Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2530

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
22-000320-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de dwang die vereist is bij verkrachting (art. 242 Sr) is het overwicht louter voortvloeiend uit een iets oudere leeftijd niet voldoende. Wel is bewezen het misdrijf van art.244 Sr (seks met een beneden 12-jarige), waarvoor geen dwang is vereist. De bewezenverklaarde periode vangt aan op de dag waarop de verdachte 14 jaar oud wordt. De aanvangsdatum voor de looptijd van de wettelijke rente bij de vordering tot schadevergoeding kan verschillen bij de materiële schade en de immateriële schade. De immateriële schade is ontstaan vanaf de aanvang van de bewezenverklaarde periode en in de loop van die periode en daarom is gekozen voor de aanvangsdatum van de periode als ingangsdatum van de wettelijke rente. De materiële schade is ontstaan vanaf de einddatum en na afloop van de bewezenverklaarde periode en daarom is de einddatum van de periode gekozen als ingangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0794
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000320-18

Parketnummer: 10-661240-17

Datum uitspraak: 6 september 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2002,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 163 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en onder de bijzondere voorwaarden van - kort gezegd - een meldplicht, een contactverbod en een behandelverplichting. Voorts is er een beslissing genomen ter zake van de vordering van de benadeelde partij. Tot slot is het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 23 mei 2017 te Rotterdam

meermalen, althans éénmaal,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

een aan zijn zorg toevertrouwd kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2007), heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (meermalen) (telkens) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de mond en/of de anus van die [slachtoffer];

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- fysieke en/of geestelijke overwicht dat hij, verdachte, had op die [slachtoffer] en/of

- slaan en/of stompen van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] vastpakken en/of vasthouden en/of

- aan die [slachtoffer] toevoegen van de woorden: "Je moet meewerken" en/of "Dat moet je nu doen" en/of "Of je krijgt een pak slaag of je moet het nu doen" en/of

- ( aldus) voor die [slachtoffer] een dreigende situatie doen ontstaan waar hij geen weerstand tegen kon bieden;

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 23 mei 2017 te Rotterdam meermalen, althans éénmaal,

met een aan zijn zorg toevertrouwende minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren, althans zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2007), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en/of buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk

het (meermalen) (telkens)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in/tegen de anus en/of in de mond van die [slachtoffer] en/of - vasthouden en/of aaien van de penis van die [slachtoffer] en/of

- pijpen en/of aftrekken van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, anus en/of bilspleet en/of

- zich aftrekken in de aanwezigheid van die [slachtoffer];

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde bijzondere voorwaarden en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel - naast de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden – de bijzondere voorwaarde zal worden verbonden van, kort gezegd, een locatieverbod voor het adres van de opa en oma van [slachtoffer], te weten [adres].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feit 1

Het hof is van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden bewezen dat de onder 1 tenlastegelegde seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Het hof acht echter niet bewezen dat daarbij sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Voor zover sprake is geweest van enige dwang van de zijde van de verdachte, levert dit naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen dwang op in de zin van voornoemd artikel.

Nu niet is komen vast te staan dat de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden, is het hof, met de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte van de hem ten laste gelegde verkrachting(en) behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 19 augustus 2016 tot en met 23 mei 2017 te Rotterdam

meermalen, althans éénmaal,

met een aan zijn zorg toevertrouwende minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren, althans zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2007), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en/of buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk

het (meermalen) (telkens)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in/tegen de anus en/of in de mond van die [slachtoffer] en/of - vasthouden en/of aaien van de penis van die [slachtoffer] en/of

- pijpen en/of aftrekken van die [slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, anus en/of bilspleet en/of

- zich aftrekken in de aanwezigheid van die [slachtoffer];.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op jonge leeftijd gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan het plegen van steeds verdergaande ontuchtige handelingen met zijn buurjongentje [slachtoffer]. Deze handelingen hebben uiteindelijk tot het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] geleid.

De verdachte heeft, mede gelet op zijn uit het leeftijdsverschil van 4-5 jaar voortvloeiende overwicht, in seksueel opzicht misbruik gemaakt van zijn buurjongentje. Daarmee heeft verdachte – uiteindelijk - ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer en tevens een ernstige inbreuk gemaakt op het recht van diens ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hun is aangedaan, zoals ook blijkt uit de overgelegde en ter terechtzitting door de moeder van [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaring.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder in aanraking is gekomen met politie en Justitie.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op de navolgende rapportages:

  • -

    Een Uitgebreid Advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 augustus 2018. Hierin is vermeld dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de seksualiteit en een achterstand van de sociaal-emotionele rijping. De verdachte ontvangt wekelijks individuele behandeling bij Fivoor. De Raad is van oordeel dat deze behandeling dient te worden voortgezet en dat de progressie hiervan door de jeugdreclassering moet worden gemonitord. Bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde adviseert de Raad oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie, met de bijzondere voorwaarden van een behandelverplichting bij Fivoor, en een contactverbod met het slachtoffer en met jeugdreclasseringstoezicht.

  • -

    Een Gezinsplan d.d. 15 juni 2018, van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR), waarin is vermeld – zakelijk weergegeven - dat de verdachte met het oog op zijn seksuele en morele ontwikkeling gebaat is bij behandeling. Op het gebied van seksualiteit dient het één en ander voor hem nog duidelijk te worden (wensen, behoeften, triggers, grenzen). Hij moet op dit gebied leren zichzelf te beheersen c.q. anders te handelen dan tot nu toe. JBRR schat in dat de kans op recidive laag is en adviseert bij bewezenverklaring aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen onder de voorwaarden van – kort gezegd – een behandelverplichting bij Fivoor, meewerken aan (jeugd)reclasseringstoezicht, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor zijn woonadres of de plekken waar hij zijn vrije tijd doorbrengt.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de navolgende rapportages.

