Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2448

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
BK-17/00899
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7619, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het principaal hoger beroep is in geschil of de aanslag bevoegdelijk is opgelegd. Het Hof gaat met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij aan de klacht dat alle stukken betreffende (de publicatie van) de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden (de GRD) door de heffingsambtenaar dienen te worden overlegd omdat geen geschil bestaat over de voor het onderhavige jaar geldende tekst van de GRD en voorts niet is gebleken dat belanghebbende is benadeeld door de door hem gestelde gebreken. De directeur Gemeentebelastingen Drechtsteden heeft bij het opleggen van de aanslag en voor diverse proceshandelingen gebruik gemaakt van het briefpapier van de gemeente ……. en daarbij ondertekend als 'heffingsambtenaar van de gemeente …... Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat geen sprake is van een bevoegdheidsgebrek, aangezien de bevoegde heffingsambtenaar - de directeur Gemeentebelastingen Drechtsteden - alle handelingen heeft verricht als directeur, optredend als heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 232, lid 4, letter a, juncto artikel 231, lid 2, letter b, van de Gemeentewet. Ook het incidenteel hoger beroep van belanghebbende is gegrond. Nu nog geen betaling heeft plaatsgevonden van het door de Rechtbank vastgestelde, door de heffingsambtenaar verschuldigde bedrag ter zake van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, is de heffingsambtenaar daarover wettelijke rente verschuldigd vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening (zie HR ECLI:NL:HR:2016:315, BNB 2016/94). Volgt terugwijzing naar de Rechtbank voor een beslissing over het materiële geschilpunt dat partijen verdeeld houdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2018
V-N Vandaag 2018/2021
Viditax (FutD), 08-11-2019
NTFR 2019/803
NLF 2018/2108 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00899

Uitspraak van 19 september 2018

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.C. Scherff)

en

de directeur van de Gemeentebelastingen Drechtsteden, de heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: D.J. Vecht)

op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 10 oktober 2017, nummer ROT 16/914, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2015 aanslagen in de rioolheffing van de gemeente [Z] opgelegd voor het object [Y] te [Z] ten bedrage van € 74,52 (aanslag voor de gebruiker) en van € 151,92 (aanslag voor de eigenaar).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, de aanslagen vernietigd, vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 gelast, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 700,50, de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van belanghebbende, vastgesteld op € 333 en de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade van belanghebbende, vastgesteld op € 167.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De heffingsambtenaar is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 april 2018, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van [A] , kenmerk BK-17/00897, [B] kenmerk BK-17/00898 en [C] , kenmerk BK-17/00900, betreffende de aan deze belastingplichtigen voor het jaar 2015 opgelegde aanslagen in de rioolheffing van de gemeente [Z] . Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.3.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden.

2.4.

Met toestemming van partijen is een nadere mondelinge behandeling achterwege gebleven.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [Y]

te [Z] .

3.2.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28 februari 2015 een aanslag rioolheffing opgelegd van € 74,52 (aanslag voor de gebruiker), alsmede een aanslag rioolheffing van € 151,92 (aanslag voor de eigenaar).

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

"2. Als eerste dient te worden beoordeeld of de aanslagen bevoegd zijn opgelegd.

3. De aanslagen zijn opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] . Ook zijn de uitspraken op bezwaar door de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] gedaan en in beroep heeft de gemachtigde zich gesteld namens de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] . Verder is [de heffingsambtenaar] ter zitting -volgens zijn verklaring- verschenen als heffingsambtenaar van de gemeente [Z] . De nadere stukken in beroep zijn door de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] ondertekend.

De vraag is allereerst of deze heffingsambtenaar bevoegd was om de aanslagen op te leggen.

3.1

De bevoegdheid tot het opleggen van een gemeentelijke belastingaanslag ligt op grond van artikel 11 Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 231, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bij de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen (hierna: de heffingsambtenaar). Indien voor de heffing van gemeentelijke belastingen een gemeenschappelijke regeling is getroffen en bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, biedt het bepaalde in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet de wettelijke grondslag voor de aanwijzing van een ambtenaar van dat openbare lichaam als heffingsambtenaar.

3.2

De gemeente [Z] is samen met een aantal andere gemeenten op 8 maart 2006 de Gemeenschappelijke regeling Drechtsteden (de Regeling) aangegaan. Ten tijde van het opleggen van onderhavige aanslag is [de heffingsambtenaar] uitgegaan van versie 10.1 van de Regeling.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling is er een openbaar lichaam genaamd "Drechtsteden".

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling is het openbaar lichaam rechtspersoon op grond van artikel 8, eerste lid van de Wgr en gevestigd in Dordrecht.

Op grond van artikel 2, vierde lid, heeft Drechtsteden een inspecteur, een ontvanger, een ambtenaar van de Drechtsteden en een belastingdeurwaarder.

De inspecteur is grond van artikel 1, eerste lid en onder l. van de Regeling, de door het Drechtstedenbestuur aangewezen heffingsambtenaar.

