Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2308

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
200.228.939/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Nalatenschap; verzoek alsnog beneficiair aanvaarden na zuiver aanvaarden; artikel 4:194 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0090
FJR 2020/21.10
JERF Actueel 2019/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 september 2018

Zaaknummer : 200.228.939/01

Zaaknummer rechtbank : 6200775/VZ VERZ 17-19912

[appellante] ,

gevestigd te [plaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [de B.V.] ,

advocaat mr. M. Koene te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde 1] , en

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verweerders in hoger beroep,

hierna ook te noemen: de erfgenamen,

advocaat mr. M.J. op 't Ende te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

[de B.V.] is op 30 november 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2017 (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

De erfgenamen hebben op 27 februari 2018 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van [de B.V.] :

  • -

    op 28 december 2017 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 20 juni 2018 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 13 juli 2018 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    [de B.V.] vertegenwoordigd door mr. M. Koene en [financieel directeur van de B.V.] (financieel directeur van [de B.V.] );

  • -

    de erfgenamen, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    [gemachtigde] (gemachtigde in eerste aanleg van de erfgenamen).

De advocaat van [de B.V.] heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de erfgenamen machtiging verleend om de nalatenschap van de hierna te noemen erflater alsnog beneficiair te aanvaarden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

De verweerders zijn erfgenamen van [erflater] (hierna ook: erflater), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] en aldaar overleden op 14 september 2016.

De erfgenamen hebben blijkens de verklaring van erfrecht van 4 november 2016, afgegeven door [notaris] , notaris te Rotterdam, de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.

De erfgenamen hebben de kantonrechter verzocht hen op grond van het bepaalde in artikel 4:194a BW te machtigen om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden, nu zij na de zuivere aanvaarding bekend zijn geworden met een schuld van deze nalatenschap, welke zij niet kenden en ook niet behoorden te kennen. De kantonrechter heeft dit verzoek bij de bestreden beschikking toegewezen.

Volgens [de B.V.] heeft zij een vordering op [bedrijf] die op 23 december 2016 € 188.691,44 bedroeg, welke tot op heden onbetaald is gebleven en had erflater zich persoonlijk borg gesteld voor deze vordering.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. [de B.V.] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de erfgenamen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in eerste aanleg, althans dit verzoek alsnog af te wijzen; een verklaring voor recht te geven dat de akte van beneficiaire aanvaarding d.d. 25 september 2017 nietig is dan wel de akte van beneficiaire aanvaarding d.d. 25 september 2017 te vernietigen; de erfgenamen hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding te voldoen binnen zeven (7) dagen na het wijzen van de beschikking, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente is verschuldigd.

2. De erfgenamen verweren zich daartegen en verzoeken het hof – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – [de B.V.] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans haar deze te ontzeggen dan wel af te wijzen, met veroordeling van [de B.V.] in de kosten van deze procedure.

3. [de B.V.] voert twee grieven aan tegen de overwegingen van de rechtbank omtrent het tijdstip van de kennisname van de erfgenamen van de persoonlijke borgstelling. In grief 1 stelt [de B.V.] dat de rechtbank ten onrechte als volgt overweegt in rechtsoverweging 4.2 van de bestreden beschikking: “Evenmin is gebleken van omstandigheden op basis waarvan kan worden geoordeeld dat verzoekers beter hadden moeten weten of hadden moeten twijfelen over de aanwezigheid van een schuld en zij hebben nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen.” De erfgenaam [geïntimeerde 2] is betrokken geweest bij een groot deel van het mailverkeer [de B.V.] en [bedrijf] waarin uitgebreid wordt gecommuniceerd over de schuld van [bedrijf] aan [de B.V.] . Voornoemde correspondentie heeft plaatsgevonden voor 14 september 2016, de dag van overlijden van erflater. De betrokkenheid van [geïntimeerde 2] . bij voornoemde correspondentie geeft, in tegenstelling tot hetgeen in eerste aanleg is overwogen, blijk van omstandigheden op basis waarvan kan worden geoordeeld van de erfgenamen beter hadden moeten weten of in ieder geval hadden moeten twijfelen over de aanwezigheid van een schuld, aldus [de B.V.] .

