Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2569

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
200.221.208/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenleving. Gezamenlijk afgesloten flexibel krediet. Interne draagplicht bij helfte. Geen reden om af te wijken van dit wettelijk uitgangpunt. Vrouw heeft nog geen regresvordering op de man nu zij nog niet meer dan 50% van de vordering heeft betaald (artikel 6:10 lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.221.208/01

Zaaknummer rechtbank : 5409995 \ CV EXPL 16-40387

arrest d.d. 24 juli 2018

inzake

[de man]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.J.J. Trooster te Vlaardingen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.E. Kreber te Zoetermeer.

Het geding

De man is bij exploot van 9 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Rotterdam, van 14 juli 2017, gewezen tussen de vrouw als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie en de man als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De man heeft bij memorie van grieven vijf grieven geformuleerd.

De vrouw heeft een memorie van antwoord ingediend.

De man heeft zijn procesdossier gefourneerd en heeft arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Op 12 juli 2006 zijn partijen in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 12 juli 2007 hebben zij hun huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap, welk partnerschap op 23 augustus 2007 is beëindigd en ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

2. Eind 2007 zijn partijen weer bij elkaar gekomen en hebben zij enige jaren samengewoond. Partijen hebben een lening afgesloten bij de ABN AMRO bank onder nummer [volgt nummer] (hierna ook: het flexibel krediet). Zij zijn hoofdelijk verbonden. Gedurende de samenwoning hebben partijen een zoon gekregen; de vrouw had reeds een zoon uit een eerdere relatie. Eind 2010 zijn partijen definitief uit elkaar gegaan.

3. In geschil is tussen partijen voor wiens rekening de verplichtingen uit de overeenkomst met de ABN AMRO bank zijn gekomen en thans nog komen en of de man in het kader daarvan onverschuldigde betalingen aan de vrouw heeft gedaan.

4. De kantonrechter heeft in conventie en in reconventie:

- bepaald dat de vrouw als haar eigen schuld voor haar rekening neemt de verplichtingen uit de kredietovereenkomst met de ABN AMRO nummer [volgt nummer] ;

- de man veroordeeld aan de vrouw te betalen € 11.697,- en bepaald dat de man dit bedrag aan de vrouw dient te betalen in gelijke maandelijkse termijnen van € 180,-, telkens uiterlijk de eerste van iedere maand te voldoen en voor het eerst op 1 augustus 2017;

- de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

5. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis tussen de man als gedaagde/eiser in reconventie en de vrouw als eiseres/gedaagde in reconventie vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk verklaart, althans haar deze vordering ontzegt, met toewijzing van de reconventionele vordering, kosten rechtens.

6. De vrouw concludeert dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, met veroordeling van de man in de kosten van dit hoger beroep.

7. De man voert ter onderbouwing van zijn stelling, kort weergegeven, het volgende aan. De vrouw heeft na de scheiding van partijen een woning gekocht, in welke woning partijen weer enige tijd hebben samengewoond. Tijdens deze periode heeft de vrouw een lening afgesloten, voor welke lening de man, zo had hij begrepen, garant zou moeten staan. Later is de man gebleken dat het om een flexibel krediet ging en dat beide partijen voor dat krediet hebben getekend. De man heeft niet met de vrouw afgesproken dat hij zou meebetalen aan het krediet. De lening is door de vrouw opgenomen en aan (de verbouwing van) haar woning besteed. Pas later is de man, op aandringen en na dreigingen van de vrouw, gaan meebetalen aan de aflossing van de lening. Hij heeft een groot aantal betalingen gedaan, echter de vrouw heeft deze betalingen niet gebruikt om de lening af te lossen. De man heeft niet erkend dat hij met de vrouw zou zijn overeengekomen dat hij zou meebetalen aan de aflossing van de lening. Wel heeft hij erkend dat hij betalingen heeft gedaan, echter deze betalingen heeft hij gedaan omdat hij daartoe door de vrouw onder druk werd gezet, niet omdat hieraan een afspraak ten grondslag lag. De man acht het niet redelijk dat hij gehouden zou zijn om de helft van de lening voor zijn rekening te nemen. Hij heeft immers in het geheel niet van de lening geprofiteerd, nu het aanvankelijke bedrag van de lening is geïnvesteerd in de woning van de vrouw. De man heeft een groot aantal betalingen aan de vrouw gedaan. Een aantal van deze betalingen hebben betrekking op kinderalimentatie en hebben als betalingskenmerk ‘kids’. De overige betalingen hebben betrekking op de lening en zijn zonder betalingskenmerk gedaan. Deze laatste betalingen zijn door de kantonrechter ingevolge artikel 6:43 lid 2 BW naar de mening van de man ten onrechte toegerekend aan betalingen voor kinderalimentatie. De man had geen geld om zowel kinderalimentatie te voldoen als af te lossen op de schuld. Bovendien zijn beide soorten betalingen aan de vrouw rechtstreeks in haar vermogen gevloeid en kon zij kiezen wat zij met dit geld deed. De kantonrechter heeft naar de mening van de man ten onrechte overwogen dat de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 11.697,-. De man heeft gevorderd dat de vrouw de schuld als eigen schuld zonder verrekening zal voldoen. Hij heeft immers niets van het geleende geld ontvangen en hij heeft al meer dan zijn deel aan de vrouw betaald. Bovendien is de man niet draagplichtig voor deze schuld, nu de lening uitsluitend aan de vrouw ten goede is gekomen. De beslissing in het bestreden vonnis houdt in dat de man moet gaan betalen voor een gezamenlijke schuld aan de bank, zonder dat de vrouw reeds meer dan haar deel aan de bank heeft betaald. Bovendien blijft de man voor de bank hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schuld.

