Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:251

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
22-004872-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen tot het bereiden/verwerken van harddrugs door een grote hoeveelheid benzocaïne aanwezig te hebben, die bestemd was als versnijdingsmiddel (artikel 10a van de Opiumwet).

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 193 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens een taakstraf voor de duur van 216 uren, subsidiair 108 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004872-17

Parketnummer: 09-748009-13

Datum uitspraak: 13 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 december 2014 – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1980,

[BRP-adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 30 januari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte door de rechtbank Den Haag bij vonnis van 16 december 2014 vrijgesproken van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft – in een andere samenstelling - bij arrest van 21 januari 2016 het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 7 november 2017 dit arrest van het hof vernietigd en heeft de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juli 2013 te Zaandam en/of Katwijk aan de Rijn en/of Sassenheim, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (cocaïne) voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

- ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- op 17 juli 2013 vier (bruine kartonnen) vaten met daarin (ongeveer) 100 kilogram van het versnijdingsmiddel benzocaïne in handen gekregen van (een van) verdachtes mededader(s) en/of verstrekt aan (een van) verdachtes mededader(s); en/of

- de voornoemde vaten benzocaïne overgeladen in zijn auto; en/of

- de voornoemde vaten benzocaïne in zijn auto vervoerd; en/of

- ( telefonisch) instructies ontvangen en/of gekregen en/of gegeven en/of laten geven met betrekking tot de voornoemde vaten benzocaïne; en/of

- ( telefonisch) contacten onderhouden met een of meer mededader(s) met betrekking tot de voornoemde vaten benzocaïne; en/of

- ( grote) hoeveelheden van de versnijdingsmiddelen caffeïne en/of manitol en/of inositol van in totaal ongeveer 315 kilogram aanwezig heeft gehad in het pand aan de [adres] te Zaandam; en /of

- persen en/of mallen en/of verpakkingsmaterialen aanwezig heeft gehad in het pand aan de [adres] te Zaandam.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, naar het hof begrijpt: met vernietiging van het bestreden vonnis, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof zal de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden van de versnijdingsmiddelen cafeïne en/of manitol en/of inositol van in totaal ongeveer 315 kilogram en van het aanwezig hebben van verpakkingsmaterialen in het pand aan de [adres] te Zaandam, aangezien uit het enkele aanwezig hebben van deze goederen in een smartshop op zich niet vast staat dat hiermee een andere dan een legale bestemming wordt nagestreefd.

Bewijsmotivering en gevoerd verweer

Het hof is bij de beoordeling van het bewijs uitgegaan van de navolgende, uit wettige bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden.

De medeverdachte [medeverdachte] is op 17 juli 2013 aangehouden op een moment dat hij vier vaten met daarin in totaal ongeveer 100 kilogram benzocaïne in een auto vervoerde. Deze benzocaïne is geleverd door [medeverdachte 2], die heeft verklaard dat hij dit samen met [medeverdachte 3] heeft gedaan en dat zij daar beiden € 400,- winst op maakten. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de benzocaïne is besteld door een Nederlandse man die zei dat hij namens iemand uit de omgeving van verdachte kwam. Verdachte zou in eerste instantie de benzocaïne ook komen ophalen. [medeverdachte 2] verklaart voorts dat hij zijn opdrachtgevers heeft gebeld. Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] belt met verdachte en hem later ook een sms stuurt met het adres waar de bestelling kan worden opgehaald.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat verdachte ook telefonisch met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gesproken over het door deze afhalen van de vaten benzocaïne.

[medeverdachte] heeft de vaten benzocaïne vervolgens op straat – en op de door [medeverdachte 2] aan verdachte bekend gemaakte locatie - uit de auto van [medeverdachte 2] overgeladen in zijn eigen auto.

Direct na zijn aanhouding is bij onderzoek van de kleding van [medeverdachte] gebleken dat hij twee notitieblaadjes bij zich droeg met daarop teksten als: “andere Benzo?”, “voor toekomst 250 kg” en “toekomst kan grote aantallen 500 kg”. [medeverdachte] had voorts een betaalpas op naam van verdachte bij zich.

[medeverdachte] is eigenaar van een zogenaamde smartshop, gevestigd in Zaandam op het adres [adres] aldaar. De verdachte is in ieder geval incidenteel ook in deze smartshop werkzaam en beschikt ook over de sleutels van het bedrijfspand.

