Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2018:2283

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
200.212.534/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Onmiddellijke beëindiging. Afrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.212.534/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/507758 / HA ZA 16-328

arrest van 11 september 2018

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. N.J. Moens te Goes,

tegen

[naam bedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 11 juli 2017 verwijst het hof naar het op dit datum gewezen tussenarrest. De daarin gelaste comparitie is niet doorgegaan.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Daarna heeft [appellant] nog een akte genomen en [geïntimeerde] een antwoordakte (met producties). [geïntimeerde] heeft vervolgens de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 7 december 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [geïntimeerde] is een op 21 mei 2015 opgerichte onderneming, die zich richt op het adviseren en het verlenen van diensten op het gebied van verandermanagement en verbetertrajecten binnen organisaties. [geïntimeerde] is opgericht door [bestuurder geïntimeerde] (hierna: [bestuurder geïntimeerde]) die tevens (indirect) statutair bestuurder van [geïntimeerde] is.

b. Bij de oprichting van [geïntimeerde] was de bedoeling dat [bestuurder geïntimeerde] de onderneming zou opzetten en zich voornamelijk met management zou bezighouden, terwijl zijn toenmalige compagnon een meer inhoudelijke inbreng (consultancy) zou hebben. Deze compagnon heeft zich in juli 2015 vanwege ziekte teruggetrokken. [bestuurder geïntimeerde] is vervolgens in zijn zoektocht naar een nieuwe ervaren consultant in contact gekomen met [appellant], die als zelfstandig consultant werkt en op korte termijn beschikbaar was.

c. [appellant] en [geïntimeerde] hebben op 2 oktober 2015 een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de overeenkomst), op grond waarvan [appellant] (kort gezegd) voor de duur van een half jaar als zelfstandig consultant werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van [geïntimeerde]. De overeenkomst luidt, voor zover relevant:

“1.2.

Deze overeenkomst treedt in werking op 28-08-2015 en geldt tot en met 28-02-2016. (…)

(…)

1.5.

De Opdrachtgever kan deze overeenkomst van opdracht te allen tijde schriftelijk opzeggen zonder inachtneming van een opzegtermijn. Als dan is de Opdrachtgever aan de Opdrachtnemer een beloning verschuldigd over de opzegtermijn naar evenredigheid van de tot dan gewerkte dagen/uren.

(…)

4.1.

Het honorarium van Opdrachtnemer bij de klant voor de onder 1.1. genoemde werkzaamheden is een fee van €230,95 per dag. Per diem tegemoetkoming van levensonderhoud zal worden vergoed tot een maximum van €25,- per dag. Indien er sprake is van billing, wordt een variabele fee uitbetaald aan opdrachtnemer van maximaal €750,- per dag. Bij de vaststelling van deze variabele fee wordt rekening gehouden met het minimale aandeel van [geïntimeerde], welke 37,5% van de dealopbrengst bedraagt.”

d. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst met [appellant] op 27 november 2015 met onmiddellijke ingang opgezegd.

2. In eerste aanleg heeft [appellant] – voor zover in hoger beroep nog van belang – betaling gevorderd van het overeengekomen honorarium over de na opzegging resterende contractperiode (27 november 2015 tot 28 februari 2016) ad in totaal € 15.238,-- alsmede betaling van een nog openstaande factuur ad € 3.233,97, alles vermeerderd met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft op haar beurt – wederom voor zover in appel nog aan de orde – in reconventie betaling gevorderd van een bedrag groot € 1.266,03 met rente wegens teveel betaalde voorschotten. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen en die van [geïntimeerde] toegewezen.

3. Met grief I komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 7:411 BW op de tussen partijen gesloten overeenkomst niet van toepassing is. Volgens [appellant] is dit onjuist en dient [geïntimeerde] op grond van dit artikel ‘de schade die hij heeft geleden als gevolg van het opzeggen van de overeenkomst te vergoeden’.