8. De vrouw voert als volgt, kort weergegeven, verweer. Tijdens het huwelijk was er reeds een leenovereenkomst, welke lening in 2009 is omgezet en uitgebreid in het flexibele krediet bij de ABN AMRO bank. Partijen hebben deze kredietovereenkomst gezamenlijk afgesloten. Partijen hebben samen beschikt over en geprofiteerd van het krediet. Zij hebben de gelden besteed aan diverse zaken betreffende de gezamenlijke huishouding van partijen. Bij het uiteengaan zijn zij overeengekomen dat de man zou meebetalen aan de verplichtingen uit het krediet, een bedrag aan rente en aflossing van totaal € 360,- per maand. De man wist dat hij de overeenkomst tekende als kredietnemer. De man heeft ter zitting bij de kantonrechter zelf verteld dat partijen hadden afgesproken dat hij alimentatie zou betalen en zou bijdragen aan de aflossing van het krediet. Dat de man betalingen voor de aflossing van de lening heeft gedaan, en dat ook nog eens onder dwang van de vrouw, wordt door de man op geen enkele wijze onderbouwd of bewezen. De man is op grond van de (tekst en bedoeling van de) kredietovereenkomst gehouden om de helft van de kredietaflossingen voor zijn rekening te nemen. Partijen hebben gedurende het huwelijk en de samenleving (van 2006 tot en met 2010) samen van de gelden uit het krediet geprofiteerd. De door de man gedane betalingen zijn naar de mening van de vrouw door de kantonrechter terecht als betalingen ten behoeve van kinderalimentatie aangemerkt. Zowel uit de hoogte van de bedragen als het feit dat naast de alimentatiebetalingen nooit andere betalingen (t.b.v. het krediet) zijn gedaan, heeft de kantonrechter terecht vastgesteld dat niet kan worden afgeleid dat de man meer heeft voldaan dan de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie. De kantonrechter heeft bepaald dat de vrouw de schuld voor haar rekening heeft te nemen en dat de man zijn deel van de op het moment van uiteengaan van partijen bestaande verplichting aan de vrouw zal voldoen in de vorm van maandelijkse termijnen van € 180,- per maand. Hij heeft daarmee naar de mening van de vrouw de onderlinge rechtsverhouding tussen partijen conform de overeenkomst evenredig en naar redelijkheid geregeld.

9. Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat partijen het flexibel krediet op 19 april 2009 gezamenlijk hebben afgesloten. Het hof gaat aan de stelling van de vrouw – waaraan zij overigens geen conclusie heeft verbonden –, dat partijen een reeds tijdens hun huwelijk bestaande lening hebben omgezet en uitgebreid in het flexibel krediet bij de ABN AMRO bank, voorbij. Partijen hebben bij convenant, ondertekend op 23 augustus 2007 (zie productie 1 bij de inleidende dagvaarding) de gevolgen van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap geregeld en zijn daarbij tot een algehele en finale kwijting gekomen. Voorts is het hof noch uit de overgelegde stukken met betrekking tot het flexibel krediet dan wel anderszins van oversluiting van een eerdere lening gebleken.

10. Nu partijen de kredietovereenkomst gezamenlijk zijn aangegaan, zijn zij in principe in hun interne verhouding gelijk draagplichtig voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar aangaat.

11. Het hof gaat er van uit dat de man, anders dan hij zelf stelt, bij het uiteengaan van partijen met de vrouw heeft afgesproken dat hij zou meebetalen aan de aflossing van het krediet. Uit het proces-verbaal van de bij de kantonrechter op 5 april 2017 gehouden comparitie van partijen blijkt dat door en namens de man is verklaard:

“Tussen mij en [de vrouw] is inderdaad afgesproken dat ik alimentatie zou betalen en dat ik zou meebetalen aan het aflossen van het flexibel krediet.”.