Na de aanhouding van de medeverdachte is ook genoemde smartshop doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn verschillende goederen aangetroffen die door de verbalisant worden gespecificeerd als zijnde goederen die in eerdere onderzoeken met betrekking tot verdovende middelen zijn aangetroffen en die mede of zelfs uitsluitend worden gebruikt voor het bereiden van harddrugs, zoals persen, vingermallen en speciale ballonnen.

Tijdens deze doorzoeking werd in het pand ook een lijst aangetroffen waarop onder meer vermeld stond het smeltpunt van diverse stoffen, waaronder van benzocaïne en van cocaïne (in verschillende vormen) en andere harddrugs (amfetamine) en van verschillende gangbare versnijdingsmiddelen.

Bovendien is komen vast te staan dat [medeverdachte] en de verdachte ook over andere goederen konden beschikken die nodig zijn bij het bereiden van harddrugs. Bij de doorzoeking van de auto van de verdachte, zijn, naast andere goederen die (mede) te relateren zijn aan het bereiden/verwerken van verdovende middelen, zoals weegschalen, verpakkingsmateriaal en adembeschermingsmiddelen, ook sporen van lidocaïne aangetroffen.

Uit het dossier is voorts gebleken dat benzocaïne (en lidocaïne) kan/kunnen worden aangewend als versnijdingsmiddel voor (onder meer) cocaïne, hoewel ook sprake kan zijn van andere – legale – toepassingen. Dat laatste neemt niet weg dat benzocaïne vanwege de eerstgenoemde toepassing kan worden aangemerkt als een stof als bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de Opiumwet (hierna: Ow).

De verdachte wordt verweten zich samen met de medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt te hebben aan hetgeen in artikel 10a Ow strafbaar is gesteld, te weten het voorhanden hebben van de stof benzocaïne, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die stoffen bestemd zijn om – kort gezegd – het plegen van een strafbaar feit met betrekking tot harddrugs (artikel 10 Ow) voor te bereiden of te bevorderen.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte nauw en direct betrokken is geweest bij de bestelling en aflevering (door middel van overdracht vanuit de bestelauto) van de betreffende partij benzocaïne. Met deze vaststelling is echter op zichzelf nog niet tevens bewezen dat deze benzocaïne bestemd was voor het voorbereiden dan wel bevorderen van strafbare feiten met betrekking tot harddrugs.

Naar het oordeel van het hof dienen bij de beoordeling of een bepaald voorwerp en/of stof “bestemd” is tot het begaan van voormelde misdrijven een drietal criteria te worden betrokken:

a. de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen;

b. het gebruik daarvan;

c. het “misdadige doel” dat de verdachte met het gebruik voor ogen stond (i.c. of medeverdachte de benzocaïne voorhanden had met als doel het voorbereiden van strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 Ow)

(vgl. o.m. HR 20 februari 2007, LJN AZ0213).

Ad a: de uiterlijke verschijningsvorm

Uit het voorgaande blijkt dat sprake is van een zeer aanzienlijke hoeveelheid benzocaïne, die bovendien was opgeslagen in vier aparte vaten van 25 kg. Voorts is gebleken dat de benzocaïne niet rechtstreeks en op eigen naam aan verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] is geleverd, maar via tussenpersonen, die daarop in totaal € 800,- winst maakten. Verdachte noch [medeverdachte] hebben een verklaring gegeven waarom voor deze kostbare en omslachtige manier van verwerving is gekozen in plaats van de benzocaïne zelf te bestellen.

Het hof constateert voorts dat de ingeschakelde tussenpersonen onderling spreken op een wijze die naar het oordeel van het hof als versluierd spraakgebruik moet worden geduid. Tevens valt de wijze van leveren c.q. overladen van de benzocaïne door [medeverdachte 2] aan [medeverdachte] op, te weten op straat vanaf de achterbank van een personenauto in een andere auto. Niet gebleken is ook dat daarbij ook een factuur/(aflever)document aan [medeverdachte] werd overgedragen, hetgeen eveneens verwacht zou kunnen worden indien het zou gaan om goederen die bestemd zijn voor legale verkoop.

Het hof overweegt in dit verband mede dat niet aannemelijk is geworden dat de betreffende 100 kg benzocaïne voor een ander dan verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] was bestemd. [medeverdachte] heeft zulks wel gesteld, doch zelf niet duidelijk willen verklaren wie deze persoon dan wel zou zijn geweest.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de voorgaande feiten en omstandigheden dat kennelijk geen sprake was van een gebruikelijke, legale economische transactie, maar van een transactie waarbij door verdachte en zijn medeverdachte, in samenwerking met anderen, zoveel mogelijk werd gepoogd de identiteit van de uiteindelijke verkrijger van de benzocaïne (zijnde verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]) te versluieren. Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm merkt het hof de wijze van verkrijging van de benzocaïne dan ook aan als een zeer sterke indicatie dat de onderhavige benzocaïne niet bestemd was voor een legale toepassing.