In grief 2 voert [de B.V.] aan dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 van de beschikking ten onrechte als volgt overweegt: “Beoordeeld dient daarbij te worden of het verzoek binnen 3 maanden na het ontdekken van de schuld is ingediend. Aangezien het verzoek ter griffie is binnengekomen op 17 juli 2017 en verzoekers voor het eerst na ontvangst van de brief d.d. 18 april 2017 op de hoogte waren van de borgstelling, is het verzoek tijdig ingediend.”

Volgens [de B.V.] waren de erfgenamen vanaf 6 maart 2016, althans vanaf 13 oktober 2016, althans vanaf 10 maart 2017 op de hoogte van de afgegeven borgstelling. Op 6 maart 2016 is de borgstelling per e-mail verzonden aan [geïntimeerde 2] . Op 13 oktober 2016 heeft [de B.V.] per e-mail aan [geïntimeerde 2] gerefereerd aan de afgegeven borgstelling en op 10 maart 2017 is er tijdens een bijeenkomst met [financieel directeur van de B.V.] ( [de B.V.] ), de beide erfgenamen en [gemachtigde] gesproken over de afgegeven borgstelling. Derhalve hebben de erfgenamen het verzoek tot schriftelijke machtiging niet binnen drie maanden na het ontdekken van de schuld ingediend en dient de bestreden beschikking te worden vernietigd en dienen de erfgenamen alsnog niet-ontvankelijk in eerste aanleg te worden verklaard, aldus [de B.V.] .

4. De erfgenamen verweren zich daartegen als volgt. De erfgenamen stellen dat de kantonrechter terecht en op juiste gronden heeft overwogen en vastgesteld, dat de erfgenamen de borgstelling door erflater niet kenden en hen daarom ook terecht machtiging hebben verleend tot beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap.

De erfgenamen stellen ten aanzien van de beneficiaire aanvaarding dat zij voor het eerst in april 2017 van [de B.V.] hebben moeten begrijpen dat door hun vader een borgstelling zou zijn afgegeven. [de B.V.] heeft de overeenkomst van borgstelling vervolgens op 10 mei 2017 aan de gemachtigde van de erfgenamen toegezonden. Dat was het eerste moment waarop de erfgenamen kennis hebben genomen van deze schuld van de nalatenschap. Daarmee zijn de erfgenamen dus pas na de zuivere aanvaarding bekend geworden met een schuld van de nalatenschap, die zij niet kenden, aldus de erfgenamen.

Ten aanzien van de borgstelling betwisten de erfgenamen, al dan niet bij gebrek aan wetenschap, de inhoud en juistheid van de borgstelling. De erfgenamen hebben nimmer de beschikking gekregen over een origineel exemplaar van de borgstellingsovereenkomst. De erfgenamen wijzen er voorts op dat de overeenkomst niet door [de B.V.] zelf is ondertekend en in de slotzin met pen een bedrag is ingevuld zonder paraaf of handtekening voor akkoord. Voor zover het hof meent dat er wel zou kunnen worden gesproken van een borgstellingsovereenkomst beroepen de erfgenamen zich op dwaling ex artikel 6:228 BW, al dan niet partieel. Zij sluiten niet uit dat [de B.V.] de erflater heeft doen dwalen ten tijde van het sluiten van de borgstellingsovereenkomst.

Ten aanzien van grief 1 stellen de erfgenamen dat de uitleg welke [de B.V.] geeft aan artikel 4:194 BW aanzienlijk verder gaat dan wat de wetgever heeft voorgestaan. Immers, uit de tekst zou blijken dat bescherming wordt geboden tegen schulden welke de erfgenaam ten tijde van de zuivere aanvaarding niet kende en niet, zoals door [de B.V.] wordt gesteld, onder de gegeven omstandigheden behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over het bestaan van een schuld en nagelaten heeft hiernaar nader onderzoek te doen. Voorts betwisten de erfgenamen dat [geïntimeerde 2] . rechtstreeks betrokken is geweest bij de correspondentie over de borgstelling. De erfgenamen bieden aan hun stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, in het bijzonder door het (doen) horen van getuigen.

5. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat ter zitting aan partijen uitdrukkelijk is voorgelegd dat in eerste aanleg niet alle belanghebbenden door de kantonrechter zijn opgeroepen. De erfgenamen hadden de schuldeisers van erflater waaronder [de B.V.] als belanghebbenden moeten aanmerken in hun inleidende verzoekschrift en de kantonrechter had [de B.V.] ambtshalve moeten oproepen als belanghebbende.

Nu beide partijen ter zitting in hoger beroep in dit kader hebben verklaard dat er - behoudens een vordering van een andere crediteur die bekend was en erkend, en waarmee een regeling was getroffen - geen andere schuldeisers van de nalatenschap zijn, en het hof derhalve constateert dat er geen andere crediteuren zijn wier positie benadeeld zou kunnen worden door het verzoek van de erfgenamen, ziet het hof aanleiding om de onderhavige zaak in hoger beroep zelf af te doen, en niet terug te verwijzen naar de kantonrechter.

6. Het inleidende verzoek van de erfgenamen is gebaseerd op artikel 4:194a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond hiervan wordt een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om de nalatenschap alsnog beneficiair te aanvaarden.

7. Uit artikel 4:194a BW volgt dat de uitzonderingsclausule van dit artikel alleen bescherming biedt voor schulden die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het BW (artikel 3:11 BW) (MvT, TK 34224,nr. 3). Goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van aanvaarding van de nalatenschap. Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan hij niet als te goeder trouw worden aangemerkt.

8. Ten aanzien van [geïntimeerde 1] is het hof op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de kantonrechter op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd of gebleken die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [geïntimeerde 1] niet betrokken is geweest bij de correspondentie aangaande de borgstelling en nimmer betrokken is geweest bij enige bespreking aangaande een door haar vader af te geven borgstelling. Ter zitting is onweersproken verklaard dat zij geen bemoeienis had met de zaken van haar vader en niet op de hoogte was van zijn zakelijke activiteiten. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat zij ten tijde van de zuivere aanvaarding niet op de hoogte was van de borgstelling van € 162.016,22, waarbij aannemelijk is dat indien zij hiermee wel bekend was geweest, zij ook niet tot de keuze van zuivere aanvaarding was overgegaan. Vervolgens dient te worden onderzocht of zij tijdig – binnen drie maanden na de ontdekking van de onderhavige schuld – het verzoek heeft gedaan aan de kantonrechter. Het is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde 1] op basis van de bespreking van 10 maart 2017 geacht moet worden te hebben begrepen dat er op grond van de borgstelling door de erflater een (voor haar nieuwe) schuld in de nalatenschap bleek te bestaan. Als onderdeel van die bespreking is toen kort gesproken over een borgstelling door erflater, zo blijkt uit het transcript van dit onderdeel van de bespreking. De vertegenwoordiger van [de B.V.] bleek tijdens de bespreking de mening te zijn toegedaan dat de borgstelling door het overlijden van erflater was komen te vervallen en voor het overige wordt er geen duidelijkheid geboden over achtergrond en omvang van de borgstelling. Dat brengt met zich dat het verzoek van [geïntimeerde 1] tijdig is ingediend omdat zij niet geacht kan worden vóór ontvangst van de brief van 18 april 2017 daadwerkelijk te hebben begrepen dat er een voor haar nieuwe schuld in de nalatenschap van erflater bleek te bestaan uit hoofde van de borgstelling. In dit licht bezien, kan de machtiging om alsnog beneficiair te aanvaarden ten aanzien van deze erfgenaam in stand blijven.

