Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2568

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
200.229.190/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Is te veel alimentatie betaald? Geen spoedeisend belang. Zaak hoort thuis in een bodemprocedure. Vordering tot medewerking aan verkoop en overdracht woning. Ook geen spoedeisend belang meer, want de woning is inmiddels verkocht en geleverd. Hof merkt in kader spoedeisend belang nog op dat partijen in beroep ook hebben nagelaten voortvarend te procederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.229.190/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/503224 / KG ZA 16-616

arrest van 31 juli 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M.H. Ceelen te Doetinchem,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.M. Snellink te Eibergen.

Het geding

Bij exploot van 22 november 2016 is de man in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, tussen partijen gewezen vonnis van 4 november 2016.

Eerst op 19 december 2017 heeft de man de dagvaarding aangebracht.

Bij memorie van grieven, genomen ter zitting van 18 januari 2018, met acht producties heeft de man twee grieven aangevoerd en heeft hij zijn eis vermeerderd. Deze vermeerdering van eis is op 18 januari 2018 aan de vrouw betekend.

De man heeft op 30 januari 2018 een akte overlegging productie genomen en daarbij productie 9 overgelegd.

De vrouw heeft ter rolzitting van 27 februari 2018 het verstek gezuiverd.

Bij memorie van antwoord met drie producties heeft de vrouw de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld.

De man heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens heeft de man het procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 4 november 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, kort weergegeven:

- in conventie: de man veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het bestreden vonnis zijn alimentatie- c.q. betalingsverplichtingen, conform het convenant, na te komen, waaronder de achterstallige alimentatieverplichtingen;

- in reconventie: de vrouw veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop van het onroerend goed, staande en gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] en de man gemachtigd mede namens de vrouw een koopovereenkomst met een of meer kopers te sluiten wanneer er een reëel bod wordt gedaan op de woning.

Het vonnis is in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In conventie en in reconventie zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

Het verzoek van de man aan de rechtbank het bestreden vonnis te verbeteren, in die zin dat de ter zitting gedane toezegging van de man: dat hij de uitkering tot levensonderhoud en kinderalimentatie zonder enige verdere inhouding zal voldoen conform de afspraak zoals opgenomen in het convenant dat partijen op 3 maart 2011 met elkaar hebben gesloten, ziet op een voor het heden lopende verplichting en dat het niets zegt over het voldoen van de achterstand in de betalingen waarvoor de man nu eveneens is veroordeeld, is afgewezen bij vonnis van 13 december 2016.

3. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en dat de vorderingen van de vrouw (hof: in conventie) alsnog zullen worden afgewezen. In reconventie, onder de voorwaarde dat de door de man aan en ten behoeve van de vrouw betaalde hypotheekbijdragen niet als partneralimentatie worden aangemerkt, vordert de man de vrouw te veroordelen tegen kwijting aan de man te betalen een bedrag van € 6.252,51 en subsidiair de vrouw te veroordelen tegen kwijting aan de man te betalen een bedrag van € 3.958,96, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente over elke betaling vanaf de dag van betaling, met veroordeling van de vrouw zowel in conventie als in reconventie in de kosten van beide instanties, op voorhand te begroten nasalaris en de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na het arrest daaronder begrepen.

4. De vrouw concludeert tot ontzegging van de vorderingen van de man, met bekrachtiging in zoverre van het bestreden vonnis, kosten rechtens. In incidenteel appel vordert de vrouw dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, de (hof: overige) vorderingen van de vrouw in conventie alsnog worden toegewezen, subsidiair te bepalen, indien dit niet meer mogelijk mocht zijn, dat de man binnen twee dagen na de betekening van het te wijzen arrest aan de vrouw € 40.000,- zal voldoen, welk bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man het bedrag van € 40.000,- aan de vrouw is verschuldigd, kosten rechtens.

5. Het gaat in deze zaak om het volgende: partijen hebben een affectieve relatie gehad die is geëindigd in 2011. Op 3 maart 2011 hebben zij een convenant gesloten waarin de gevolgen van de beëindiging van de samenwoning zijn geregeld. Partijen hebben, althans hadden, gezamenlijk een woning in eigendom aan de [adres] te [plaatsnaam] , waarin de vrouw tot een datum in november 2015 is blijven wonen. In verband met deze woning hebben partijen een hypothecaire lening afgesloten. In geschil is of de man teveel aan de vrouw heeft betaald ter zake van de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, respectievelijk levensonderhoud en studie, ten behoeve van de kinderen van partijen. Volgens de man had hij ten tijde van de procedure in eerste aanleg geen achterstand en dient de vordering van de vrouw daarom te worden afgewezen. Verder vordert de man, bij wijze van vermeerdering van eis, een bedrag van de vrouw ter zake van door hem gestelde, mede ten behoeve van de vrouw voldane, betalingen aan de bank ter zake van de hypothecaire lening. Ook is in geschil of de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is de woning in [plaatsnaam] over te nemen en de hypothecaire lening op zijn naam te stellen. Daarmee in verband staat of de voorzieningenrechter terecht de vordering van de vrouw, te bepalen dat de man vanaf 1 december 2015 de volledige hypothecaire verplichtingen ter zake de woning in [plaatsnaam] voor zijn rekening moet nemen, heeft afgewezen.

6. Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of beide partijen nog een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. In verband daarmee geldt het volgende.

7. De rechter beoordeelt, zo nodig ambtshalve, of er sprake is van een spoedeisend belang (HR 2 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3472). Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, dient, zo nodig ambtshalve, mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL: HR: 2002:AE3437). Verder heeft te gelden dat met betrekking tot een veroordeling in kort geding tot betaling van een geldsom terughoudendheid op zijn plaats is. Volgens vaste jurisprudentie (o.a.: HR 29-03-1985, NJ 1986/84 en HR 28-05-2004, NJ 2004/602) dient de rechter, ter beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing van een geldvordering, niet alleen te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

8. Voor wat betreft de vorderingen van de man overweegt het hof als volgt. De man heeft niet onderbouwd dat hij bij zijn vorderingen thans nog een spoedeisend belang heeft. Partijen strijden nog over de vraag welk bedrag de man had te voldoen aan achterstallige partner- en kinderalimentatie. Daaruit vloeit voort de vraag of de man mogelijk teveel zou hebben betaald. Verder houdt partijen verdeeld of de man nog een bedrag van de vrouw kan vorderen ter zake van betalingen die de man stelt te hebben gedaan mede ten behoeve van de vrouw aan de bank in verband met de hypothecaire lening. Nu het hier gaat om betalingen die in het verleden al zijn gedaan en de inzet van het geschil is om die betalingen voor het verleden vast te stellen, is het hof van oordeel dat van een spoedeisend belang geen sprake meer is. Partijen strijden over door hen opgestelde overzichten ten aanzien van de door de man verrichte betalingen. Daarin speelt verder een aantal vragen met betrekking tot beschikkingen, die op verzoek van de man door de rechtbank zijn gewezen met betrekking tot de partneralimentatie en de kinderalimentatie voor [de dochter] , een rol. Niet gezegd kan worden dat hier uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In kort geding gaat het alleen om een ordemaatregel. Het is niet aan de voorzieningenrechter om in een procedure in kort geding minutieus betalingsverplichtingen van partijen vast te stellen.

Partijen behoren deze kwesties in een bodemprocedure voor te leggen.

9. Voor wat betreft de vordering van de vrouw overweegt het hof als volgt. De vordering van de vrouw in hoger beroep komt er op neer, dat het hof alsnog zal bepalen dat de man gehouden zal zijn de woning in [plaatsnaam] met de daaraan verbonden hypothecaire lening over te nemen en dat hij de hypothecaire verplichtingen met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2015 voor zijn rekening zal nemen. Naar het hof begrijpt heeft de woning na het bestreden vonnis geruime tijd te koop gestaan en zal deze, indien de mededeling van de man in de memorie van antwoord in incidenteel appel juist is, inmiddels aan een derde zijn verkocht en geleverd. Ook hier ontbreekt daarom het spoedeisend belang in hoger beroep bij deze vordering. Het hof merkt nog op dat de vrouw geen grief heeft gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter, de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de verkoop van de woning. Met betrekking tot de bepaling dat de man vanaf 1 november 2015 de hypothecaire verplichtingen voor zijn rekening moet nemen, ontbreekt het spoedeisend belang evenzeer als voor de geldvordering van de man. Ook deze ziet op het verleden. De vrouw heeft niet gevorderd dat de man enig bedrag aan haar in verband met deze vordering zou moeten betalen. Verder is gesteld noch gebleken dat met betrekking tot deze (geld)vordering uit hoofde van onverwijlde spoed thans nog een onmiddellijke voorziening is vereist.

10. Het hof wenst in het kader van de spoedeisendheid ten aanzien van het over en weer ingestelde hoger beroep nog op te merken dat het hoger beroep (van de man) op 22 november 2016 is ingesteld, en dat op 19 december 2017 de zaak is geïntroduceerd. De man heeft eerst op 18 januari 2018 duidelijk gemaakt welke zijn bezwaren zijn tegen het bestreden vonnis. De vrouw heeft vervolgens haar vorderingen in incidenteel appel niet eerder dan op 27 maart 2018 ingesteld. Ook uit dit procesverloop kan niet volgen dat zowel de man als de vrouw nog een spoedeisend belang bij de ingestelde vorderingen heeft.

11. De slotsom is dat het door de man ingestelde hoger beroep zal worden verworpen en ook het door de vrouw ingestelde incidenteel hoger beroep. Het hof ziet geen gronden om een van partijen in hoger beroep in de proceskosten te veroordelen en wijst die vordering van de man af. Tegen de kostencompensatie in eerste aanleg heeft de man geen grief gericht, zodat die in stand blijft.

Beslissing

Het hof:

verwerpt het door de man ingestelde hoger beroep en het door de vrouw ingestelde incidenteel hoger beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, P.B. Kamminga en A.E. Sutorius-van Hees en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.