Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:230

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
200.230.171/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante kan niet in appel komen van de uitspraak tot toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling; rechter mocht ervan uitgaan dat appellante haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wilde handhaven; geen sprake van schending van essentiële vormen; niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.230.171/01

Rekestnummer rechtbank : C/10/17/1047

arrest van 13 februari 2018

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam.

Het geding

Bij verzoekschriften, ingekomen ter griffie van het hof op 27 december 2017, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2017, waarbij haar verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling is afgewezen en haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is toegewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarbij haar verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling is afgewezen te vernietigen en voorwaardelijk, voor zover het hof mocht overgaan tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling, het vonnis waarbij de schuldsaneringsregeling op [appellante] van toepassing is verklaard, te vernietigen. Op 31 januari 2018 en 1 februari 2018 zijn de processtukken van de eerste aanleg en een aantal producties aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Verschenen is: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Ter zitting in hoger beroep is in de eerste plaats aan de orde gesteld of [appellante] in haar (voorwaardelijk) beroep tegen het toewijzen van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ontvankelijk is. Daarover wordt het volgende overwogen.

2. Het stelsel van rechtsmiddelen van uitspraken met betrekking tot de in de in artikelen 284 en 287a Faillissementswet (Fw) geregelde verzoeken, is neergelegd in artikel 292 Fw. Ingevolge het tweede lid van artikel 292 Fw kan tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling noch door schuldeisers noch door andere belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld. Het derde lid van artikel 292 Fw bepaalt dat de schuldenaar tegen de uitspraak tot afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep kan komen. Wanneer het verzoekschrift tevens een verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a, eerste lid, Fw inhield, wordt dit (afgewezen) verzoek eveneens aan het gerechtshof voorgelegd. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) beslist dat een redelijke en met de behoeften van de praktijk strokende uitleg van artikel 292 Fw meebrengt dat de schuldenaar die zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de rechtbank afgewezen ziet, terwijl hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handhaaft, in hoger beroep kan opkomen tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Indien het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is gehandhaafd en toegewezen, is hoger beroep tegen de afwijzing van het bevel tot instemming met een schuldregeling uitgesloten; zie rov. 3.6.2 van het arrest van de Hoge Raad.

3. De voorgaande regels brengen mee dat [appellante] – in beginsel – niet in appel kan komen van de uitspraak tot toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. [appellante] heeft betoogd dat er aanleiding is om haar toch ontvankelijk te achten. [appellante] betoogt daartoe dat de rechtbank heeft nagelaten aan haar de vraag te stellen of zij in hoger beroep wenst te gaan tegen de (naar het hof begrijpt: mogelijke) afwijzing van het dwangakkoord, en dat [appellante] in verband daarmee had moeten worden medegedeeld dat dit alleen mogelijk zou zijn als [appellante] haar schuldsaneringsverzoek zou intrekken. [appellante] zou, zo stelt zij, deze vraag bevestigend hebben beantwoord en na overleg met haar advocaat zou zij dan hebben moeten overwegen het schuldsaneringsverzoek in te trekken. De rechtbank heeft deze vraag niet gesteld, maar wel het schuldsaneringsverzoek toegewezen zodat deze regeling thans op haar van toepassing is.

4. Voor zover [appellante] bedoelt te betogen dat de beslissing op haar schuldsaneringsverzoek had moeten worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van haar hoger beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoord, faalt dat betoog. Het hierboven onder 2 uiteengezette stelsel van rechtsmiddelen voorziet niet in de mogelijkheid dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt aangehouden totdat in hoger beroep (en eventueel in cassatie) op het verzoek om een bevel tot instemming met de schuldregeling is beslist.

5. Voor zover [appellante] bedoelt te betogen dat in haar geval een uitzondering op bovengenoemd stelsel moet worden gemaakt, omdat de rechter in eerste aanleg heeft nagelaten haar voldoende duidelijk te maken dat tegen een – mogelijke – afwijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met de schuldregeling slechts hoger beroep mogelijk zou zijn als zij haar – subsidiaire – verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zou intrekken, en dat zij in dat geval voor intrekking zou hebben gekozen, geldt het volgende.