9. Ten aanzien van [geïntimeerde 2] overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en het besprokene ter zitting is gebleken dat op 2 maart 2016 een overeenkomst van borgstelling is gesloten tussen de vader (erflater, als borg), [de B.V.] (als schuldeiser) en [bedrijf] (als schuldenaar) waarbij de erflater zich persoonlijk borg heeft gesteld voor een bedrag van € 162.016,22. Het is het hof genoegzaam gebleken dat deze borgstelling op 6 maart 2016 door [de B.V.] per e-mail aan [erflater] (erflater) en [geïntimeerde 2] is gestuurd. Het is verder gebleken dat in de periode van 22 april 2016 tot en met september 2016 mailverkeer heeft plaatsgevonden tussen [de B.V.] en [bedrijf] , waarbij [de B.V.] meerdere malen heeft verzocht om betaling van openstaande facturen. Voornoemde e-mails zijn onder meer gericht aan de erflater en aan [geïntimeerde 2] , Op 13 oktober 2016 heeft [de B.V.] per e-mail aan [geïntimeerde 2] gerefereerd aan de afgegeven borgstelling. Het is het hof voorts gebleken dat de erflater en [geïntimeerde 2] altijd gezamenlijk zaken deden en ook samen circa eens per twee maanden op bezoek kwamen op het kantoor van [de B.V.] in [plaats] , waarbij de erflater het woord deed, en [geïntimeerde 2] aanwezig was. Het hof neemt bovendien in aanmerking dat ter gelegenheid van de eerder gememoreerde bespreking op 10 maart 2017 de borgstelling aan [de B.V.] is besproken en dat [geïntimeerde 2] blijkens het transcript van die bespreking toen aangegeven heeft op de hoogte te zijn van de door erflater afgegeven borgstelling. Uit het vorenstaande volgt dat dat de onderhavige schuld uit borgstelling ten aanzien van [geïntimeerde 2] niet kan worden aangemerkt als een onverwachte schuld. Het is mogelijk dat de schuld niet uit de administratie van erflater bleek, maar [geïntimeerde 2] wist in ieder geval op andere wijze van het bestaan van de schuld. Het betoog van [geïntimeerde 2] dat hij de e-mails niet kende en niet heeft gelezen, acht het hof, in het licht van de onderbouwde betwisting van [de B.V.] , weinig geloofwaardig. Ook al zou dat het geval zijn geweest, dat neemt niet weg dat hij daarvan op de hoogte had kunnen zijn en dat het niet lezen van aan hem gerichte mails niet meebrengt dat hij redelijkerwijs de meergenoemde schuld niet behoorde te kennen. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde 2] aldus ten tijde van de zuivere aanvaarding van de nalatenschap op 4 november 2016 op de hoogte geweest van zowel de schulden van [bedrijf] als de aanwezigheid van de persoonlijke borgstelling van erflater althans behoorde hij die te kennen. Ook al zou [geïntimeerde 2] pas na het overlijden van erflater bekend zijn geworden met de onderhavige schuld – hetgeen blijkens het vorenstaande niet het geval is – dan was hij dat in ieder geval tijdens de bespreking op 10 maart 2017, zodat zijn verzoek als bedoeld in art.4:194a BW op 19 juli 2017 te laat is ingediend. Zijn inleidend verzoek dient alsnog te worden afgewezen,

10. Uit dit alles volgt dat de bestreden beschikking ten aanzien van [geïntimeerde 1] moet worden bekrachtigd en ten aanzien van [geïntimeerde 2] dient te worden vernietigd. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Proceskosten

11. Het hof ziet, gelet op de uitkomst, geen aanleiding om - zoals partijen over en weer hebben verzocht - de andere partij te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en zal de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij door de kantonrechter aan [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] machtiging is verleend om de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij door de kantonrechter aan [geïntimeerde 2] , wonende te [woonplaats] machtiging is verleend om de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van [geïntimeerde 2] om machtiging te verlenen de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te aanvaarden, af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H.N. Stollenwerck, D. Wachter en J.B. Backhuijs, bijgestaan door F.L. Lekahena als griffier en uitgesproken ter terechtzitting van 12 september 2018.