4. Deze grief faalt. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen geldt artikel 7:411 BW niet voor opdrachten waarbij de vergoeding wordt voldaan per tijdseenheid of per werkzaamheid, behalve dan indien de beëindiging geschiedt binnen een tijdseenheid die bepalend is voor de vergoeding. In dit geval had [appellant] volgens artikel 4.1 van de overeenkomst recht op een vergoeding per tijdseenheid van een dag. Partijen rekenden gedurende de opdracht ook op die wijze periodiek met elkaar af: [appellant] factureerde iedere twee weken de door hem gewerkte dagen en de door hem gemaakte kosten.

In de toelichting op de grief stelt [appellant] evenwel dat partijen voor aanvang van de overeenkomst een vaste vergoeding van € 5.000,- per maand hebben afgesproken en dat deze vergoeding door [appellant] ‘zodanig ook is gefactureerd’. Deze stelling gaat echter niet gepaard met een uitleg waarom dan toch, in afwijking hiervan, in de overeenkomst een dagvergoeding is genoteerd. Bovendien zijn er geen facturen getoond waarop als honorarium € 5.000,- per maand in rekening is gebracht; enkel facturen op basis van dagen/kosten. Ook overigens ontbreekt een voldoende onderbouwing. Tegenover het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde] – inhoudende dat en waarom in het kader van de beginnende samenwerking tussen partijen bewust is gekozen voor de in de overeenkomst vastgelegde beloning voor de werkzaamheden per dag – heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat de overeenkomst - aan de hand van de Haviltexmaatstaf - aldus moet worden uitgelegd dat in afwijking van de bewoordingen ervan een vaste beloning per maand is afgesproken.

[appellant] heeft nog wel omstandigheden genoemd waaraan hij naar zijn zeggen de indruk ontleende dat de overeenkomst niet tussentijds zou worden beëindigd, maar die - door [geïntimeerde] betwiste - omstandigheden zijn onvoldoende om te concluderen tot een maand- in plaats van een dagvergoeding en/of een afstand van de - ook door [appellant] erkende - contractuele opzeggingsbevoegdheid. Dat laatste - dus dat [geïntimeerde], anders dan de eerste zin van artikel 1.5 van de overeenkomst vermeldt, de overeenkomst toch niet per direct zonder opzeggingstermijn kon worden opgezegd - is door [appellant] ook in hoger beroep niet met de vereiste duidelijkheid naar voren gebracht. [geïntimeerde] was derhalve gerechtigd de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen, zonder gehouden te zijn [appellant] enige vergoeding te betalen over de resterende contracttermijn. In wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd is niet met de vereiste duidelijkheid een andere grond voor die of een andersoortige vergoeding dan het - niet toepasselijke - artikel 7:411 BW te lezen. Aan het bepaalde in de - volgens [geïntimeerde] abusievelijk niet geschrapte - tweede zin van artikel 1.5 van de overeenkomst is in dit verband geen betekenis toegekend. Aan bewijsvoering wordt ten aanzien van dit deel van Sliks vordering, vanwege een gebrek aan onderbouwing ervan, niet toegekomen. Het bewijsaanbod is op dit punt ook te vaag.

5. Grief II keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde], na verrekening, jegens [appellant] aanspraak kan maken op betaling van € 1.266,03. [appellant] vordert betaling van zijn (onbetwiste) factuur 151102 ad € 3.233,97, maar volgens de rechtbank doet [geïntimeerde] terecht een beroep op verrekening met twee eerder door haar betaalde voorschotten ad respectievelijk € 2.000,-- en € 2.500,--, zodat nog een door [appellant] te betalen bedrag groot

€ 1.266,03 resteert.

6. Het betreft hier in feite de eindafrekening tussen partijen per datum opzegging, ter zake de door [appellant] gefactureerde bedragen enerzijds en de door [geïntimeerde] betaalde facturen en voorschotten anderzijds. Volgens [appellant] volgt uit de overgelegde facturen en betalingsbewijzen dat [geïntimeerde] zijn factuur 151102 ad € 3.233,97 nog verschuldigd is.

