Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2371

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
200.234.270/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14182
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Art. 10:57 lid 1 BW. Echtscheidingsprocedure bij Nederlandse rechter na uitspraak Marokkaanse rechter. Erkenning Marokkaanse uitspraak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2019/9
PFR-Updates.nl 2018-0226
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 29 augustus 2018

Zaaknummer : 200.234.270/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-1548

Zaaknummer rechtbank : C/09/527923

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Salhi te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. van der Heide-Boertien te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 27 februari 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 december 2017 van de rechtbank Den Haag (hierna: de bestreden beschikking).

De man heeft op 11 april 2018 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de vrouw op 4 april 2018 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage ingekomen.

De zaak is op 11 juli 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de vrouw;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover thans van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat partijen [in] 2012 zijn gehuwd in [plaats] (Marokko). Zij hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en zij hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Door de rechtbank van eerste aanleg te Berrechid (Marokko) is bij beschikking van 6 juni 2017 op verzoek van de vrouw onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de echtscheiding.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en “opnieuw rechtdoende de rechtbank onbevoegd te verklaren om van het geschil kennis te nemen”, kosten rechtens.

3. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, indien nodig met aanvulling van de gronden waarop de beschikking berust, en (het hof begrijpt:) de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4. De vrouw stelt allereerst dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen, nu het echtscheidingsverzoek reeds was ingediend bij een rechtbank in Marokko. Volgens de vrouw had de rechtbank het primaire beroep van de vrouw op litispendentie van artikel 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moeten toewijzen, nu in dat artikel staat dat de Nederlandse rechter, indien een beslissing van een rechter van een vreemde staat voor erkenning en, in voorkomend geval, voor uitvoering in Nederland vatbaar is, zich onbevoegd dient te verklaren. Volgens de vrouw kan de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking in Nederland worden erkend, omdat de man op de hoogte was van de echtscheidingsprocedure in Marokko. Het echtscheidingsverzoek is in Marokko op het adres van de ouders van de man uitgereikt aan de vader van de man. Op verzoek van de Marokkaanse rechtbank is de man ook opgeroepen op het adres van zijn ouders in [woonplaats ouders van de man] . Dat de man zich blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) in 2011 heeft uitgeschreven op het adres van zijn ouders doet daar niets aan af. Anders dan de man stelt, was de man ook na 2011 nog woonachtig op het adres van zijn ouders in [woonplaats ouders van de man] , althans gebruikte hij dit adres om bereikbaar te zijn voor instanties. Daarnaast bezit de man niet alleen de Nederlandse nationaliteit, maar ook de Marokkaanse nationaliteit. Volgens de vrouw mag van een Marokkaans staatsburger worden verwacht dat hij zijn adresgegevens aan de overheid bekend maakt en wijzigingen doorgeeft. Voorts heeft de man op 6 oktober 2016 middels zijn advocaat per e-mail bevestigd op de hoogte te zijn van de in Marokko geëntameerde echtscheidingsprocedure. Ook tijdens de voorlopige voorzieningen procedure in eerste aanleg is aan de orde gekomen dat een echtscheidingsverzoek door de vrouw was ingediend bij de familierechtbank in Marokko. Nu de man aantoonbaar op de hoogte was van de echtscheidingsprocedure en hij er voor gekozen heeft geen verweer te voeren, kan volgens de vrouw niet anders geconcludeerd worden dan dat de man stilzwijgend met de echtscheiding heeft ingestemd.

5. De man is van mening dat de vrouw in haar verzoeken primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu in de grieven niet is aangegeven welk doel de vernietiging van de uitspraak van de