6. Uit de bewoordingen van artikel 287a lid 7 Fw valt af te leiden dat de rechter zich ervan dient te vergewissen dat de schuldenaar het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft voor het geval het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling wordt afgewezen. Deze bepaling luidt immers: “Indien de rechtbank het verzoek afwijst, beslist zij op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, indien de schuldenaar het verzoek daartoe handhaaft”. De minister van Justitie heeft hierover opgemerkt:

“Met het oog op een efficiënte procesvoering kan ik mij voorstellen dat artikel 287a, zevende lid, als volgt in de procedure wordt opgenomen. Indien het de rechter na de behandeling ter zitting van het verzoek tot gedwongen schuldregeling duidelijk is dat hij dit zal afwijzen, kan hij dat ter zitting kenbaar maken en de schuldenaar vragen of hij het verzoek tot toelating handhaaft. Zo ja, dan kan de behandeling worden voortgezet, zo niet, dan wordt de zitting gesloten en wordt de schuldenaar niet toegelaten tot de regeling. Als de rechter zich nog wil beraden over de gedwongen schuldregeling, zal hij de schuldenaar kunnen vragen of hij het verzoek tot toelating zou willen handhaven indien de rechter de gedwongen schuldregeling in zijn vonnis zou afwijzen. Ook dan wordt de zitting voortgezet als de schuldenaar toegelaten wenst te worden tot de schuldsaneringsregeling en wordt deze beëindigd als dat niet het geval is.” (MvA, Kamerstukken II 2006-2007, 29942, nr. C)

7. Gezien de wettekst en de toelichting daarop dient de rechter die een gecombineerd verzoek tot gedwongen schuldregeling en toepassing van de schuldsaneringsregeling behandelt zich ervan te vergewissen dat de verzoeker, in het geval de gedwongen schuldregeling niet wordt opgelegd, het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling handhaaft. Dit heeft geleid tot een uitspraak van dit hof van 23 mei 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:4109), waarop [appellante] zich beroept, waarbij hoger beroep tegen de toepassing van de schuldsaneringsregeling werd toegestaan, in een geval waarin werd vastgesteld dat aan de verzoeker niet de vraag was voorgelegd of hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wenste te handhaven voor het geval zijn verzoek dwangakkoord werd afgewezen en ook overigens niet was gebleken dat de rechter in eerste aanleg ervan mocht uitgaan dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voor dat geval werd gehandhaafd, hetgeen ertoe had geleid dat de verzoeker tegen zijn zin in de schuldsaneringsregeling was terecht gekomen. Deze uitspraak van het hof dient aldus te worden begrepen dat sprake was van een verzuim van essentiële vormen die doorbreking van het appelverbod rechtvaardigde.

8. In het geval van [appellante] is ten aanzien van de vraag of zij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wenste te handhaven, het volgende gebleken. In het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 19 december 2017 is van het verhandelde ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling het volgende opgenomen (aantekening hof: R=rechter, V= [appellante] ):

“R: Eigen woning komt weer aan de orde. Bewindvoerder zal ernaar kijken en overwaarde gaat te gelde gemaakt worden. In de WSNP heeft de bewindvoerder het voor het zeggen en als die vindt dat woning verkocht moet worden en u werkt niet mee dan zet u de schuldsaneringsregeling op het spel. Beseft u dat?

V: Ja, daarom wil ik ook niet de schuldsaneringsregeling in.

R: U heeft het verzoek gedaan dus u doet het verzoek nog steeds.

V: Ja ik besef het goed. Ik heb geen keus. Zak steeds verder weg.”

Ter zitting van het hof is [appellante] nogmaals gevraagd of haar op de zitting van de rechtbank de vraag is gesteld of zij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wilde handhaven. Daarop heeft [appellante] aan het hof medegedeeld dat dat haar inderdaad gevraagd is, en dat zij daarop bevestigend heeft beantwoord. Aldus staat voldoende vast dat de rechter ervan mocht uitgaan dat [appellante] haar verzoek tot toelating tot de schuldsanering wilde handhaven en is van het schenden van essentiële vormen geen sprake. Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat de rechter haar had moeten uitleggen dat indien het bevel tot instemming met een schuldregeling wordt afgewezen en de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen, er geen appelmogelijkheid bestaat, faalt dat standpunt. Om te voorkomen dat [appellante] tegen haar zin in de schuldsaneringsregeling zou belanden is voldoende dat de rechtbank aan [appellante] de vraag heeft gesteld of zij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wilde handhaven voor het geval het zou komen tot een afwijzing van haar verzoek om een bevel tot instemming met de schuldregeling. Hoewel het op zichzelf aanbevelenswaardig is dat de rechtbank ook uitlegt wat de consequenties voor de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep zijn indien het verzoek wordt gehandhaafd of juist ingetrokken, maakt niet dat bij gebreke daarvan sprake is van een schending van essentiële vormen, die doorbreking van het appelverbod rechtvaardigt.

9. Het voorgaande brengt mee dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Beslissing

Het hof verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2017.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, H.J. van Kooten en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.