossier voorhanden is - volgens de verdachte op eenzelfde wijze worden geduid.

Het hof heeft, gelet op de spanningen tussen de verdachte en het slachtoffer en de opeenstapeling van incidenten, geen reden om aan deze verklaring van de verdachte te twijfelen.

Ten aanzien van de stelling dat door de verdachte, met het oog op het brand gaan stichten, voorafgaand aan de feiten brandwerende kleding, schoenen en de telefoon van het slachtoffer uit de slaapkamer zijn verwijderd, overweegt het hof dat dit slechts een stelling van het slachtoffer betreft. De handelingen van de verdachte nadien, zoals het opvegen van terpentine en het weggooien van de terpentineflessen, zijn geen bewijs voor voorbedachte raad.

Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg toen zij het bed waarop het slachtoffer lag met terpentine overgoot, de brandende zakdoek naar binnen wierp en de deur op slot draaide. Er zijn contra-indicaties aanwezig.

Het hof is van oordeel dat aan deze contra-indicaties een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de omstandigheid dat voor de verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of het te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat zij van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Relatief (on)deugdelijk middel

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts gesteld dat de verdachte eveneens van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken, omdat – kort en zakelijk weergegeven – niet kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid terpentine die door de verdachte is gebruikt afdoende was om de dood van het slachtoffer in alle redelijkheid te kunnen verwachten.

Grotendeels in navolging van de rechtbank overweegt het hof hieromtrent het volgende.

Op basis van de verklaring van de verdachte kan worden vastgesteld dat zij in ieder geval één fles terpentine (nagenoeg) leeg heeft gegooid over het bed waar het slachtoffer zich bevond. Vervolgens heeft zij een brandende zakdoek naar voornoemd bed gegooid. Wanneer in die situatie een brandend voorwerp wordt gegooid op een bed met daarop een (extra) hoeveelheid textiel, waarop een ander zich bevindt, kan zonder meer worden gezegd dat die ander in levensgevaar verkeert. Algemene ervaringsregels leren dat terpentine een (zeer) brandbare stof is en dat een brand zich snel kan verspreiden. Het gebruikte middel kan dan ook als deugdelijk worden aangemerkt.

Het verweer wordt verworpen en het hof komt tot bewezenverklaring van poging tot doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

-terpentine, althans een brandbare stof over/naar die [slachtoffer] en/of het bed waar die [slachtoffer] in/op lag/zat heeft gegooid/gegoten, en/of

-(vervolgens) een brandende doek in de kamer waarin voornoemde [slachtoffer] zich bevond en/of waarin voornoemd bed stond heeft gegooid, en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer] heeft belemmerd die afgesloten kamer met daarin voornoemd bed met daarop een (inmiddels deels) brandend dekbed/kussen, te verlaten door de deur van die kamer op slot te doen/draaien, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.


zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een (slaap)kamer van voornoemde woning, terpentine, in elk geval een brandbare stof in de richting van een bed gegooid en/of (vervolgens) een brandende doek in de richting van voornoemd bed in die kamer gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die terpentine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of een dekbed en/of een kussen welke op voornoemd bed lag(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

-die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

-levensgevaar voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Wat betreft het door de raadsman ingenomen standpunt dat sprake is van eendaadse samenloop van de strafbare feiten, stelt het hof het volgende voorop. Van eendaadse samenloop is sprake, wanneer een feit in meer dan één strafbepaling valt, hetzij meermalen in dezelfde strafbepaling. Hierbij is tevens van belang, dat de strekkingen van die strafbepalingen niet wezenlijk uiteen mogen lopen.

De door verdachte gepleegde feiten zijn gekwalificeerd als poging doodslag en brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor personen. Naar het oordeel van het hof lopen de strekkingen van beide delictsomschrijvingen dusdanig uiteen dat geen sprake is van eendaadse samenloop. De poging doodslag ziet immers op bescherming van het menselijk leven als zodanig terwijl de brandstichting ziet op gevaarzetting in het algemeen, waarbij in dit geval ook gevaar is ontstaan voor goederen en voor andere personen dan het slachtoffer van het onder 1 bewezen verklaarde.

Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden gesproken van eendaadse samenloop.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

De advocaat heeft in hoger beroep uitdrukkelijk aangegeven het in eerste aanleg gevoerde verweer dat sprake was van psychische overmacht niet meer te willen voeren.

Uit de rapporten volgt dat de deskundigen de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar achten.

Uit de Pro Justitia-rapportage van 17 oktober 2016, opgemaakt door drs. I. Snijders, GZ-psycholoog, volgt – onder meer - dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende en afhankelijke trekken. Daarnaast is sprake van partner-relatieproblematiek. Deze persoonlijkheidsproblematiek heeft volgens de psycholoog in ieder geval in enige mate doorgewerkt in het plegen van de feiten, gezien de langdurige spanning, krenking en de beperkte coping vaardigheden van de verdachte, zodat van een verminderde toerekeningsvatbaarheid (op een driepuntschaal) kan worden uitgegaan.