Op grond van artikel 1, eerste lid en onder p. van de Regeling zijn belastingen: de gemeentelijke belastingen die de gemeenten heffen op grond van hoofdstuk XV van de Gemeentewet, zoals vastgelegd in bijlage 1, "Heffingen op basis van door deelnemende gemeenten vastgestelde belastingverordeningen".

Uit bijlage 1 van de Regeling volgt, kort gezegd, dat de rioolheffing van de gemeente [Z] een belasting is als bedoeld onder artikel 1, eerste lid en onder p. van de Regeling.

Het Drechtstedenbestuur heeft bij besluit van 10 februari 2011 (het aanwijzingsbesluit) op grond van artikel 232, vierde lid en onder a, van de Gemeentewet "de directeur van de Gemeentebelastingen Drechtsteden" als heffingsambtenaar aangewezen.

3.3

Uit het voorgaande volgt dat de rioolheffing van de gemeente [Z] is overgedragen aan Drechtsteden. De heffingsambtenaar van Drechtsteden is op grond van artikel 232, vierde lid en onder a, van de Gemeentewet aangewezen door het Drechtstedenbestuur als de heffingsambtenaar. Hieruit volgt dat deze exclusief bevoegd is om namens de bij het openbare lichaam aangesloten gemeenten belastingen te heffen.

3.4

Enkel voor belastingen die in bijlage 1 worden uitgezonderd van de Regeling geldt dat de bevoegdheid tot heffing niet is overgedragen. Voor die belastingen is niet de heffingsambtenaar van Drechtsteden, maar de heffingsambtenaar van de betreffende gemeente bevoegd (vergelijk rechtsoverweging 8.1 tot en met 8.3 van de uitspraak van 5 september 2017 van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2017:2607).

3.5 [

De heffingsambtenaar] betoogt dat uit het aanwijzingsbesluit volgt dat de directeur van de Gemeentebelastingen Drechtsteden als heffingsambtenaar kan optreden voor de verschillende bij de regeling aangesloten gemeenten. Dit is op zichzelf correct, maar dit betekent niet dat de directeur van Gemeentebelastingen Drechtsteden kan optreden als heffingsambtenaar van de gemeente [Z] ter zake van rioolheffing. De functie van heffingsambtenaar van de gemeente [Z] is voor de rioolheffing, na de overdracht naar Drechtsteden, opgehouden te bestaan.

3.6

Gezien de onder 3. vastgestelde feiten ziet de rechtbank geen aanleiding het bevoegdheidsgebrek te passeren op de voet van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, ook al niet omdat [de heffingsambtenaar] het gebrek dat aan de aanslagen kleeft niet heeft geheeld.

4. Nu de aanslagen zijn opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] en deze daartoe niet bevoegd was, kunnen de aanslagen reeds daarom niet in stand blijven.

5. Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van [belanghebbende] dat de bekendmaking van de Regeling niet rechtmatig heeft plaatsgevonden waardoor deze en de wijzigingen daarvan niet in werking zijn getreden, wat hier ook van zij, geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor hetgeen [belanghebbende] voor het overige aanvoert, waaronder de schending van het gelijkheidsbeginsel.

6. [Belanghebbende] verzoekt voorts tot een schadevergoeding omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.

6.1

Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad hierover, bijvoorbeeld in zijn arrest van 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2017:293, geldt het volgende.

6.2

Belastinggeschillen behoren binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Hierbij geldt dat behoudens bijzondere omstandigheden, die hier niet aan de orde zijn, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat [de heffingsambtenaar] het bezwaarschrift ontvangt.

6.3

In deze zaak is het bezwaarschrift op 14 april 2015 door [de heffingsambtenaar] ontvangen, terwijl de onderhavige uitspraak wordt gedaan op 10 oktober 2017. Daarom is de redelijke termijn met vijf maanden en ruim drie weken overschreden, naar boven afgerond zes maanden. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden heeft [belanghebbende] recht op een schadevergoeding van € 500,-.

Van de overschrijding van de redelijke termijn is een periode van drie maanden en vijf dagen, naar boven afgerond vier maanden, toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase (vergelijk Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292).

[De heffingsambtenaar] dient daarom 4/6 van € 500,- te betalen (€ 333,-) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 2/6 deel (€ 167,-).

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit en de aanslagen moeten worden vernietigd. [De heffingsambtenaar] dient het door [belanghebbende] betaalde griffierecht te vergoeden."

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.1.

In geschil is of de aanslag bevoegdelijk is opgelegd. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hebben partijen verklaard dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de Rechtbank voor behandeling van het materiële geschilpunt (beroep op het gelijkheidsbeginsel).

5.1.2.

Belanghebbende heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende, door de heffingsambtenaar te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 333.

5.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank. Wat betreft de vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade heeft de heffingsambtenaar zich ter zitting van het Hof gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

5.3.

Belanghebbende concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en voorts tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de heffingsambtenaar verschuldigde vergoeding van immateriële schade.

Beoordeling van het hoger beroep

Principaal hoger beroep

6.1.

De gemeente [Z] is samen met een aantal andere gemeenten een op 8 maart 2006 in werking getreden gemeenschappelijke regeling aangegaan, de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden (de GRD).