12. De man acht het niet redelijk dat hij de helft van de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen moet voldoen, omdat hij helemaal niet heeft geprofiteerd van de gelden van dit krediet. Volgens de man zijn de gelden alleen door de vrouw opgenomen en zijn de gelden telkens besteed ten behoeve van de woning die alleen eigendom is van de vrouw. De vrouw heeft dit gemotiveerd weersproken. Volgens haar zijn de gelden van het krediet behalve aan de woning ook besteed aan onder meer gebruiks- en inboedelgoederen, vakanties en kosten van de huishouding, zodat ook de man van deze gelden heeft geprofiteerd.

13. Naar het oordeel van het hof heeft de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat hij op geen enkele wijze van het krediet heeft geprofiteerd, niet bewezen. De man heeft zijn stelling op geen enkele wijze nader onderbouwd, noch door overlegging van stukken noch door een nadere toelichting. Het hof gaat er dan ook van uit dat de gelden uit het krediet ook aan de man zijn toegekomen.

14. Het vorenstaande in acht nemend is het hof derhalve van oordeel dat de man gehouden is de helft van de verplichtingen verbonden aan het flexibel krediet te voldoen.

15. De man stelt dat hij reeds meerdere betalingen ter aflossing van het krediet heeft verricht, hetgeen door de vrouw gemotiveerd wordt betwist. Ook hier geldt dat het op de weg van de man ligt om deze stelling voldoende te motiveren en te onderbouwen, en ook hier is het oordeel van het hof dat de man dat niet heeft gedaan. De man geeft aan dat het feit dat hij de betalingen aan de vrouw voor de kinderen voorzag van de omschrijving ‘kids’ en de overige betalingen aan de vrouw niet voorzag van een omschrijving, in ieder geval een sterke aanwijzing is dat er een onderscheid moet en kan worden gemaakt tussen de verschillende betalingen. Dat dit onderscheid gemaakt zou kunnen worden, maakt naar het oordeel van het hof echter nog niet dat daarmee vast komt te staan dat de betalingen door de man aan de vrouw zonder betalingskenmerk dus betalingen zijn geweest waarmee de man indirect heeft afgelost op het flexibel krediet. Het doel van deze betalingen is, zonder nadere schriftelijke onderbouwing, voor het hof niet vast te stellen. De man heeft ook niet op andere wijze voldoende gemotiveerd gesteld dat hij betalingen aan de vrouw dan wel anderszins heeft gedaan waarmee hij afbetalingen op het flexibel krediet heeft gedaan.

Conclusie

16. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de man in de interne verhouding van partijen gehouden is de helft van de verplichtingen die voortvloeien uit het flexibel krediet bij de ABN AMRO bank te voldoen. Een schuld kan niet worden verdeeld aangezien een schuld geen goed is. Er ontstaat op grond van artikel 6:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek eerst voor de vrouw een regresvordering op de man indien zij meer dan 50% van de betreffende schuld heeft voldaan. Het hof kan niet vaststellen dat de vrouw meer dan 50% van de vordering heeft betaald. De vrouw heeft voor zover het hof nu kan vaststellen geen regresvordering op de man. Grief 5, die opkomt tegen de overweging van de rechtbank dat de man wegens overbedeling € 11.697,00 aan de vrouw dient te voldaan, slaagt dus.

17. De man dient zich er terdege van bewust te zijn dat hij voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan de ABN AMRO bank onder nummer [volgt nummer] . Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen rechtsgrond voor de reconventionele vordering van de man aanwezig.

18. Het feit dat de grief van de man doel treft, aangezien er geen sprake is van overbedeling met betrekking tot de hiervoor vermelde schuld en ook niet is gebleken dat de vrouw meer dan de helft van de schuld heeft voldaan, doet dus niet af aan zijn verplichtingen uit hoofde van voormelde geldlening.

19. Uit het voorgaande volgt dat iedere partij de helft van het flexibel krediet moet dragen en dat er (nu) geen grond is voor een betalingsverplichting van de man aan de vrouw. Strikt genomen komt daarom geen van de vorderingen van partijen in eerste aanleg voor toewijzing in aanmerking. Het geschil van partijen betreft in de kern de vraag naar de onderlinge draagplicht van het flexibel krediet. De vorderingen van de vrouw komen erop neer om te bepalen dat iedere partij voor het flexibel krediet voor de helft draagplichtig is, terwijl de vorderingen van de man erop neerkomen om te bepalen dat de vrouw voor het geheel draagplichtig is. Gelet op het voorgaande komt de aldus gelezen vordering van de vrouw voor toewijzing in aanmerking.

20. Het vorenstaande leidt ertoe dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

Proceskosten

21. Gezien het feit dat er sprake is van ex-partners zal het hof de proceskosten compenseren.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en, in zoverre opnieuw oordelende:

verklaart voor recht dat beide partijen in de interne verhouding gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de schuld aan de ABN AMRO onder nummer [volgt nummer] ;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, I. Obbink-Reijngoud en S.H.M. van der Heiden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.