- Een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 26 november 2017, opgemaakt en ondertekend door drs. H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater. Dit rapport houdt onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de seksualiteit, een achterstand van de sociaal emotionele rijping en een niet binnen de cultuur passend normen en waarden systeem, aangaande het beleven van de eigen seksualiteit, waarbij hij ervan uitgaat dat derden (het slachtoffer) dat net zo beleeft. Er is geen reden om aan te nemen dat dit anders was tijdens het tenlastegelegde. Verdachte is zoekende naar zijn seksuele identiteit, wordt daarin geconfronteerd met hetgeen een prepuberale jongen bij de verdachte opwekt en is zich nauwelijks gewaar van de impact van zijn handelen voor het slachtoffer. Hij schakelt zichzelf en het slachtoffer op één lijn en ziet geen verschil tussen een puber en het slachtoffer (een kind). Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Voorts wordt bij bewezenverklaring een individuele therapie geadviseerd, bij voorkeur door een therapeut voldoende bekend met seksualiteit, verbonden aan een forensische GGZ instelling zoals De Waag of Fivoor. Wat betreft het juridisch kader wordt geadviseerd de behandeling op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel, onder begeleiding van de jeugdreclassering.

- Een psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 24 november 2017, opgemaakt en ondertekend door drs. C. van den Bergh, GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een schreefgroei in zijn emotionele en psycho- seksuele ontwikkeling, welke duidt op een disbalans in zijn persoonlijkheidsontwikkeling. In die zin kan er gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte. Zijn gedrag wijkt af van de culturele norm en veroorzaakt disfunctioneren in verschillende levensdomeinen. Het is waarschijnlijk dat hiervan ook sprake was in de periode van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde (indien bewezen), wanneer er alleen sprake is geweest van handelingen waarover de verdachte heeft verklaard, te weten het over en weer betasten, in verminderde mate toe te rekenen. Voorts wordt geadviseerd om de verdachte een verplicht individueel behandelcontact aan te bieden gericht op seksuele identiteit, het verschil tussen seksualiteit en intimiteit, het leren afremmen bij grensoverschrijdend gedrag en het leren inzien van zijn verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen voor een ander. Bij bewezenverklaring wordt geadviseerd om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Als bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd begeleiding door de jeugdreclassering en behandeling bij Fivoor of De Waag.

Het hof neemt de conclusies van de twee laatstgenoemde deskundigen over en maakt die tot de zijne. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het onder 2 ten laste gelegde een gebrekkige ontwikkeling in verband waarmee hij, met betrekking tot feit 2, in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Het hof acht het gelet op bovenstaande bevindingen noodzakelijk dat de verdachte een behandeling zal (blijven) volgen gericht op diens seksualiteit. Voorts is het hof van oordeel dat een direct en indirect contactverbod met [slachtoffer] op zijn plaats is.

Het hof is - alles afwegende en mede in aanmerking genomen de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van de hierna genoemde duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal aan het voorwaardelijk strafdeel, evenals de rechtbank, de bijzondere voorwaarden verbinden van – kort gezegd – een meldplicht, een behandelverplichting bij Fivoor of een soortgelijke instelling en een contactverbod met [slachtoffer], met jeugdreclasseringstoezicht.

Het hof zal aan het voorwaardelijk strafdeel geen locatieverbod voor het adres van de opa en oma van [slachtoffer] en/of het [stadion] te Rotterdam verbinden nu deze locatieverboden bedoeld zijn om contact tussen de verdachte en [slachtoffer] tegen te gaan, hetgeen reeds is verboden bij het door het hof op te leggen directe en indirecte contactverbod met [slachtoffer] gedurende de proeftijd. Een verder reikend contact- dan wel locatieverbod acht het hof in dit geval niet in de rede liggen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.982,56, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 10.982,56.

Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partij verzocht om de oplegging van een contactverbod en locatieverboden. Voor de bespreking van deze verzochte verboden verwijst het hof naar hetgeen hierover onder ‘Strafmotivering’ is opgemerkt.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.754,64 (bestaande uit € 1.254,64 aan materiële schade en € 7.500 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zonder vervangende jeugddetentie, en met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.254,64 materiële schade (schadeposten coaching, reiskosten en parkeerkosten) is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op de gevorderde kosten ten aanzien van de slaapkamer van [slachtoffer] ad € 2.227,92 levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.254,64, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Met de advocaat-generaal en evenals de rechtbank ziet het hof aanleiding om te bepalen dat bij de schadevergoedingsmaatregel geen vervangende jeugddetentie wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 163 (honderddrieënzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende een door gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering in overleg met zijn behandelaars nodig acht onder behandeling zal stellen van Fivoor of een soortgelijke instelling, teneinde zich te laten behandelden voor seksueel overschrijdend gedrag;

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.254,64 (zesduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 1.254,64 (duizend tweehonderdvierenvijftig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.254,64 (zesduizend tweehonderdvierenvijftig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 1.254,64 (duizend tweehonderdvierenvijftig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 mei 2017 en die van de immateriële schade op 19 augustus 2016.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels, mr. A.S.I. van Delden en mr. A.M. Hol, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 september 2018.

mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.