Ook uit het Pro Justitia-rapport van 1 juni 2018, opgemaakt door dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog, volgt dat bij de verdachte sprake is van scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling die al in de jeugd van de verdachte zijn oorsprong vindt en gedurende de relatie met het slachtoffer is doorgegaan. Dr. Deenen spreekt van een mildere persoonlijkheidsproblematiek en niet van een stoornis, maar wel van de aanwezigheid van vermijdende en afhankelijke trekken. Bij de verdachte is sprake van angst, lage zelfwaardering, een gevoel van hopeloosheid en inadequatie. De langdurig ervaren krenking in combinatie met de onmogelijkheid van de verdachte om daar adequaat op te reageren heeft bijgedragen aan het niet meer kunnen overzien van de situatie. Dit alles brengt mee dat sprake is van verminderde toerekenbaarheid (op een driepuntschaal).

Het hof neemt de conclusies van de psychologen ten aanzien van de verminderde toerekeningsvatbaarheid over en maakt deze tot de hare. Het hof zal met de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte rekening houden bij de hoogte van de straf.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in de nacht van 10 op 11 juli 2016 geprobeerd haar toenmalige echtgenoot in brand te steken. De verdachte heeft het bed waarop het slachtoffer lag te slapen besprenkeld met terpentine en vervolgens een brandende zakdoek naar binnen gegooid en de deur op slot gedraaid. Het slachtoffer is gelukkig in staat geweest het vuur te doven, anders was hij mogelijk op een gruwelijke wijze om het leven gekomen. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Met haar handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze geschonden en hem, in zijn eigen huis, een plek waar hij zich bij uitstek veilig moest kunnen voelen, angst en vrees aangejaagd. Het slachtoffer heeft nog steeds veel last van het gebeurde, zoals is gebleken uit zijn slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep.

Daarnaast levert het handelen van de verdachte brandstichting met gevaar voor goederen en voor personen op.

Dat de brand niet meer schade heeft aangericht, is geenszins te danken aan de verdachte. Als het slachtoffer niet wakker was geworden en het vuur in een vroeg stadium had gedoofd, waren de gevolgen mogelijk zeer ernstig geweest. Daarbij merkt het hof op dat een woningbrand zich zeer snel kan ontwikkelen en verspreiden en dat de drie dochters van de verdachte en het slachtoffer die op zolder lagen te slapen dan mogelijk ernstig in gevaar zouden zijn geweest.

Op feiten als door de verdachte gepleegd kan naar het oordeel van het hof vanwege de ernst niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (grotendeels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij de hoogte van de strafoplegging houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte, zoals hiervoor reeds overwogen, ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, verminderd toerekeningsvatbaar was.

Blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2018, is de verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

In het Pro Justitia-rapport van 1 juni 2018, opgemaakt door dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog, wordt de kans op recidive ingeschat als laag.

Ondanks het feit dat het hof tot een andere kwalificatie van het onder 1 tenlastegelegde komt dan de rechtbank, is het hof – gelet op de ernst van de feiten en alles afwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, zoals ook door de rechtbank is opgelegd, een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal – hoewel dat in het laatste Pro Justitia-rapport niet in het bijzonder is geadviseerd – een bijzondere voorwaarde worden verbonden, omdat het hof het wenselijk acht dat de verdachte voldoende ondersteuning krijgt bij haar problematiek.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een totaalbedrag van € 3.730,74, bestaande uit € 730,74 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde totaalbedrag van € 3.730,74.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 730,74 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde.

Het verweer van de raadsman dat de goederen die door de brand zijn beschadigd in de gemeenschappelijke boedel van de verdachte en de benadeelde partij vielen, nu zij op dat moment (nog) in gemeenschap van goederen gehuwd waren en daarom slechts voor de helft kunnen worden toegewezen, wordt verworpen. Het hof overweegt dat de benadeelde partij kosten heeft moeten maken om de goederen te vervangen.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot het bedrag van € 730,74 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 1.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering ten aanzien van de immateriële schade van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.730,74 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen bij De Waag te Rotterdam, of een soortgelijke forensisch-psychiatrische behandelinstelling, voor haar persoonlijkheidsproblematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met De Waag verantwoord vindt.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.730,74 (duizend zevenhonderddertig euro en vierenzeventig cent), bestaande uit € 730,74 (zevenhonderddertig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de vordering van de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.730,74 (duizend zevenhonderddertig euro en vierenzeventig cent), bestaande uit € 730,74 (zevenhonderddertig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 11 juli 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. I.P.A. van Engelen en mr. H.P.Ch. van Dijk, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 oktober 2018.