rechtbank zou dienen. Partijen willen beiden niet getrouwd blijven, waardoor enig belang bij hoger beroep ontbreekt. Verder stelt de man dat de rechtbank zich op goede gronden bevoegd heeft verklaard te oordelen over het verzoek om de echtscheiding uit te spreken. Het enkele feit dat in Marokko een echtscheidingsverzoek was ingediend, leidt niet tot de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, aangezien de man niet op deugdelijke wijze van die procedure op de hoogte is gesteld en niet in die procedure is betrokken. De vrouw heeft in het kader van de aanhangige procedures in Nederland en het overleg over de omgang met de kinderen van partijen in eerste instantie steeds gesteld niet gehuwd te zijn met de man. Pas later stelde zij pas dat een echtscheidingsprocedure in Marokko aanhangig was. De vrouw heeft desgevraagd op de voorlopige voorzieningenzitting geen stukken van de in Marokko aanhangige echtscheiding kunnen overleggen. Van een behoorlijke rechtspleging in Marokko is geen sprake geweest. Dat de man stilzwijgend heeft ingestemd met de echtscheiding, wordt door hem betwist.

Bevoegdheid

6. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 3 Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis-verordening) de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toekomt, nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

7. De vrouw betwist onder verwijzing naar artikel 12 Rv de bevoegdheid van de Nederlandse rechter maar dit artikel is in deze situatie niet van toepassing. Artikel 12 Rv houdt in dat, indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin nog geen beslissing is gegeven, de Nederlandse rechter de procedure hier kan aanhouden totdat in de buitenlandse procedure is beslist. Nadat daarin is beslist en deze beslissing erkend kan worden, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. De Marokkaanse rechter had echter al vóór de uitspraak van de Nederlandse rechter een beslissing gegeven, zodat de situatie van artikel 12 Rv niet aan de orde was.

Ontvankelijkheid

8. De vraag ligt voor of de uitspraak van de Marokkaanse rechter aan ontvankelijkheid van het verzoek tot echtscheiding van de man in de weg staat; de man kan immers alleen in zijn verzoek worden ontvangen als er - nog steeds - sprake is van een huwelijk. Uit artikel 10:57 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam. Uit artikel 10:57 lid 2 BW blijkt verder dat een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed die niet voldoet aan één of meer van de in lid 1 gestelde voorwaarden nochtans in Nederland wordt erkend, indien duidelijk blijkt dat de wederpartij hetzij tijdens de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met die ontbinding of scheiding van tafel en bed heeft ingestemd, dan wel na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust.

9. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de uitspraak van de Marokkaanse rechter niet kan worden erkend. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de erkenning van de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking in strijd is met de beginselen van behoorlijke rechtspleging die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden beschouwd. Naar het oordeel van het hof is de man niet behoorlijk in de procedure in Marokko opgeroepen. Hij is opgeroepen op het adres van zijn ouders in [woonplaats ouders van de man] , terwijl de man ten tijde van de oproeping echter niet op dit adres stond ingeschreven. Ook is het adres in [woonplaats ouders van de man] waar de man is opgeroepen foutief. Het woonadres van de ouders van de man is [adres] [woonplaats ouders van de man] , terwijl uit de Marokkaanse echtscheidingsbeschikking blijkt dat de oproep is verzonden naar het adres “ [foutief adres] in [woonplaats ouders van de man] Holland”. Dat de oproep op een andere wijze aan de man is verstuurd en hem heeft bereikt is evenmin gebleken. De vrouw heeft haar stellingen daartoe – mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man – niet voldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de vrouw in tussen partijen gevoerde procedures in Nederland melding heeft gemaakt van de Marokkaanse procedure, is daartoe onvoldoende. Dat geldt temeer nu de vrouw in het kader van die procedures geen stukken van de in Marokko gevoerde echtscheidingsprocedure heeft overgelegd. Er rust naar het oordeel van het hof ook geen verplichting op de man om actief te onderzoeken of er een procedure tegen hem aanhangig is. Verder is het hof van oordeel dat de man niet uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd met de ontbinding van het huwelijk door de Marokkaanse rechter of in de uitspraak berust. De man heeft dit ter zitting nogmaals bevestigd. De vrouw heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat dit wel het geval is geweest. De Marokkaanse echtscheidingsbeschikking kan dan ook niet worden erkend. De rechtbank heeft de man terecht ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

Echtscheiding

10. Nu voor het overige geen grieven zijn gericht tegen het uitspreken van de echtscheiding, zal de beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd.

Proceskosten

11. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, S.H.M. van der Heiden en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2018.