Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2536

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
22-001802-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Dat de medewerkers verontrust waren over en melding hebben gemaakt van het gedrag van de verdachte en zijn uitlatingen, is volgens het hof te begrijpen, maar zij zijn daarmee niet in het door artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed – hun persoonlijke vrijheid – aangetast.

Voor zover het in de tenlastelegging vermelde ‘en/of anderen’ zou zien op een algemene bedreiging rechtstreeks tegen een grote groep Westerlingen, Europeanen en/of Nederlanders, oordeelt het hof dat die groepen vanuit de beslotenheid van de PI niet bedreigd hebben kunnen worden door de uitlatingen van de verdachte. De uitlatingen hebben die groepen niet bereikt (HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4022).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001802-17

Parketnummer: 09-767351-16

Datum uitspraak: 27 september 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortejaar] 1978,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 13 september 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2016 tot en met 7 november 2016 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, getuige 844201 en/of getuige 844205 en/of getuige 844158 en/of getuige 844392 en/of een of meer anderen heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, te weten moord en/of doodslag te begaan met een terroristisch oogmerk, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij verdachte (telkens) opzettelijk (tegenover gevangenispersoneel):

-(op 24 augustus 2016) dreigend gezegd dat hij na zijn detentie terug gaat naar zijn land Algerije en dat hij de eerste de beste Europeaan die hij tegen komt in stukken zou snijden en dat de Europeanen en de Westerlingen moeten voelen wat mensen in de moslim oorlog-gebieden meemaken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-(op 2 november 2016) dreigend gezegd dat als hij op 8 november hier uit de P.I. [P.I.] zou vertrekken, en weer in Frankrijk was, hij de eerste de beste man of vrouw zou toetakelen en het bewijs naar de P.I. [P.I.] zou sturen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of daarbij een snij-beweging langs zijn keel gemaakt en/of

-(op 7 november 2016) dreigend de woorden geuit: 'Jullie directeur is dus gewaarschuwd, vertel hem dit maar. Hij was bovendien diegene die mij hier heeft geplaatst, omdat ik zogenaamd een bedreiging vorm voor de veiligheid binnen de inrichting, nou als je maar weet: als ik straks buiten in mijn omgeving een Nederlander tegenkom leg ik hem op de grond en zet mijn voet in zijn nek en maak hem dood. Hij is een bedreiging voor mijn veiligheid.', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of heeft hij hierbij opzettelijk dreigend een gebaar gemaakt alsof hij iemand een voet in de nek zette en (vervolgens) de keel doorsneed;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2016 tot en met 7 november 2016 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om Europeanen en/of Nederlanders en/of Westerlingen en/of de/een directeur van PI Ter Apel en/of een of meer anderen te bedreigen met een terroristisch misdrijf, te weten moord en/of doodslag te begaan met een terroristisch oogmerk, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij verdachte (telkens) opzettelijk (tegenover gevangenis personeel):

-(op 24 augustus 2016) dreigend gezegd dat hij na zijn detentie terug gaat naar zijn land Algerije en dat hij de eerste de beste Europeaan die hij tegen komt in stukken zou snijden en dat de Europeanen en de Westerlingen moeten voelen wat mensen in de moslim oorlog-gebieden meemaken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

-(op 2 november 2016) dreigend gezegd dat als hij op 8 november hier uit de P.I. [P.I.] zou vertrekken, en weer in Frankrijk was, hij de eerste de beste man of vrouw zou toetakelen en het bewijs naar de P.I. [P.I.] zou sturen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of daarbij een snij-beweging langs zijn keel gemaakt en/of

-(op 7 november 2016) dreigend de woorden geuit: 'Jullie directeur is dus gewaarschuwd, vertel hem dit maar. Hij was bovendien diegene die mij hier heeft geplaatst, omdat ik zogenaamd een bedreiging vorm voor de veiligheid binnen de inrichting, nou als je maar weet: als ik straks buiten in mijn omgeving een Nederlander tegenkom leg ik hem op de grond en zet mijn voet in zijn nek en maak hem dood. Hij is een bedreiging voor mijn veiligheid.', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich onder meer op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu – zakelijk weergegeven – hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van de in het primair ten laste gelegde genoemde personen. De in het subsidiair ten laste gelegde genoemde personen, zijn onvoldoende specifiek om te kunnen spreken van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van bovenomschreven standpunt van de raadsman acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

