Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2574

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
200.220.113/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening. Echtscheiding in 1974. Toepasselijkheid Wet verevening pensioenrechten bij scheiding toen niet uitgesloten. Vrouw maakt in 2016 alsnog aanspraak op verevening. Beroep van de man op afstand van recht respectievelijk rechtsverwerking afgewezen. Mee speelt dat de man in 2016 met pensioen ging en de vordering van de vrouw pas toen actueel werd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/177
PFR-Updates.nl 2018-0251
PR-Updates.nl PR-2018-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.220.113/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : HA ZA 16-692 – C/10/505755

arrest van 24 juli 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Drenth te Dordrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.E. Goudriaan te Gouda.

Het geding

Bij exploot van 25 juli 2017 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2017, gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie en eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld onder 1 van het bestreden vonnis.

De man heeft bij memorie van grieven twee grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw gemotiveerd verweer gevoerd.

De man heeft zijn procesdossier gefourneerd en om een comparitie van partijen verzocht.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het comparitieverzoek van de man.

Het hof heeft het comparitieverzoek van de man afgewezen, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

Enige feiten

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen zijn op 22 [in] 1974 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is op [in] 1996 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 20 maart 1996 in de registers van de burgerlijke stand.

2. Partijen zijn geen regeling overeengekomen met betrekking tot de tijdens hun huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken. Partijen hebben de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (verder: WVPS) niet uitgesloten op de wijze voorzien in de wet.

3. De man heeft op 8 september 2016 zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Vanaf die datum heeft hij een pensioenaanspraak van € 492,87 netto per maand.

4. Bij brief van 1 april 2016 heeft de advocaat van de vrouw de man verzocht om informatie te verschaffen over de door de man gedurende het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken. De man heeft op deze brief niet gereageerd.

5. In het door de vrouw overgelegde overzicht van 7 september 2016 van de website ‘mijnpensioenoverzicht.nl’ staat vermeld dat de vrouw op voormelde datum 63 jaar is, dat zij een AOW-uitkering zal ontvangen als zij de AOW-gerechtigde leeftijd zal bereiken, dat zij geen pensioen meer opbouwt en dat zij geen pensioenen heeft die in de toekomst zullen ingaan.

6. In de onderhavige procedure hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld op grond waarvan zij aanspraak maken op elkaars pensioenaanspraken.

Het bestreden vonnis

7. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank, in conventie en reconventie, als volgt beslist:

  • -

    veroordeelt de man om met ingang van 1 juli 2017 aan de pensioeninstelling de opdracht te geven het maandelijks verschuldigde bruto pensioen waar de vrouw op grond van de WVPS aanspraak heeft aan de vrouw uit te keren, waarbij het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een door de man opgestelde verklaring op dit punt;

  • -

    veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van het deel waar de vrouw op grond van de WVPS aanspraak heeft van het hem in de periode van 8 september 2016 tot 1 juli 2017 maandelijks uitgekeerde of uit te keren bruto pensioen;

  • -

    wijst in conventie het meer of anders gevorderde af;

  • -

    wijst de vordering in reconventie af;

  • -

    compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De vordering van de man in appel

8. De man is tijdig in appel gekomen van dit vonnis. Hij vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de vrouw niet ontvankelijk verklaart dan wel afwijst en de vorderingen van de man (primair om de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag gelijk aan de helft van de waarde van de aan de vrouw reeds uitgekeerde en nog uit te keren bedragen aan pensioenaanspraken, te vermeerderen met de rente, subsidiair om de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 4.000,- bruto per jaar, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure) toewijst, dan wel een pensioenverevening tussen partijen met een redelijke ingangsdatum vaststelt die het hof redelijk en billijk acht.

Verweer van de vrouw tegen de vordering van de man

9. De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het ingestelde appel integraal verwerpt, met bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans de man niet ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans met afwijzing van de vorderingen van de man in de onderhavige procedure, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

Grief 1

10. De memorie van grieven bestaat uit twee grieven. Met grief I betoogt de man dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte heeft toegewezen de vordering van de vrouw tot uitkering aan haar van de pensioenaanspraken waarop zij krachtens de WVPS recht heeft. Daartoe voert de man verschillende argumenten aan.

11. Om te beginnen stelt de man dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht jegens de man, aangezien de vrouw in de echtscheidingsprocedure werd bijgestaan door een advocaat, de echtscheidingsbeschikking een bevel tot boedelscheiding bevat, maar de vrouw heeft nagelaten dit bevel uit te voeren. Door dit na te laten, terwijl zij wel op de hoogte was of – gelet op de bijstand door een advocaat – had kunnen zijn van de pensioenverevening, moet zij volgens de man geacht worden afstand van haar vorderingsrecht te hebben gedaan.

12. Het hof overweegt als volgt. Afstand van recht is een rechtshandeling waarmee de rechthebbende beoogt een recht prijs te geven. Voor afstand van een vorderingsrecht is vereist dat partijen daarover wilsovereenstemming bereiken. Het enkele stilzitten van de vrouw gedurende twintig jaren na de echtscheiding alvorens voor het eerst bij brief van 1 april 2016 en vervolgens in de onderhavige procedure aanspraak te maken op de helft van de waarde van het pensioen van de man, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de vrouw haar (vorderings)recht op pensioenverevening heeft prijsgegeven. Vast staat dat de vrouw op grond van de wet een vordering tot pensioenverevening toekomt, die zij in beginsel op ieder gewenst moment kan inroepen jegens de man (vergelijk HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762). Dat de vrouw zo lang heeft gewacht met het versturen van de brief van 1 april 2016 en het starten van de onderhavige procedure, kan worden verklaard op grond van de omstandigheid dat de man op 8 september 2016 zijn pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en daarmee de pensioenaanspraak van de vrouw actueel is geworden. Het beroep van de man op afstand van recht wordt verworpen.