Volgens [geïntimeerde] is genoemde factuur van [appellant] verrekend met (i) ‘een eerder door haar naar aanleiding van nota 151001 betaald voorschot (van € 2.500,--) ten behoeve van de maand september dat later niet is verrekend, zie factuur 151001 productie 7, en derhalve onverschuldigd is betaald (c.v.a. punt 33)’ en (ii) een naar aanleiding van nota 151101 betaald voorschot van € 2.000,-- ter zake van 20 weken vliegtickets.

7. [appellant] heeft aangevoerd dat het door [geïntimeerde] betaalde voorschot ad € 2.500 al eerder door [geïntimeerde] is ingehouden. Het hof kan hem daarin niet volgen. Als productie G bij memorie van grieven heeft [appellant] een kopie overgelegd van de door hem verzonden facturen en een overzicht van de door [geïntimeerde] verrichte betalingen. Volgens dit door hem zelf overgelegde overzicht heeft [geïntimeerde] al deze facturen betaald (met uitzondering van een ingehouden parkeerboete). Uit deze stukken valt niet op te maken dat [geïntimeerde] het aldus betaalde voorschot ad € 2.500,-- al eerder heeft verrekend. De rechtbank heeft op dit punt eerder in het nadeel van [appellant] beslist, omdat [appellant] niet concreet had toegelicht wanneer en met welke factuur de door hem gestelde verrekening zou hebben plaatsgevonden. Ook in hoger beroep ontbreekt zulke toelichting. [geïntimeerde] heeft ter zake dus terecht een beroep op verrekening gedaan met de door haar overigens niet betwiste factuur van [appellant].

8. [appellant] heeft verder aangevoerd dat [geïntimeerde] € 2.000,-- heeft voorgeschoten in november 2015 om vliegtickets te kopen om ten behoeve van zijn werkzaamheden van zijn woonplaats in Spanje naar Nederland te vliegen. Die tickets moesten vooruit worden geboekt, om hoge kosten te voorkomen. [appellant] stelt dat hij met dit voorschot in overleg met en na akkoord van [geïntimeerde] tickets heeft geboekt tot begin april 2016. Het gaat om tickets bij ‘lowcost airlines’ dus annulering of omzetting was niet mogelijk. Ten onrechte heeft de rechtbank beslist dat tussentijdse opzegging van de overeenkomst meebracht dat [geïntimeerde] geen reiskosten meer verschuldigd was, aldus [appellant].

9. Ook dit onderdeel van de grief slaagt niet. Zoals [geïntimeerde] terecht heeft opgemerkt heeft de rechtbank het verweer van [appellant], dat hij de tickets al had geboekt voordat de overeenkomst werd opgezegd en dat hij deze niet meer kon annuleren, verworpen, omdat [appellant] op geen enkele wijze met stukken, boekingsbevestigingen of tickets heeft onderbouwd dat hij de door hem bedoelde tickets daadwerkelijk heeft geboekt. Ook in hoger beroep ontbreekt iedere onderbouwing. Het aanbod in de memorie van grieven om ter zake een onderbouwing te geven kan hem niet baten. Het lag op de weg van [appellant] om die onderbouwing bij die memorie te geven en zo zijn omissie uit de eerste aanleg te herstellen. Dit geldt temeer nu van een partij die zich beroept op schriftelijke bewijsstukken waarover hij beschikt in beginsel verlangd mag worden dat zij die - als dit een twistpunt is - uit zichzelf in het geding brengt

(vgl. HR 09-03-2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174). Ook wat betreft het voorschot van € 2.000 heeft [geïntimeerde] dus terecht een beroep gedaan op verrekening met de factuur van [appellant]. Grief II faalt geheel.

10. Nu beide grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, alsmede de gevorderde nakosten zoals hierna vermeld.

11. Het bewijsaanbod van [appellant] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 december 2016;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 313 aan verschotten en € 2.086,50 aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, S.R. Mellema en J.M. van der Klooster en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.