Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2534

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
22-000590-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000590-18

Parketnummer: 10-021843-16

Datum uitspraak: 13 september 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2002,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 30 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Blijkens de akte instellen rechtsmiddel d.d. 30 januari 2018 is het hoger beroep namens de verdachte beperkt tot het onder 2 ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:


2:
zij op of omstreeks 18 maart 2016 te Vlaardingen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten discotheek [discotheek], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangeefster], welk geweld bestond uit het - tegen de nek van die [aangeefster] slaan en/of - aan de haren van die [aangeefster] trekken en/of - op/tegen het hoofd en/of tegen de rug en/of tegen de benen, althans op/tegen het lichaam, van die [aangeefster] slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen, terwijl die [aangeefster] al dan niet op de grond lag.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1 en 3 bewezen verklaarde zal worden bepaald op een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld en als zij al een bijdrage heeft geleverd, deze bijdrage in ieder geval niet voldoende significant is geweest, zodat er geen sprake is geweest van het in vereniging plegen van geweld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage op zichzelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat de verdachte op 18 maart 2016 samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) in discotheek [discotheek] te Vlaardingen was. Op enig moment is de verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar aangeefster [aangeefster] gelopen en heeft haar gevraagd wat het probleem van aangeefster was. Vervolgens is de verdachte weggelopen en achterin de discotheek gaan staan. Nadat de verdachte een aantal minuten achterin de discotheek had staan praten, hoorde zij dat er een gevecht gaande was voor in de discotheek waar (mogelijk) haar vriendinnen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij betrokken waren. Hierop is de verdachte naar het gevecht toegerend en heeft de getuige [getuige] verklaard, gezien te hebben dat de verdachte een schoppende beweging maakte richting aangeefster, waarbij aangeefster niet geraakt is.

Het hof stelt voorop dat het enkele aanspreken van de aangeefster door de verdachte onvoldoende is om de verdachte als medepleger van het latere openlijk geweld aan te merken.

Het hof is van oordeel dat de verdachte als ze al een schoppende beweging richting de aangeefster heeft gemaakt (wat ze stellig ontkent), aangeefster daarmee niet heeft geraakt. Daar komt bij dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat op het moment dat de verdachte op de plek van de vechtpartij kwam en de schoppende beweging zou hebben gemaakt, het gevecht nog gaande was.

Naar ’s hofs oordeel is dan ook niet komen vast te staan dat de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde geweld, zodat het onder 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 44.214,09.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet anders betwist dan met een beroep op vrijspraak.

Nu de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Strafbepaling ex artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering inzake het onder 1 en 3 bewezen verklaarde

Bij het vonnis waarvan beroep is ten aanzien van het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde één hoofdstraf uitgesproken.

De vernietiging van dat vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, houdt derhalve niet alleen een vernietiging van de beslissing inzake het onder 2 ten laste gelegde, doch ook een vernietiging van de in eerste aanleg opgelegde straf in, zodat, gezien artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, bij dit arrest de straf ten aanzien van het in eerste aanleg onder 1 en 3 bewezen verklaarde - gekwalificeerd als: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen - dient te worden bepaald.

Het hof acht op grond van hetgeen in het beroepen vonnis is overwogen omtrent de ernst van die feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met de bijzondere voorwaarde als nader in het dictum te vermelden een passende en geboden sanctie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door wettelijke vertegenwoordiger(s) van de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1 en 3 bewezen verklaarde op:

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel na te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarde:

- Dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd onderwijs zal volgen.

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland Zuid tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. R.F. de Knoop en mr. A.L. Frenkel, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2018.

Mr. A.L. Frenkel is buiten staat dit arrest te ondertekenen.