Ad b. het gebruik van de benzocaïne

Uit het voorgaande blijkt reeds dat benzocaïne mede wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne. Daarnaast kent het onder meer toepassingen in de geneesmiddelen- en condoomindustrie, alsook (zeer) incidenteel als voedings- of dieetsupplement. Uit het politieonderzoek is gebleken dat in de smartshop waarin zowel verdachte als [medeverdachte] werkzaam waren in (zeer) geringe hoeveelheden stoffen als lidocaïne en manitol onder de noemer van voedingssupplement worden verkocht. Deze verkoop is op zichzelf legaal.

Het hof constateert echter dat niet gebleken is dat in de smartshop ook benzocaïne als voedingssupplement (of voor enig andere toepassing) verkocht. Het kasboek van de verkopen van de smartshop bevat daarvoor geen enkele aanwijzing. Ook de grote hoeveelheid waarin de benzocaïne is aangekocht wijst er naar het oordeel van het hof bepaald niet op dat deze benzocaïne was bestemd om vanuit de smartshop als voedingssupplement te worden verkocht.

Het hof wijst in dit verband ook op de twee notitieblaadjes die bij [medeverdachte] zijn aangetroffen met daarop teksten als: “andere Benzo?”, “voor toekomst 250 kg” en “toekomst kan grote aantallen 500 kg”. Ook deze notities wijzen op een zodanig grootschalige afname van benzocaïne, dat die in redelijkheid niet valt te rijmen met de zeer kleine hoeveelheden waarin in de smartshop stoffen als voedingssupplement verkocht.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat ook ten aanzien van het gebruik van de benzocaïne niet aannemelijk is geworden dat deze een legale bestemming had.

Ad c. Was de benzocaïne bestemd voor het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 Ow?

Het hof merkt in dit verband op dat naar vaste rechtspraak bij de beoordeling van de bestemming van voorwerpen en stoffen, deze ook in hun gezamenlijkheid kunnen worden beoordeeld.

In de smartshop, waarvan zoals reeds overwogen ook verdachte de sleutel had, en alwaar hij regelmatig werkzaam was zijn, diverse goederen aangetroffen die in eerdere onderzoeken met betrekking tot verdovende middelen zijn aangetroffen en die naar de mening van de betreffende verbalisant in de vorm waarin ze vanuit de smartshop worden aangeboden mede dan wel uitsluitend worden gebruikt voor het bereiden van harddrugs, zoals persen, vingermallen en speciale ballonnen.

Daarnaast kent het hof in dit opzicht belangrijke betekenis toe aan het feit dat tijdens de doorzoeking in het pand ook een lijst met vermelding van onder meer het smeltpunt van diverse stoffen, waaronder van benzocaïne, van cocaïne (in verschillende vormen) en van andere harddrugs (amfetamine) is aangetroffen. Deze gegevens zijn onder meer van belang, indien men meerdere van de stoffen op deze lijst met elkaar zou willen vermengen.

Het hof duidt het - als gevolg van het bestellen door verdachte - voorhanden hebben van de benzocaïne door [medeverdachte] in gezamenlijkheid met de overige in de smartshop aangetroffen goederen, waarvan in ieder geval een deel mede of uitsluitend is bestemd voor de bereiding of verwerking van harddrugs en met voormelde lijst van smeltpunten van onder meer benzocaïne en cocaïne, welke lijst een zeer directe relatie heeft met de bereiding van onder meer harddrugs, waaronder cocaïne. Nu verdachte voorts regelmatig werkzaam was in de smartshop en hij ook door middel van de sleutel ook volledig toegang tot de smartshop had, gaat het hof er – bij gebreke van een aannemelijke andersluidende verklaring van de verdachte – vanuit dat verdachte ook kennis droeg van de aanwezigheid van deze lijst in de smartshop.

Uit de gezamenlijkheid van de vermelding van benzocaïne tezamen met harddrugs op deze lijst leidt het hof af dat verdachte zich ook bewust was, of minst genomen een ernstig vermoeden moet hebben gehad dat benzocaïne een stof was die als vermengings- c.q. versnijdingsmiddel met harddrugs kon worden gebruikt.

Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten en omstandigheden dat er zeer sterke aanwijzingen zijn dat voormelde benzocaïne was bestemd voor de bereiding (c.q. het versnijden) van harddrugs, alsook dat verdachte daaromtrent minimaal een ernstig vermoeden moet hebben gehad.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, zeker in onderlinge samenhang en verband bezien, zeer sterke aanwijzingen opleveren dat de benzocaïne bestemd was tot het plegen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 Ow. Aldus is sprake vaneen situatie, waarin van de verdachte(n) een nadere uitleg mag worden verwacht omtrent de bestemming van de betreffende 100 kg benzocaïne.

Verdachte heeft echter geen aannemelijke, het voorgaande zeer sterke bewijsvermoeden ontzenuwende, uitleg gegeven.

Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de 100 kg benzocaïne die de medeverdachte [medeverdachte] feitelijk voorhanden had bestemd was tot het plegen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 Ow, alsook dat verdachte wist of minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat met de benzocaïne harddrugs zouden (kunnen) worden vervaardigd en dat aldus sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen.

Medeplegen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat geen sprake is geweest van medeplegen. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Gelet op het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat de verdachte:

- zowel bij het initiële besteltraject als tijdens de levering (door het onderhouden van telefonisch contacten met zowel de leverancier als [medeverdachte]) een directe betrokkenheid heeft gehad bij het direct daarop volgende aanwezig hebben van de benzocaïne door [medeverdachte];

- regelmatig werkte in de smartshop van de medeverdachte [medeverdachte] en in het bezit was van een sleutel/afstandsbediening van deze smartshop. In deze smartshop zijn diverse voorwerpen aangetroffen die worden gebruikt voor het bereiden van harddrugs.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte bij het feitelijk voorhanden hebben van de benzocaïne door de medeverdachte [medeverdachte] een zodanig bepalende, gewichtige en organiserende rol heeft gespeeld, dat deze gedragingen dienen te worden gekwalificeerd als medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de overige in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen is naar het oordeel van het hof eveneens sprake van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte] dat ook de bewezenverklaarde gedragingen met betrekking tot deze voorwerpen als medeplegen dient te worden gekwalificeerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 17 juli 2013 te Zaandam en/of Katwijk aan de Rijn en/of Sassenheim, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (cocaïne) voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- heeft getracht zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) te verschaffen en/of

- (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/ofstoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- op 17 juli 2013 vier (bruine kartonnen) vaten met daarin (ongeveer) 100 kilogram van het versnijdingsmiddel benzocaïne in handen gekregen van (een van) verdachtes mededader(s) en/of verstrekt aan (een van) verdachtes mededader(s); en/of

- de voornoemde vaten benzocaïne overgeladen in zijn auto; en/of

- de voornoemde vaten benzocaïne in zijn auto vervoerd; en/of

- ( telefonisch) instructies ontvangen en/of gekregen en/of gegeven en/of laten geven met betrekking tot de voornoemde vaten benzocaïne; en/of

- ( telefonisch) contacten onderhouden met een of meer mededader(s) met betrekking tot de voornoemde vaten benzocaïne; en/of

- (grote) hoeveelheden van de versnijdingsmiddelen caffeïne en/of manitol en/of inositol van in totaal ongeveer 315 kilogram aanwezig heeft gehad in het pand aan de [adres] te Zaandam; en /of

- persen en/of mallen en/of verpakkingsmaterialen aanwezig heeft gehad in het pand aan de [adres] te Zaandam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen tot het bereiden/verwerken van harddrugs door een grote hoeveelheid benzocaïne aanwezig te hebben, die bestemd was als versnijdingsmiddel. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Bovendien leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Het hof komt tot een lagere straf dan de vordering van de advocaat-generaal, gelet op de omstandigheid dat het enkel gaat om voorbereidingshandelingen door het aanwezig hebben van een versnijdingsmiddel en niet om harddrugs zelf. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat in beginsel een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de officier van justitie op 24 december 2014 hoger beroep heeft ingesteld en het hof – na terugwijzing van de Hoge Raad der Nederlanden – eindarrest wijst op 13 februari 2018. Daarmee is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep met ongeveer een jaar en 2 maanden overschreden. Gelet op deze termijnoverschrijding is het hof van oordeel dat in overeenstemming met de geldende jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) de hoogte van de onvoorwaardelijk op te leggen taakstraf met tien procent zal worden gematigd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 193 (honderddrieënnegentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 216 (tweehonderdzestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 108 (honderdacht) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. A. Kuijer, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 februari 2018.