De verdachte heeft gedurende enige tijd verbleven in de Penitentiaire Inrichting te [P.I.] (hierna: de PI). Uit verklaringen van medewerkers van de PI (hierna ook: de medewerkers) blijkt dat zij tijdens het verblijf van de verdachte in de PI verontrust zijn geraakt over de verdachte, nu hij – zo verklaren de medewerkers – leek te radicaliseren in zijn Islamitisch geloof. Hij zou bovendien in hun aanwezigheid dreigende taal hebben geuit en daarbij bewoordingen hebben gebezigd zoals in de tenlastelegging omschreven. Bij deze medewerkers (onder anderen de in de tenlastelegging onder nummer aangeduide personen) is de zorg ontstaan dat de verdachte zich na vrijlating schuldig zou gaan maken aan het gebruiken van geweld jegens derden. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van medewerkers van de PI blijkt niet dat zij op grond van zijn uitlatingen vreesden of konden vrezen dat de verdachte geweld zou gebruiken jegens henzelf. De uitlatingen van de verdachte zijn niet anders buiten de muren van de PI gekomen, dan wel in de openbaarheid gekomen dan in het kader van deze strafzaak.

Primair ten laste gelegde

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt het hof dat de uitlatingen zoals opgenomen in de tenlastelegging zien op zeer algemeen omschreven groepen zoals ‘de eerste de beste Europeaan die hij tegen komt’, ‘de Westerlingen’ en ‘de eerste de beste die hij (in Frankrijk) zou tegenkomen’.

Het is in beginsel mogelijk een persoon in strafrechtelijke zin te bedreigen ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit (zie HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400). Van een dergelijke, althans een vergelijkbare situatie is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof echter geen sprake. Anders dan in de genoemde jurisprudentie zijn de bedreigde ‘derden’ hier zó onbepaald dat niet gesproken kan worden van inbreuk op de persoonlijke vrijheid van genoemde medewerkers. Dat de medewerkers verontrust waren over en melding hebben gemaakt van het gedrag van de verdachte en zijn uitlatingen jegens ‘Westerlingen’, ‘Europeanen’ en ‘Nederlanders’, acht het hof zeer wel te begrijpen, mede gelet op de terroristische aanslagen die op dat moment al in Europa waren gepleegd, maar zij zijn daarmee niet in het door artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed – hun persoonlijke vrijheid – aangetast.

Voor zover het in de tenlastelegging vermelde ‘en/of anderen’ zou zien op een algemene bedreiging rechtstreeks tegen een grote groep Westerlingen, Europeanen en/of Nederlanders, oordeelt het hof dat die groepen vanuit de beslotenheid van de PI niet bedreigd hebben kunnen worden door de uitlatingen van de verdachte. De uitlatingen hebben die groepen niet bereikt (HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4022).

Subsidiair ten laste gelegde

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof dat Westerlingen, Europeanen en Nederlanders vanuit de beslotenheid van de PI niet bedreigd hebben kunnen worden door de uitlatingen van de verdachte, omdat deze uitlatingen met de begeleidende omstandigheden hen niet bereikt hebben. Dit brengt mee dat bij hen redelijkerwijs niet de vrees heeft kunnen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen (HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659). Voor zover de verdachte concrete dreigende taal heeft gebruikt jegens de directeur van de PI, oordeelt het hof dat deze directeur evenmin in zijn/haar persoonlijke vrijheid geraakt kon worden, gelet op de omstandigheid dat de ten laste gelegde uitlatingen ook jegens hem/haar onvoldoende specifiek waren; ze waren immers gericht tegen een onbepaalde groep personen. Reeds hierom dient ook van het subsidiaire te worden vrijgesproken.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof is gelet op het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. H.C. Wiersinga en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 september 2018.