Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2429

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
22-000616-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met zijn mededader een diefstal uit een auto gepleegd en vervolgens – met een lifehammer die zij onder andere uit die auto hadden gestolen – bij een tweede auto geprobeerd in te breken.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000616-18

Parketnummer: 10-226570-17

Datum uitspraak: 20 september 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 september 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 10 november 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een auto, (merk: Fiat 500, kenteken: [kentekennummer]) een lifehammer en/of een bandenspanningsmeter en/of I-phone oordopjes en/of diverse facturen en/of documenten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.


hij op of omstreeks 10 november 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen uit een personenauto (merk: BMW, kenteken: [KENTEKENNUMMER 2]), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, een ruit van voornoemde personenauto heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 november 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk: BMW, kenteken: [KENTEKENNUMMER 2], in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [aangever 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen, met aftrek van voorarrest en tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 10 november 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een auto, (merk: Fiat 500, kenteken: [kentekennummer]) een lifehammer en/of een bandenspanningsmeter en/of I-phone oordopjes en/of diverse facturen en/of documenten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten toebehorende aan [aangever 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.


hij op of omstreeks 10 november 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen uit een personenauto (merk: BMW, kenteken: [KENTEKENNUMMER 2]), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, tegen een ruit van voornoemde personenauto heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van medeplegen. De nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte kan niet worden vastgesteld, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier (proces-verbaal van bevindingen PL1700-2017358853-7) komt naar voren dat verbalisanten hebben waargenomen dat twee mannen, waarvan één van de twee de verdachte bleek te zijn, (samen) liepen in de [x] in de richting van de [y] te Rotterdam. Nadat de mannen het politievoertuig hadden gepasseerd, zagen de verbalisanten dat de twee mannen bij geparkeerd staande auto’s aan de portieren voelden en duidelijk zichtbaar in de auto’s keken. Beide mannen plaatsten diverse keren beide handen tegen de ruiten (het hof begrijpt: van de auto’s) om in de auto’s te kijken. Een van de verbalisanten heeft vervolgens gezien dat de mannen de [y] op liepen. Hij is uitgestapt en heeft gezien dat beide mannen in een geparkeerde auto zaten (de Fiat 500 met kenteken [kentekennummer]). Hij heeft verder gezien dat beide mannen aan het rommelen waren in de auto en één van hen met één van zijn handen rommelde in het dashboardkastje. In het proces-verbaal staat voorts vermeld dat de beide mannen uitstapten en aan de portieren van een personenauto achter en voor de Fiat 500 voelden en vervolgens doorliepen. Ook een andere verbalisant heeft gezien dat beide mannen in de Fiat 500 zaten.

Vervolgens is gezien dat beide mannen in de richting van de Oostervantstraat liepen en stopten bij een aldaar geparkeerd staande BMW. Door de verbalisant is gezien dat beide mannen de handen op de ruiten van de BMW plaatsten en in de auto keken, waarna de langste man (het hof begrijpt: de medeverdachte) een lifehammer uit zijn jaszak haalde en met deze lifehammer meerdere malen op de ruit van de BMW sloeg.

Uit de hiervoor geschetste omstandigheden leidt het hof af dat de mannen gezamenlijk in de BMW wilden inbreken. Dat de medeverdachte degene is geweest die met de lifehammer tegen de ruit van de BMW heeft geslagen en niet de verdachte, doet daaraan niet af, nu beide mannen in de auto hebben gekeken, voorafgaand samen in de Fiat 500 hebben gezeten, in verschillende auto’s hebben gekeken en aan portieren hebben gevoeld. Daarbij is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat kan worden gesproken van medeplegen.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededader een diefstal uit een auto gepleegd en vervolgens – met een lifehammer die zij onder andere uit die auto hadden gestolen – bij een tweede auto geprobeerd in te breken. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen. Diefstallen uit auto’s en auto-inbraken zijn zeer ergerlijke feiten en veroorzaken veel overlast.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. A.M. Hol, in bijzijn van de griffiers mr. S. Johannes en mr. E.K.B. Bijl.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 september 2018.

mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest te ondertekenen.