6.2.

Belanghebbende heeft in het verweerschrift in hoger beroep aangevoerd dat 'alle stukken betreffende (de publicatie van) de GRD' door de heffingsambtenaar dienen te worden overgelegd. Het Hof gaat met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan deze klacht voorbij, omdat de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd ter zitting heeft bevestigd dat geen geschil bestaat over de voor het onderhavige jaar geldende tekst van de GRD, hij voorts desgevraagd niet kon aangeven of belanghebbende is benadeeld door de door hem gestelde gebreken en het Hof ook overigens niet is gebleken dat belanghebbende daardoor is benadeeld. Volledigheidshalve merkt het Hof op dat een benadeling als bedoeld in artikel 6:22 van de Awb zich niet voordoet in het geval dat de belanghebbende een voordeel ontgaat doordat, zou het aan het besluit klevende gebrek niet worden geheeld, door tijdsverloop niet opnieuw een aanslag kan worden opgelegd (zie HR 6 november 2015, nr. 14/04967, ECLI:NL:HR:2015:3224, BNB 2016/29).

Bevoegdheid

6.3.

Uit hetgeen is opgenomen in overwegingen 3.1 en 3.2 van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede uit het voorgaande onder 6.2, volgt dat de bevoegdheid tot het heffen van rioolheffingen is overgedragen aan het openbaar lichaam Drechtsteden (de Drechtsteden) en dat de directeur Gemeentebelastingen Drechtsteden (de directeur) is aangewezen als heffingsambtenaar. Niet in geschil is dat de directeur de onderhavige aanslag heeft opgelegd. De directeur heeft daarbij gebruik gemaakt van het briefpapier van de gemeente [Z] . Daarnaast zijn ook diverse andere proceshandelingen, waaronder de uitspraak op bezwaar, gedaan door de directeur als 'heffingsambtenaar van de gemeente [Z] '. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat dit een en ander niet leidt tot een bevoegdheidsgebrek: de directeur heeft al deze handelingen immers verricht als directeur, optredend als heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 232, lid 4, letter a, juncto artikel 231, lid 2, letter b, van de Gemeentewet (Gw).

6.4.

Bij brief van 30 april 2018 heeft de heffingsambtenaar de ter zitting van 18 april 2018 gevraagde mandateringsregelingen en aanstellingsbesluiten, alsmede een overzicht van tekeningsbevoegde personen aan het Hof doen toekomen. Naar het oordeel van het Hof volgt uit deze stukken de bevoegdheid van de heffingsambtenaar. Anders dan de gemachtigde van belanghebbende in zijn reactie van 30 mei 2018 heeft gesteld, leidt de naamswijziging per 21 mei 2015 van 'directeur Gemeentebelastingen Drechtsteden' in 'directeur Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden' niet tot een ander oordeel. Aannemelijk is dat dit slechts een gewijzigde aanduiding (in verband met een functie-uitbreiding) betreft van de functie van de in de GRD aangewezen ‘inspecteur’. Het Hof ziet geen reden om te betwijfelen dat wat betreft de rioolheffing nog steeds dezelfde persoon door het Drechtstedenbestuur is aangewezen als ambtenaar van de Drechtsteden, als bedoeld in artikel 232, lid 4, letter a, van de Gw juncto artikel 1, lid 1, letter l, van de GRD. De hierop voortbordurende klacht opgenomen in onderdeel 3 van de reactie van belanghebbende van 30 mei 2018 ('Hoger beroep is niet-ontvankelijk'), faalt gelet op het hiervoor overwogene eveneens. Ten overvloede oordeelt het Hof dat van benadeling als bedoeld in artikel 6:22 Awb, zo al aan de orde, geen sprake is.

Incidenteel hoger beroep

6.5.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof laten weten dat de betaling van het door de Rechtbank vastgestelde, door de heffingsambtenaar verschuldigde bedrag ter zake van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn nog niet heeft plaatsgevonden, aangezien hij de uitkomst van de hogerberoepsprocedure wilde afwachten. Uit de regels die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, BNB 2016/94, volgt dat de uiterste datum waarop de hiervoor bedoelde betaling had moeten plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, derhalve in casu 8 november 2017. Dat heeft tot gevolg dat de heffingsambtenaar wettelijke rente is verschuldigd over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 333 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 10 oktober 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.

Slotsom

6.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, behoudens voor zover het betreft de beslissingen omtrent de vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schade. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de Rechtbank, teneinde met inachtneming van deze uitspraak een beslissing te nemen over het materiële geschilpunt dat partijen verdeeld houdt.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Er zijn termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De te vergoeden kosten van rechtsbijstand in hoger beroep worden op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het incidenteel hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof met een bedrag per punt van € 501 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1).

7.2.

Van de heffingsambtenaar wordt geen griffierecht geheven, aangezien de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover het betreft de beslissingen omtrent de vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schade;

  • -

    wijst de zaak terug naar de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.002; en

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 333 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 10 oktober 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, F.G.F. Peters en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 19 september 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.