13. Voorts beroept de man zich op rechtsverwerking. De man stelt dat hij nogal overvallen is door de vordering van de vrouw twintig jaar na de echtscheiding. In dat verband voert de man een aantal bijzondere omstandigheden aan: te weten dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de vordering van de vrouw, dat hij verstandelijk beperkt is, hij verblijft in een 24-uurs woonvoorziening. Verder voert de man aan dat hij onvoldoende draagkracht heeft om ook maar enig deel van zijn pensioen aan de vrouw af te dragen.

14. In aanmerking genomen dat een beroep op rechtsverwerking neerkomt op een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, kan zodanig beroep volgens vaste rechtspraak slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond worden geoordeeld. Dit brengt mee dat genoegzame concrete feiten moeten zijn aangevoerd, waarop dit beroep kan worden gegrond (onder andere HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406). Voorts geldt dat enkel tijdsverloop onvoldoende is voor het aannemen van rechtsverwerking. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid (HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574).

15. Gelet op de terughoudendheid waarmee een beroep op rechtsverwerking kan worden gehonoreerd, is de enkele door de man aangevoerde omstandigheid dat de vrouw pas twintig jaar na de echtscheiding haar vordering uit hoofde van pensioenverevening instelt, op zich zelf genomen onvoldoende voor het doen slagen van het beroep op rechtsverwerking. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat de man zich nogal overvallen voelt door de onderhavige vordering van de vrouw, staat vast dat de vrouw de vordering die haar rechtens toekomt – voor het eerst in de onderhavige procedure – heeft ingesteld op een tijdstip waarop de aanspraak van de vrouw op de helft van de waarde van het pensioen van de man actueel is geworden. De aard van de vordering brengt mee dat deze jaren na de echtscheiding bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd aan de orde kan komen. Ook in de overige door de man aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om het beroep van de man op rechtsverwerking te honoreren. Met de vrouw is het hof van mening dat indien de man als gevolg van de verevening van zijn pensioen een lager inkomen zal verkrijgen, zijn AWBZ-bijdrage evenredig lager zal worden.

16. Ten slotte voert de man aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar (kennelijk wordt bedoeld: onaanvaardbaar) is dat de vrouw haar recht op pensioenverevening jegens de man geldend maakt. De man wijst op de hiervoor door hem reeds genoemde omstandigheden en voegt daaraan nog toe dat de vrouw na de echtscheiding van partijen is hertrouwd en zij in dat kader een beroep had kunnen doen op pensioenverevening.

17. Ook dit beroep van de man faalt. In de door de man aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om op grond van de – strikt toe te passen – regels van de redelijkheid en billijkheid de vordering van de vrouw op de helft van de waarde van het pensioen van de man af te wijzen. Het hof verwijst hiervoor naar de motivering in de voorafgaande rechtsoverwegingen. Waar de man nog opmerkt dat de vrouw een beroep kan kunnen doen op pensioenverevening jegens de man uit haar inmiddels door echtscheiding ontbonden tweede huwelijk, de heer [volgt naam] , geldt dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat het pensioen van deze man blijkens een verklaring van het desbetreffende pensioenfonds te laag is om tussen hem en de vrouw verdeeld te kunnen worden (vergelijk artikel 3 lid 3 WVPS).

Grief 2

18. De tweede grief strekt ten betoge dat de rechtbank in rov. 5.9 van het bestreden vonnis de vordering van de man in reconventie, waarin hij aanspraak maakt op een deel van het pensioen van de vrouw, ten onrechte heeft afgewezen wegens het ontbreken van belang. Kort gezegd stelt de man dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen pensioen moet hebben opgebouwd omdat zij bij dezelfde werkgever hebben gewerkt, zodat de man recht heeft op de helft van haar – al dan niet afgekochte – pensioenaanspraak. Volgens de man dient de vrouw duidelijk te maken wat zij aan WVPS-pensioen heeft opgebouwd.

19. Bij de bespreking van deze grief stelt het hof voorop dat uit het debat tussen partijen kan worden opgemaakt dat zij het erover eens zijn dat de vrouw tijdens hun huwelijk heeft gewerkt bij dezelfde werkgever als de man. Hieruit volgt dat het bij deze werkgever eventueel opgebouwde pensioen moet zijn ondergebracht bij dezelfde pensioeninstelling als waar het pensioen van de man is ondergebracht. Nog daargelaten dat de man op grond van artikel 9 WVPS de mogelijkheid heeft om zelf bij het desbetreffende uitvoeringsorgaan of de voormalige werkgever van de vrouw de noodzakelijke gegevens op te vragen, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof met de door haar in het geding gebrachte stukken (te weten: een brief van 30 oktober 2017 van het Pensioenfonds werk en (re)Integratie en een uittreksel van mijnpensioenoverzicht.nl) voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende het huwelijk van partijen geen pensioen heeft opgebouwd.

Conclusie

20. Uit het vorenstaande volgt dat geen van de grieven van de man slaagt. Dit leidt ertoe dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.

Proceskosten

21. De over en weer door partijen gevorderde proceskostenveroordeling wijst het hof af, omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en het onderhavige geschil verband houdt met de echtscheidingsgevolgen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en F. Ibili en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.